Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.2.3.2.1
4.2.3.2.1 Verplicht
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS410189:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de gecompliceerde verhouding van artikel 42 en 47 Fw hieronder § 4.2.3.5.
Van Dijck, De Faillissementspauliana. Revisie van een relict, p. 25-39. Vooral in reactie op de werking van de Algemene Bankvoorwaarden, heeft Van Dijck erop gewezen dat het onderscheid verplicht-onverplicht wel erg manipuleerbaar wordt voor partijen. Hij pleit voor een geheel andere benadering van de pauliana waarbij met gezichtspunten wordt gewerkt. Binnen de door hem voorgestane benadering van een 'gereviseerde pauliana' zou het onderscheid tussen verplicht en onverplicht dan ook de status van gezichtspunt moeten krijgen.
Zie over de algemene bankvoorwaarden en de relatie van artikel 20 ABV tot de actio pauliana, W.H.G.A. Filott, Algemene Bankvoorwaarden, serie Bank- en Effectenrecht, deel 3, Deventer: Kluwer 2000. Artikel 20 Algemene Bankvoorwaarden luidde als volgt: 'De cliënt is verplicht desgevraagd voldoende zekerheid te stellen voor de nakoming van zijn bestaande verplichtingen jegens de bank. Is een gestelde zekerheid onvoldoende geworden, dan is de cliënt verplicht desgevraagd die zekerheid aan te vullen of te vervangen. Een verzoek als hiervoor bedoeld dient schriftelijk te geschieden en de reden van het verzoek te vermelden. De omvang van de gevraagde zekerheid dient in redelijke verhouding te staan tot het beloop van de desbetreffende verplichtingen van de cliënt.' Per 1 november 2009 gelden nieuwe algemene bankvoorwaarden. Thans luidt het eerste lid van artikel 26 als volgt: 'Door het van toepassing worden van deze algemene bankvoorwaarden heeft de cliënt zich jegens de bank verbonden om voor alle bestaande en alle toekomstige vorderingen van de bank op de cliënt, uit welken hoofde ook op eerste verzoek van de bank ten genoegen van de bank (aanvullende) zekerheid te stellen. Deze dient steeds zodanig te zijn, en daartoe zo nodig door de cliënt ten genoegen van de bank te worden vervangen en / of aangevuld, dat de bank gelet op het risicoprofiel van de cliënt, de dekkingswaarde van de zekerheden en eventuele andere voor de bank relevante factoren, doorlopend voldoende zekerheid heeft en zal hebben. De bank zal op verzoek van de cliënt de reden van die zekerheidstelling, of de vervanging of aanvulling daarvan, meedelen. De omvang van de gevraagde zekerheid moet in een redelijke verhouding staan tot de verplichtingen van de cliënt.'
Rechtbank Rotterdam 19 juli 2006 en 1 oktober 2008, JOR 2009/115 probeerde hier een nieuwe draai aan te geven door te overwegen dat artikel 20 ABV (zie vorige noot) zo geïnterpreteerd diende te worden dat slechts indien aanvankelijk wel zekerheid was gesteld en deze later te weinig was geworden, sprake was van een verplichting. De eerste zin van artikel 20 ABV wordt dan niet zelfstandig gelezen, maar slechts in samenhang met het tweede lid. Hoewel ik zelf meen dat het Duitse recht hier een goede oplossing biedt door de zekerheidverschaffmg als een incongruente voldoening te kwalificeren, meen ik dat de interpretatie van artikel 20 ABV door de Rechtbank Rotterdam naar Nederlands recht niet de juiste was. De hoofdregel stond mijns inziens in de eerste zin, namelijk dat een kredietnemer verplicht was zekerheid te stellen. De tweede regel gaf een regel wat tussen partijen rechtens was indien een gestelde zekerheid onvoldoende was geworden. Zie ook kritisch over de uitspraak van Rechtbank Rotterdam Verdaas in zijn noot bij de uitspraak. Inmiddels is artikel 20 ABV zo aangepast dat een dergelijke onduidelijkheid zich niet meer voordoet. In de toelichting op het nieuwe artikel 26 ABV wordt nog het volgende opgemerkt: 'Zoals gezegd geschiedt kredietverlening vaak tegen zekerheidstelling. Nu is het denkbaar dat een zekerheid die aanvankelijk voldoende was, naderhand onvoldoende wordt of dreigt te worden. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een daling van de koers van de onder het pandrecht van de bank vallende effecten. De bank kan dan volgens artikel 26 aan de cliënt verzoeken die zekerheid aan te vullen. Een verzoek tot zekerheidstelling kan in ieder geval altijd worden gedaan wanneer het gaat om geheel ongedekte of naar het oordeel van de bank onvoldoende gedekte debetstanden. Kortom: de cliënt dient er op elk door de bank gewenst moment voor te zorgen dat zijn schulden aan de bank door voldoende zekerheid zijn gedekt.'
Zie de arresten HR 16 juni 2000, JOR 2000/201 (Van Dooren q.q./ABN AMRO I) en HR 29 juni 2001, JOR 2001/220 (Meijs q.q./Bank of Tokyo).
Artikel 47 Fw biedt in uitzonderingsgevallen de mogelijkheid om verplichte rechtshandelingen van de schuldenaar te vernietigen. Hoewel het gemeengoed is geworden om ten aanzien van artikel 47 Fw over verplichte rechtshandelingen te spreken, hanteert het artikel zelf een geheel eigen terminologie. Artikel 47 Fw spreekt niet van een verplichte rechtshandeling, en zelfs niet van rechtshandeling, maar van de 'voldoening van een opeisbare schuld' en van 'betaling'. Aangenomen wordt dat artikel 47 Fw ruim dient te worden geïnterpreteerd en op alle verplichte rechtshandelingen van de schuldenaar ziet. Zo valt ook het vestigen van een zekerheidsrecht en het opstellen van een lijst van te verpanden vorderingen en registratie daarvan onder het bereik van artikel 47 Fw. Belangrijk is te onderkennen dat, anders dan artikel 42 Fw, artikel 47 Fw terecht geen onderscheid maakt tussen rechtshandelingen om niet en rechtshandelingen anders dan om niet.
Gezien de, grosso modo,1 aanzienlijk ruimere mogelijkheden onverplichte rechtshandelingen te vernietigen vergeleken met verplichte rechtshandelingen, zullen partijen veelal trachten hun rechtshandeling als een verplichte rechtshandeling te construeren. Zodra de financiële problemen zich aandienen zijn de mogelijkheden hiervoor veelal beperkt. Daarom zullen partijen reeds vroeg in hun relatie willen opnemen welke verplichtingen mogelijk uit hun relatie kunnen voortvloeien.2 Een bekend voorbeeld hiervan betreft artikel 26 (voormalig artikel 20) van de Algemene Bankvoorwaarden.3 Indien de bank op basis van deze bepaling extra zekerheden verzoekt omdat de gestelde zekerheid onvoldoende is of is geworden, en de cliënt ertoe overgaat zekerheden te verschaffen, dan heeft dit als een verplichte rechtshandeling te gelden 4 Ook al volgt surseance en faillissement vlak daarop, dan is de vestiging van deze zekerheden in de regel niet paulianeus.5