Voor het voorhanden hebben is nodig een ‘meer of mindere mate van bewustheid’ van de aanwezigheid van het wapen. Zie HR 25 september 2007, LJN BA7694.
HR, 07-07-2009, nr. 07/11412
ECLI:NL:HR:2009:BI3888
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
07-07-2009
- Zaaknummer
07/11412
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
BI3888
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BI3888, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 07‑07‑2009; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI3888
ECLI:NL:PHR:2009:BI3888, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑05‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BI3888
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑10‑2006
- Vindplaatsen
NJ 2009, 389 met annotatie van M.J. Borgers
Uitspraak 07‑07‑2009
Inhoudsindicatie
1. Ontbreken processtukken. 2. Bewijs medeplegen voorhanden hebben van een vuurwapen. Ad 1. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437.2 Sv, genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. HR LJN AO8819 en - thans ook - art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de HR 2008, Stcrt. 147). I.c. is niet gebleken dat de raadsman een dergelijk verzoek heeft gedaan, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. Ad 2. Het Hof heeft kennelijk afgeleid en ook kunnen afleiden dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
7 juli 2009
Strafkamer
Nr. 07/11412
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 oktober 2006, nummer 23/004597-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van de feiten 2 en 3 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam om op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste en het derde middel
2.1. Het eerste middel klaagt dat zich bij de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken niet de ter terechtzitting van 26 september 2006 aan het Hof overgelegde pleitnotities bevinden. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof in strijd met de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het - naar de Hoge Raad begrijpt: in die pleitnotities vervatte - uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, dat in de toelichting op het middel is weergegeven.
2.2. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. HR 15 juni 2004, LJN AO8819, NJ 2004, 465 en - thans ook - art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008, Stcrt. 147). In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsman een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden. Het derde middel kan evenmin tot cassatie leiden omdat het geen feitelijke grondslag heeft in de aan de Hoge Raad gezonden processtukken.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 28 januari 2003 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Ruger SP 101, kal 9mm parabellum), voorhanden heeft gehad."
3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2006, voor zover inhoudende:
"Op 28 januari 2003 heb ik met [betrokkene 1] getraind. Na de training ging ik met [betrokkene 1] met de auto langs zijn huis in [plaats]. Ik zat aan de passagierszijde in de auto. Daarna gingen we naar Amstelveen. Bij het benzinestation stapte ik uit. [betrokkene 1] ging tanken. De politieagenten vroegen of de auto van [betrokkene 1] was. [betrokkene 1] ontkende en zei dat de auto ook niet van mij was."
b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
"Op 28 januari 2003 stelde ik een onderzoek in op de parkeerplaats van het tankstation Esso te Amstelveen. Toen ik naar het tankstation liep zag ik bij de benzinepomp een motorvoertuig staan, een Opel Vectra. Ik hoorde dat dit motorvoertuig in werking was en dat de verlichting brandde, terwijl ik geen bestuurder en/of passagiers zag zitten. Ik liep vervolgens het tankstation binnen. Ik zag dat de medewerker van het tankstation achter de kassa zat. Ik zag een drietal personen in het tankstation. Ik vroeg aan de andere twee personen van wie de Opel Vectra was. Deze twee personen reageerden ontkennend en verlieten het tankstation. Ik liep vervolgens naar de Opel Vectra. Ik keek zonder de Opel Vectra te openen naar binnen en zag voor de bestuurdersstoel een op een echte revolver gelijkende zilverkleurige revolver liggen. Hierop opende ik het portier van de Opel Vectra en zette de motor uit en deed met de afstandsbediening de deuren op slot. Direct hierop nam ik contact op met de meldkamer. Toen de collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse kwamen ben ik met de collega's het tankstation binnengelopen. Ik hoorde dat voornoemde collega's de medewerker van het tankstation vroegen omtrent het signalement van de bestuurder van de Opel Vectra. Ik hoorde deze medewerker zeggen dat het een grote man in licht trainingspak was en een kleinere man. Dit waren de twee personen die ik gevraagd had of zij wisten van wie de Opel Vectra was. Ik gaf het signalement door aan de inmiddels ter plaatse gekomen collega's. Vervolgens werd een van de personen aangehouden. Toen ik de aangehouden verdachte zag, herkende ik hem voor 100 % als de persoon aan wie ik in het tankstation had gevraagd van wie de Opel Vectra was. Deze persoon heeft opgegeven te zijn: [betrokkene 1]."
c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:
"Ik ben werkzaam als kassamedewerker in het tankstation van Esso aan de oostzijde van de Beneluxbaan (het hof begrijpt: te Amstelveen). Op 28 januari 2003 was ik alleen werkzaam achter de kassa. Omstreeks 20:30 uur zag ik een auto het terrein van het tankstation oprijden. Ik zag dat de auto stopte bij de benzinepomp langs de rijbaan van de Beneluxbaan naast het gebouw van het tankstation. Ik zag dat vanaf de bestuurdersplaats een man uitstapte. Ik zag dat de man ging tanken. Ik zag vervolgens dat er een jongen uit dezelfde auto stapte vanaf de passagierszijde. Nadat de man klaar was met tanken zag ik beide mannen het tankstation binnenkomen."
d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
"Op 28 januari 2003 is de Opel Vectra, voorzien van kenteken [AA-00-BB] in beslaggenomen. Het vuurwapen dat in de Opel Vectra werd aangetroffen, een zilverkleurige revolver merk Ruger (het hof begrijpt: model) KSP931, is in beslag genomen."
e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 5], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
"Het op 28 januari 2003 inbeslaggenomen wapen is een revolver met de volgende kenmerken: Merk Ruger SP 101, model KSP931, kaliber 9 mm Parabellum. Deze revolver is een vuurwapen, gelet op artikel 2, lid 1, van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie."
3.3. Uit de bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. De verdachte is als passagier in een Opel Vectra bij een tankstation aangekomen. De bestuurder van die wagen stapte uit, waarna de verdachte kort daarna ook uitstapte. Beiden liepen vervolgens het tankstation in. Zij lieten de motor van de auto lopen. Een politiebeambte zag dat en ging het tankstation binnen. Daar vroeg hij aan de verdachte en zijn mededader van wie de Opel Vectra was. Beiden antwoordden dat niet te weten en verlieten het tankstation, zonder naar de Opel Vectra te gaan. De politiebeambte liep vervolgens naar de Opel Vectra en zag daarin van buitenaf een vuurwapen liggen voor de stoel van de bestuurder. Daaruit heeft het Hof kennelijk afgeleid en ook kunnen afleiden dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader dit vuurwapen voorhanden heeft gehad.
3.4. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het vierde middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en twee weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 7 juli 2009.
Conclusie 12‑05‑2009
Mr. Machielse
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 10 oktober 2006 voor medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden.
2.
Mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.
3.1.
Het eerste middel klaagt dat de pleitnotities, die volgens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep daar zouden moeten zijn ingevoegd, ontbreken.
3.2.
Het middel kan niet tot cassatie leiden gezien HR 15 juni 2004, LJN AO8819, NJ 2004, 465, en art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008, Stcrt.147.
4.1.
Het tweede middel klaagt dat het bewijs van het tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Verdachte was slechts passagier in de auto waarin het wapen is gevonden. Niet staat vast op welk moment dat wapen in de auto terecht is gekomen, noch of verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen in die auto.
4.2.
Het hof heeft bewezenverklaard dat
‘hij op 28 januari 2003 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Ruger SP 101, kal 9mm parabellum), voorhanden heeft gehad.’
4.3.
Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
- ‘1.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2006.
Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 28 januari 2003 heb ik met [betrokkene 1] getraind. Na de training ging ik met [betrokkene 1] met de auto langs zijn huis in [plaats]. Ik zat aan de passägierszijde in de auto. Daama gingen we naar Amstelveen. Bij het benzinestation stapte ik uit. [Betrokkene 1] ging tanken. De politieagenten vroegen of de auto van [betrokkene 1] was. [Betrokkene 1] ontkende en zei dat de auto ook niet van mij was.
- 2.
Een fotokopie van een proces-verbaal met nummer 2003025838-5 van 28 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 15–17).
Dit proces-verbaal houdt — zakelijk weergegeven — onder meer in:
als verklaring van verbalisant voomoemd:
Op 28 januari 2003 stelde ik een onderzoek in op de parkeerplaats van het tankstation Esso te Amstelveen. Toen ik naar het tankstation liep zag ik bij de benzinepomp een motorvoertuig staan, een Opel Vectra. Ik hoorde dat dit motorvoertuig in werking was en dat de verlichting brandde, terwijl ik geen bestuurder en/of passagiers zag zitten. Ik liep vervolgens het tankstation binnen. Ik zag dat de medewerker van het tankstation achter de kassa zat. Ik zag een drietal personen in het tankstation. Ik vroeg aan de andere twee personen van wie de Opel Vectra was. Deze twee personen reageerden ontkennend en verlieten het tankstation. Ik liep vervolgens naar de Opel Vectra. Ik keek zonder de Opel Vectra te openen naar binnen en zag voor de bestuurdersstoel een op een echte revolver gelijkende zilverkleurige revolver liggen. Hierop opende ik het portier van de Opel Vectra en zette de motor uit en deed met de afstandsbediening de deuren op slot. Direct hierop nam ik contact op met de meldkamer. Toen de collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse kwamen ben ik met de collega's het tankstation binnengelopen. Ik hoorde dat voomoemde collega's de medewerker van het tankstation vroegen omtrent het signalement van de bestuurder van de Opel Vectra. Ik hoorde deze medewerker zeggen dat het een grote man in licht trainingspak was en een kleinere man. Dit waren de twee personen die ik gevraagd had of zij wisten van wie de Opel Vectra was. De gaf het signalement door aan de inmiddels ter plaatse gekomen collega's. Vervolgens werd een van de personen aangehouden. Toen ik de aangehouden verdachte zag, herkende ik hem voor 100 % als de persoon aan wie ik in het tankstation had gevraagd van wie de Opel Vectra was. Deze persoon heeft opgegeven te zijn: [betrokkene 1].
- 3.
Een fotokopie van een niet door de getuige ondertekend proces-verbaal met nummer 2003025838-8 van 28 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (dossierpagina 18–19)
Dit proces-verbaal houdt — zakelijk weergegeven — onder meer in: als verklaring van getuige [getuige 1] op 28 januari 2003 afgelegd tegenover verbalisant voomoemd:
lk ben werkzaam als kassamedewerker in het tankstation van Esso aan de oostzijde van de Beneluxbaan (het hof begrijpt: te Amstelveen). Op 28 januari 2003 was ik alleen werkzaam achter de kassa. Omstreeks 20:30 uur zag ik een auto het terrein van het tankstation oprijden. De zag dat de auto stopte bij de benzinepomp langs de rijbaan van de Beneluxbaan naast het gebouw van het tankstation. Ik zag dat vanaf de bestuurdersplaats een man uitstapte. Ik zag dat de man ging tanken. Ik zag vervolgens dat er een jongen uit dezelfde auto stapte vanaf de passägierszijde. Nadat de man klaar was met tanken zag ik beide mannen het tankstation binnenkomen.
- 4.
Een proces-verbaal met nummer 2003119556 van 14 januari 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina 1–14).
Dit proces-verbaal houdt — zakelijk weergegeven — onder meer in:
als verklaring van verbalisant voomoemd:
Op 28 januari 2003 is de Opel Vectra, voorzien van kenteken [AA-00-BB] in beslaggenomen. Het vuurwapen dat in de Opel Vectra werd aangetroffen, een zilverkleurige revolver merk Ruger (het hof begrijpt: model) KSP931, is in beslag genomen.
- 5.
Een kopie van een proces-verbaal met nummer 2003025838:0103 van 29 januari 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina 24–25).
Dit proces-verbaal houdt — zakelijk weergegeven — onder meer in:
als verklaring van verbalisant voomoemd:
Het op 28 januari 2003 inbeslaggenomen wapen is een revolver met de volgende kenmerken: Merk RugerSP 101, model KSP931, kaliber 9 mm Parabellum. Deze revolver is een vuurwapen, gelet op artikel 2, lid jl, van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.’
4.4.
Uit deze bewijsmiddelen is af te leiden dat eerst de bestuurder [betrokkene 1] is uitgestapt en eerst daarna verdachte. Zowel verdachte als [betrokkene 1] hebben tegenover verbalisant [verbalisant 1] ontkend dat zij bij deze auto hoorden. Verbalisant [verbalisant 1] heeft vervolgens een vuurwapen voor de bestuurdersstoel van de verlaten auto zien liggen. Het wapen lag daar dus kennelijk open en bloot. Verdachte en [betrokkene 1] hebben vervolgens het tankstation verlaten zonder de auto mee te nemen.
4.5.
Het hof heeft kennelijk uit het feit dat zowel verdachte als [betrokkene 1] hebben ontkend dat zij enige band met de auto hadden afgeleid dat zij niet met die auto wensten te worden geassocieerd en wel omdat beiden zich ervan bewust waren dat in de auto een vuurwapen lag.1. Deze kennelijke slotsom acht ik voldoende gesteund te worden door de bewijsmiddelen en is naar mijn mening niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
6.1.
Het derde middel klaagt dat ter terechtzitting in hoger beroep een onderbouwd standpunt is gepresenteerd waarvan het hof zonder nadere redengeving is afgeweken.
6.2.
In de schriftuur is opgenomen hetgeen de advocaat van verdachte in hoger beroep zou hebben aangevoerd, maar omdat de pleitnota in hoger beroep ontbreekt kan de Hoge Raad niet controleren of hetgeen is gesteld in dit middel terecht wordt aangevoerd. De inlichtingen die zijn ingewonnen bij het hof doen vermoeden dat het verzuim de pleitnota in hoger beroep in te sturen geacht moet worden onherstelbaar te zijn. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak.2.
7.1.
Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden omdat de stukken eerst op 20 juni 2008 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen, terwijl het arrest is gewezen op 10 oktober 2006 en cassatie is ingesteld op 13 oktober 2006.
7.2.
Het middel is gegrond, hetgeen tot verlaging van de opgelegde straf zou dienen te leiden.
8.
Hetgeen ik naar aanleiding van het derde middel heb opgemerkt brengt mij ertoe te concluderen tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam om op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑05‑2009
HR 5 december 2006, LJN AZ0688.
Beroepschrift 10‑10‑2006
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verzoeker], verzoeker tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, gewezen op 10 oktober 2006 (onder parketnummer: 23-004597-04).
Verzoeker tot cassatie (nader mede te noemen: ‘[verzoeker]’) dient de navolgende middelen in:
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet naleving nietigheid meebrengt, aangezien de ter terechtzitting d.d. 26 september 2006 aan het Gerechtshof overgelegde pleitnotities zich niet bij de stukken van het geding bevinden.
Toelichting:
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting bij het Gerechtshof d.d. 26 september 2006 heeft de raadsman van [verzoeker] het woord tot verdediging gevoerd:
‘Aan de hand van zijn pleitnotities, die door hem aan het Hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt’.1.
De bedoelde pleitnotities ontbreken bij de aan de Uw Raad toegezonden stukken. Van de verweren die dus kennelijk ter terechtzitting in hoger beroep zijn gevoerd, valt niet na te gaan of deze daadwerkelijk zijn gevoerd, en zo ja wat de strekking en inhoud daarvan was.
Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt (vgl. HR 15 februari 2006, LJN AR5742 en HR 13 mei 2008, LJN BC6825).
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt op grond van het bepaalde in de artt. 359 lid 3 en 8 jo. 415 Sv en art. 26 WWM. Het met betrekking tot feit 1 bewezen verklaarde ‘voorhanden hebben’ ligt niet in de bewijsmiddelen besloten. Het Gerechtshof is hierdoor ten onrechte, althans op gronden die niet toereikend zijn, tot de (gedeeltelijke) bewezenverklaring van feit 1 gekomen.
Toelichting:
Het Gerechtshof heeft zijn oordeel gegrond op vijf bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen genummerd 1., 2. en 3. hebben betrekking op de betrokkenheid van [verzoeker] bij het in de auto in beslag genomen wapen.
Uit bewijsmiddel 1. (de verklaring van [verzoeker] ter terechtzitting d.d. 26 september 2006) blijkt dat [verzoeker] tezamen met medeverdachte [betrokkene 1] in de auto is aangekomen bij het tankstation.
Uit de bewijsmiddelen 1. en 3. blijkt dat [verzoeker] de passagier was in de auto en dat medeverdachte [betrokkene 1] de bestuurder van de auto was bij aankomst in het tankstation.
Uit bewijsmiddel 2. blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] het betreffende wapen op enig moment heeft zien liggen ‘voor de bestuurdersstoel’, terwijl de auto bij het tankstation stond. Op dat moment bevonden er zich geen personen meer in de auto.
Uit de bewijsmiddelen blijkt niet:
- •
op welk moment het wapen voor de bestuurdersstoel terecht is gekomen,
- •
wie dat wapen daar heeft neergelegd,
- •
of het er al lag tijdens het rijden,
- •
hoe lang het op die plaats gelegen heeft,
- •
of — als het er op enig moment lag toen [verzoeker] op de passagiersplaats zat — het vanaf die stoel ook zichtbaar was.
Aldus blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat het wapen zich in auto heeft bevonden toen ook [verzoeker] zich in die auto bevond.
Ook blijkt niet — in het geval het betreffende wapen zich in de auto heeft bevonden toen [verzoeker] ook in die auto zat — dat [verzoeker] zich op enig moment bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen in de auto. De bewijsmiddelen laten uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat bijvoorbeeld [betrokkene 1] het wapen eerst in zijn broekzak had en pas voor de bestuurdersstoel heeft neergelegd toen [verzoeker] al niet meer in de auto zat. De bewijsmiddelen laten nog legio andere opties open.
Ook blijkt niet of [verzoeker] vanaf de passagiersstoel zicht had op de plaats waar verbalisant [verbalisant 1] het wapen vanaf de buitenkant kon zien.
Aldus kan op grond van de door het Gerechtshof gehanteerde bewijsmiddelen niet worden vastgesteld of het wapen en [verzoeker] zich gelijktijdig in de auto hebben bevonden, (en als dat wel het geval is) of [verzoeker] een relevante machtsrelatie had tot het wapen en of hij zich op enig moment bewust is geweest van de aanwezigheid van een wapen in de auto.
Daarmee vindt het delictsbestanddeel ‘voorhanden hebben’ niet, althans onvoldoende, steun in de gehanteerde bewijsmiddelen.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet naleving nietigheid meebrengt op grond van het bepaalde in art. 359 lid 2 Sv, nu het gerechtshof met betrekking tot het (gedeeltelijk) bewezenverklaarde feit 1 is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid.
Toelichting:
Namens [verzoeker] is ter terechtzitting in hoger beroep op dinsdag 26 september 2006 met betrekking tot het bewezen verklaarde gedeelte van het hem te laste gelegde feit 1 onder andere het volgende aangevoerd:
‘De verbalisant [verbalisant 1] trof op 28 januari 2003 bij een benzinestation een auto aan met draaiende motor. Hij is het tankstation binnengelopen en heeft aan de daar aanwezige personen gevraagd van wie die auto was. Twee van de aanwezigen waren [verzoeker] en de medeverdachte [betrokkene 1].
[verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij ook aan die twee personen zijn vraag heeft gesteld. Daarna heeft hij gerelateerd:
‘Deze twee personen reageerden ontkennend op mijn vraag en zij verlieten aan weerszijden van mij het tankstation.’
Op 18 februari 2004 verklaarde [verzoeker] hierover:
‘toen we binnen waren (in het tankstation, MW) kwam er een politieman binnen die vroeg of de auto buiten van ons was. [betrokkene 1] zei toen heel snel dat die auto niet van hem was en ook niet van mij. lk kreeg niet eens de kans om zelf te antwoorden. lk vond de reactie van [betrokkene 1] vreemd omdat de auto op naam van mijn vader stond en mijn persoonlijke spullen, zoals brommercertificaat, telefoon, kleding en adressenboekje in de auto lagen.’
[betrokkene 1] heeft op dit punt niets verklaard.
De verbalisant is vervolgens weer naar de auto gelopen.
Op welk moment de verbalisant het vuurwapen voor de bestuurdersstoel zag liggen blijft enigszins onduidelijk.
In eerste instantie relateerde hij dat hij door het raam naar binnen keek; hij zag toen de revolver voor de bestuurdersstoel liggen (p. 15).
Later, bij de rechter-commissaris op 9 augustus 2004, verklaarde hij dat hij het bestuurdersportier opende en in de auto greep naar het contactslot. Toen zag hij het wapen liggen. Op dat moment zat hij er in ieder geval met zijn neus bovenop.
Bij nader onderzoek werd nog een vuurwapen aangetroffen in de tas van [betrokkene 1] die in de auto stond.
‘Voorhanden hebben’
Het begrip ‘voorhanden hebben’ in artikel 26 Wet Wapens en Munitie omvat meer dan uitsluitend de eigendom.
Doorslaggevend is of de verdachte over het wapen kon beschikken (machtsrelatie).2.
Om te kunnen beschikken over een bepaald vuurwapen is op zijn minst noodzakelijk dat de verdachte een zekere mate van wetenschap heeft van het bestaan van dat wapen. Het enkele feit dat een wapen zich bevindt in een auto, waarin ook de verdachte zich bevindt is niet voldoende voor ‘voorhanden hebben’.3.
Is er wettig en overtuigend bewijs?
De rechtbank heeft medeplegen van het voorhanden hebben van beide wapens in de auto bewezen verklaard.
Daar tegenover staat in ieder geval dat [verzoeker] heeft verklaard niet van die wapens te weten (125,252). En tevens dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat ze beide zijn eigendom zijn (240).
[verzoeker] heeft nooit ontkend dat hij één van de personen was die in de auto zat. Hij heeft zich in eerste instantie (kortstondig) op zijn zwijgrecht beroepen, maar dat was op mijn advies. Dat advies geef ik vrijwel standaard aan cliënten, omdat de ervaring heeft geleerd dat verklaringen die tegenover de politie worden afgelegd niet altijd volledig en juist worden gerelateerd. Overigens ziet u dat [verzoeker] zich aan dat advies niet lang heeft gehouden. Al op 14 januari 2004 wordt kennelijk buiten het verhoor om uitgebreid gesproken over het voorval bij het tankstation (124/125).
[verzoeker] is altijd consequent en uitgebreid geweest in zijn verklaringen, hij heeft alle medewerking verleend.
De auto was in gebruik bij [betrokkene 1]. [verzoeker] heeft verklaard hoe hij in de auto verzeild is geraakt. Hij is door [betrokkene 1] opgehaald. Vervolgens zijn zij samen naar de sportschool gegaan en naar het huis van [betrokkene 1] in [plaats]. Daarna zijn ze naar Amstelveen gereden, naar het huis van de vader van [verzoeker], om kleding op te halen. [betrokkene 1] zou [verzoeker] vervolgens bij de vriendin van [verzoeker] brengen die in Amsterdam woont. Onderweg zijn ze gestopt bij het tankstation. (208)’
(… …)
‘2. Wapen op de vloer
Ten aanzien van het andere wapen staat vast dat dit voor de verbalisant op enig moment, hetzij van buitenaf, hetzij van binnenuit, zichtbaar voor de bestuurdersstoel lag, op het moment dat cliënt zich niet meer in de auto bevond.
Daarbij kan het volgende worden opgemerkt.
- 1.
In de eerste plaats staat niet vast dat het wapen ook vanaf de passagierszijde zichtbaar was.
- 2.
In de tweede plaats staat niet vast dat dit wapen daar ook al lag toen cliënt nog in de auto zat. Op een gegeven moment zijn cliënt en [betrokkene 1] bij het tankstation uitgestapt. Het dossier laat de mogelijkheid open dat op dat moment dat wapen daar is neergelegd.
Ook het gedrag van cliënt ten overstaan van de verbalisant is niet doorslaggevend voor het aannemen van enige wetenschap of beschikkingsmacht bij [verzoeker]. Hij heeft dit gedrag immers gemotiveerd verklaard. [betrokkene 1] beantwoordde voor hen beiden de vraag aan wie de auto toebehoorde (negatief). [verzoeker] raakte daarvan in de war. [betrokkene 1] verliet haastig het tankstation, waarbij [verzoeker] hem maar gevolgd is. En het op een lopen heeft gezet. (125,209,252).
Conclusie
Ten aanzien van beide wapens kan het medeplegen van voorhanden hebben daarvan niet bewezen worden. Vrijspraak.’
Het voorgaande houdt in een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zoals bedoeld in art. 359 lid 2 Sv, waarop het Gerechtshof, bij afwijking daarvan, gemotiveerd had moeten reageren. Het Gerechtshof heeft in zijn arrest d.d. 10 oktober 2006 een van dit standpunt afwijkende beslissing genomen zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot die beslissing hebben geleid.
Middel IV
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet naleving dient te leiden tot strafvermindering. In het bijzonder is artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden, doordat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn.
Toelichting:
Het gerechtshof heeft op 10 oktober 2006 arrest gewezen. Tegen dit arrest is door verzoeker tijdig (op 13 oktober 2006) beroep in cassatie ingesteld. Eerst op 20 juni 2008 zijn de stukken ter griffie van uw Raad ontvangen. De aanzegging o.g.v. art. 435 lid 1 Sv is vervolgens op 1 december 2008 betekend.
Tussen de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld en de datum waarop de stukken van het geding ter griffie van uw Raad zijn ontvangen is een periode van meer dan 20 maanden, derhalve ruimschoots langer dan 8 maanden, verstreken, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop kunnen rechtvaardigen.
Gelet op de in de door uw Raad gewezen arresten d.d. 3 oktober 2000 (NJ 2000, 721) en 17 juni 2008 (LJN: BD2578 en NbSr 2008, 245) geformuleerde uitgangspunten, is hier sprake van overschrijding van de redelijke (inzend)termijn.
Naar het zich vooralsnog laat aanzien zal deze overschrijding niet gecompenseerd worden door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep, nu de aanzegging o.g.v. art. 435 lid 1 Sv eerst meer dan vijf maanden na de inzending van de stukken is betekend.
In de regel wordt overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd door strafvermindering.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Vondelstraat 89, (1054 GM) Amsterdam, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Amsterdam, 30 januari 2009
M. E. van der Werf