Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.3.1
8.3.1 Met welke argumenten heeft het kabinet de wijzigingen onderbouwd?
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258939:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1984/85, 18849, nrs. 1-3, p. 8-9; Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 48. De referte-eis in de WW 1949 en WWV waren gestoeld op de gedachte dat men gedurende een periode van een half jaar wekelijks moet hebben gewerkt. Bij een vijfdaagse werkweek moest op 130 dagen als werknemer zijn gewerkt. Bij een regelmatig arbeidspatroon op hetzij meer of minder dan 5 dagen per week bedroeg dat aantal evenwel het 26-voudige van het gemiddeld aantal volgens dat arbeidspatroon per week gewerkte dagen, met een minimum van 65 dagen. Voor personen die in een onregelmatig arbeidspatroon op gemiddeld minder dan 5 dagen per week werken gold een afwijkende regeling, die overigens ook het minimum van 65 dagen kende.
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 108-109.
Kamerstukken II 1994/95, 23985, nr. 3, p. 9-10.
Kamerstukken II 1994/95, 23985, nr. 3, p. 9-10.
Kamerstukken II 1994/95, 23985, nr. 3, p. 1. Die wijziging ging in per 1 oktober 2006.
Kamerstukken I 2005/06, 29738 en 30370, C, p. 9.
Verslag Raadsvergadering Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 16. Deze informatie komt uit de rede van een van de SER-leden, mevrouw Westerbeek.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 62-65.
In 1987 is er een scheiding gemaakt tussen de uitkeringsgerechtigden die aan de wekeneis (recent arbeidsverleden) voldeden en die aan de jareneis (langer arbeidsverleden) voldeden. De wekeneis hield in dat in de 52 weken onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid ten minste in 26 weken arbeid in dienstbetrekking moest zijn verricht.1 Bij het voldoen aan die wekeneis had de WW’er recht op een half jaar loongerelateerde WW-uitkering (bij volledige werkloosheid 70 procent van het dagloon per dag). De beperking van zes maanden was volgens het kabinet ook voor de oudere werklozen gerechtvaardigd. Oudere werklozen zouden volgens het kabinet relatief lang van de werkloosheidsuitkering gebruik maken, zodat een scherpere referte-eis ten opzichte van de WW 1949 en de WWV en een beperking van de basisuitkering gerechtvaardigd was.2 De duur van de werkloosheidsuitkering van zes maanden werd verlengd indien de werkloze ook nog voldeed aan de jareneis, namelijk in de 5 jaar voorafgaand aan de werkloosheid moest in minimaal 3 jaar 52 dagen of meer per jaar gewerkt zijn.3
In 19954 zijn de referte-eisen voor het eerst sinds de invoering aangescherpt. Het kabinet vond het van belang om het stijgende beroep op de WW te beperken, ook al dienden de eerste tekenen van economisch herstel zich alweer aan.5 Een groter beroep op de WW zou leiden tot stijgende premies en loonkosten. Dit zou een negatief effect op de werkgelegenheid hebben en daarom moest de stijging van de collectieve lasten door de WW worden voorkomen.6 De wekeneis werd daarom gewijzigd van 26 uit 52 weken naar 26 uit 39 weken en de jareneis werd van 3-uit-5 gewijzigd naar een 4-uit-5-jareneis.7 De voorheen geldende referte-eisen zouden volgens het kabinet slechts een losse band met het arbeidsproces verlangen. De nadruk werd daarom gelegd op een sterkere band met het arbeidsproces door een groter en recenter arbeidsverleden te verlangen voor toegang tot de WW en de jareneis en wekeneis samen te voegen tot een gecombineerde toetredingsvoorwaarde voor het recht op een loongerelateerde WW-uitkering en de vervolguitkering. Voor werknemers met alleen een recent arbeidsverleden (wekeneis) werd de kortdurende uitkering op minimumniveau geïntroduceerd, die maximaal een half jaar kon duren. Ook werd de vervolguitkering verlengd naar twee jaar.8 Deze twee wijzigingen zijn in paragraaf 8.2.1 behandeld.
In 2006 werd de referte-eis weer aangescherpt.9 De wekeneis werd verscherpt naar 26 uit 36 weken (in plaats van 26 uit 39 weken).10 Het kabinet vond het van belang dat de nadruk werd gelegd op het belang van een langdurige band met de arbeidsmarkt voor toetreding tot de WW-verzekering.11 De kortdurende uitkering op minimumniveau werd vanuit het perspectief van deregulering en vereenvoudiging van de uitvoering van de WW afgeschaft. De afschaffing zou ook leiden tot door het kabinet gewenste structureel lagere uitvoeringskosten van de WW.12 Het kabinet was eerst van plan om de referte-eisen aan te scherpen naar 39 uit 52 weken, omdat er bezuinigd moest worden. Na protesten in de maatschappij en een negatief advies van de SER zegde het kabinet toe om een advies van de SER op dit punt over te nemen, mits dit advies binnen de SER unaniem was.13 De SER onderschreef in het advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet uit 2005 de opvatting dat de WW baanmobiliteit en een efficiënte allocatie van arbeid moest stimuleren door een goede balans tussen inkomensbescherming en activering van de WW te vinden. Dit zou bereikt worden door activerende polisvoorwaarden, te weten de aanscherping van de referte-eis. Bij een referte-eis van 26 uit 36 weken zou volgens de SER de WW relatief laagdrempelig toegankelijk blijven voor iedereen en met name voor de groepen die werden getroffen door de afschaffing van de kortdurende uitkering (jongeren, starters, flexwerkers en herintreders).14 Vooral ten opzichte van de door het kabinet voorgestelde 39-uit-52-wekeneis was de referte-eis van 26 uit 36 weken een lagere toegangseis voor de WW. Het kabinet nam het door de SER voorgesteld advies over.15