De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/13.5:13.5 Conclusie
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/13.5
13.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS366356:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De biedplicht wordt geactiveerd door de verwerving van overwegende zeggenschap. Naar Nederlands recht moet het begrip “verwerving” bij acting in concert ruim worden opgevat; het sluiten van een stemovereenkomst kan tot een biedplicht leiden wegens acting in concert. Niet nodig is dat daarnaast nog verwerving van effecten plaatsvindt. De regelingen in sommige van de onderzochte landen waarbij dat wel het geval is, zijn naar mijn mening in strijd met de Overnamerichtlijn.
Als gevolg van het doelcriterium is het precieze ontstaansmoment van de biedplicht wegens acting in concert onduidelijk. Het tot stand komen van de overeenkomst ligt het meest voor de hand als ontstaansmoment. Slechts als uit de overeenkomst of de omstandigheden van het geval boven twijfel is verheven dat partijen hebben beoogd de samenwerking op een later moment te initiëren, zie ik ruimte om de biedplicht op een later moment te laten ontstaan.
De biedplicht rust in geval van acting in concert in beginsel niet op het samenwerkingsverband als zodanig. Dan kan anders zijn indien het samenwerkingsverband rechtssubjectiviteit bezit. Is dat niet het geval, dan rust de biedplicht in beginsel hoofdelijk op de deelnemers aan het samenwerkingsverband. Als gevolg van een vrijstelling rust de biedplicht uiteindelijk ofwel op degene die de meeste stemrechten kan uitoefenen binnen het samenwerkingsverband of op degene die binnen de groep als “bieder” is aangewezen. De vrijstellingsregelingen die de biedplicht bij een persoon controleren doen geen afbreuk aan de mogelijkheid van nakoming van de biedplicht door een derde op de voet van art. 6:30 BW.