type: AHcoll:
Rb. Limburg, 18-10-2023, nr. C/03/300757 / HA ZA 22-21
ECLI:NL:RBLIM:2023:6183
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
18-10-2023
- Zaaknummer
C/03/300757 / HA ZA 22-21
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2023:6183, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 18‑10‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2022:4151
ECLI:NL:RBLIM:2022:4151, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 25‑05‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2023:6183
- Vindplaatsen
JERF Actueel 2023/450
ERF-Updates.nl 2022-0193
JERF 2022/139 met annotatie van Mr. drs. J.H. Lieber
JERF Actueel 2022/189
Uitspraak 18‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Verkrijging erfenis.
Partij(en)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/300757 / HA ZA 22-21
Vonnis van 18 oktober 2023
in de zaak van
[eiseres] ,
te [woonplaats 1] ,
eiseres,
verweerster in reconventie (enkel ten aanzien van de hierna te noemen [gedaagde sub 4] ),
advocaat: mr. J.M.H. Devis te Zoetermeer,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.J.L.J. Pfeil te Maastricht-Airport, 2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats 3] ,
niet verschenen, 3. [gedaagde sub 3],
te [woonplaats 4] ,
advocaat: mr. M.J. Drost te Leusden, 4. [gedaagde sub 4],
te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. V.C.C. Luijten te Heerlen,
allen gedaagden en – wat betreft gedaagde sub 4 – verweerster in reconventie.
Partijen zullen hierna [eiseres] enerzijds respectievelijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] anderzijds worden genoemd.
1. De verdere procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 25 mei 2022,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 3] met vijf producties, waarvan productie 5 ter rolle van 12 oktober 2022 is vervangen door een nieuwe productie 5,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde sub 4] ,
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiseres] ,
- de mondelinge behandeling van 2 oktober 2023, waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
2.1.
Op [overlijdensdatum] is [erflaatster] (hierna: erflaatster) in [overlijdensplaats] overleden. In eerste echt is zij gehuwd geweest met de heer [naam 1] , van wie zij later is gescheiden. Uit dat huwelijk zijn geboren [eiseres] (eiseres), [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] en wijlen [naam 2] ; [gedaagde sub 3] is de zoon van (de vooroverleden) [naam 2] . Erflaatster is hertrouwd met [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
2.2.
Bij testament van 10 september 2012 heeft erflaatster [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot enig erfgenaam benoemd, zulks onder uitsluiting van [eiseres] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] als erfgenaam. Tevens heeft erflaatster [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] benoemd tot executeurs van haar nalatenschap.
2.3.
In 2017 heeft erflaatster de woning verkocht die zij samen met [naam 3] had gekocht. De opbrengst was na aftrek van kosten € 228.082,67.
2.4.
[eiseres] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] doen in deze zaak een beroep op de legitieme portie, gezien hun onterving. Partijen twisten echter over de vraag wat de omvang is van de legitimaire massa, en daarmee dus ook over de omvang van de legitieme porties van [eiseres] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] .
3. Het geschil
In conventie en in reconventie
3.1.
Gelet op een aantal schenkingen aan de kinderen en de kleinkinderen, (mede) voldaan uit de verkoop van de woning van erflaatster in 2017 van € 228.082,67, stelt [eiseres] dat deze € 338.945,84 is, zodat haar legitieme, na aftrek van hetgeen zij reeds aan schenking van erflaatster heeft ontvangen, te weten € 10.640,00, € 23.254,60 is.
3.2.
Op grond van het voorgaande heeft [eiseres] gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat:
- 1.
de legitieme massa € 338.945,84 is, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,
- 2.
de legitieme portie van [eiseres] (een tiende deel van de legitieme massa minus de schenkingen die [eiseres] reeds heeft ontvangen) € 23.254,60 is, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
3.3.
[gedaagde sub 1] heeft de vordering betwist, in die zin dat zij heeft bestreden dat de legitimaire massa de door [eiseres] gestelde omvang heeft. Na daartoe in het geding te zijn betrokken – de rechtbank verwijst naar voormeld vonnis in het incident van 25 mei 2022 – hebben ook [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] aangevoerd dat de omvang van de legitimaire massa substantieel lager is dan door [eiseres] gesteld.
4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 2 oktober 2023 heeft [eiseres] , na een schorsing van de zitting door de rechter met het oog op het bereiken van overeenstemming, gesteld dat de legitimaire massa € 215.000,00 is. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] hebben zich naar aanleiding hiervan op het standpunt gesteld dat zij zich in die stelling kunnen vinden. Vervolgens hebben partijen de rechtbank verzocht op basis hiervan vonnis te wijzen.
4.2.
In het licht van het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen van [eiseres] toewijzen, met dien verstande dat voor recht zal worden verklaard dat de omvang van de legitimaire massa € 215.000,00 is en dat de legitieme portie van [eiseres] bijgevolg (1/10 x
€ 215.000,00 minus de reeds ontvangen gift van € 10.640,00) € 10.860,00 is.
4.3.
4.4.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
In conventie en in reconventie
5.1.
verklaart voor recht dat de legitimaire massa € 215.000,00 is;
5.2.
verklaart voor recht dat de legitieme portie van [eiseres] € 10.860,00 is;
5.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2023.
Uitspraak 25‑05‑2022
Inhoudsindicatie
Incident exceptio plurium litis consortium oproeping ex art. 118 Rv.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/300757 / HA ZA 22-21
Vonnis in incident van 25 mei 2022
in de zaak van
[eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. J.M.H. Devis,
tegen
1. [gedaagde, eiseres in het incident sub 1] ,
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
eiseres in het incident,
advocaat mr. A.J.L.J. Pfeil,
2. [gedaagde sub 2],
wonend te [woonplaats 3] ,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] , [gedaagde, eiseres in het incident sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding met producties 1 t/m 23
- -
de conclusie van antwoord tevens houdend exceptio plurium litis consortium metproducties 1 t/m 8
- -
de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten2.1. Op [overlijdensdatum] is de moeder van partijen [erflaatster] (hierna: erflaatster) te [overlijdensplaats] overleden.
2.2.
Erflaatster is in eerste echt gehuwd geweest met de [naam echtgenoot] , van wie zij is gescheiden. Uit dat huwelijk zijn - naast partijen - geboren: [naam dochter] (hierna: [naam dochter] ) en [naam zoon] (hierna: [naam zoon] ).
2.3.
Bij testament van 10 september 2012, verleden voor mr. R.M.E.S. Smeets, notaris te Kerkrade, heeft erflaatster over haar nalatenschap beschikt. In haar testament zijn [gedaagde, eiseres in het incident sub 1] en [gedaagde sub 2] tot enig erfgenamen en tevens tot executeurs van de nalatenschap benoemd. [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] , [naam dochter] en [naam kleinzoon] , zijnde de zoon en plaatsopvolger van de vooroverleden [naam zoon] , zijn onterfd.3. Het geschil
in de hoofdzaak
3.1.
[eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] maakt aanspraak op haar legitieme portie. [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht zal verklaren dat de legitieme massa € 338.945,84 is, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, en voor recht zal verklaren dat de legitieme portie van [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] (1/10e deel van de legitieme massa minus de schenkingen die zij reeds heeft ontvangen) € 23.254,60 is, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
in het incident
3.2.
[gedaagde, eiseres in het incident sub 1] stelt dat [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] heeft verzuimd alle legitimarissen in rechte te betrekken. Behalve door [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] is, aldus [gedaagde, eiseres in het incident sub 1] , ook door [naam kleinzoon] voornoemd aanspraak gemaakt op de legitieme portie. Voor [naam dochter] geldt dat de termijn ex art. 4:85 BW volgens [gedaagde, eiseres in het incident sub 1] nog niet is verstreken. [gedaagde, eiseres in het incident sub 1] doet derhalve een beroep op de exceptio plurium litis consortium, zodat ook de andere legitimarissen aan het geding deel kunnen nemen en derhalve daartoe worden opgeroepen. Immers, het vaststellen van de legitieme massa kan alleen bindend geschieden voor alle legitimarissen.
3.3.
[eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] verzet zich primair tegen het opgeworpen incident. Zij betwist dat [naam kleinzoon] zijn legitieme portie heeft opgeëist. Indien de vordering door de rechtbank wordt aangemerkt als een processueel ondeelbare vordering, verzoekt [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] in de gelegenheid te worden gesteld de andere legitimarissen in het geding te betrekken onder de bepaling dat de adresgegevens van [naam kleinzoon] door de executeur-testamentairs aan haar moeten worden verstrekt.
4. De beoordeling in het incident
4.1.
Bij arrest van 10 maart 2017 heeft de Hoge Raad beslist dat in geval van een vordering die een rechtsverhouding betreft waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding), de rechter de beslissing over die vordering slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties (ECLI:NL:HR:2017:411. Zie ook ECLI:NL:HR:2021:177).
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing over (de omvang van) de legitieme massa van onderhavige nalatenschap in de zelfde zin luidt ten aanzien van alle legitimarissen van de nalatenschap.
4.3.
Gelet hierop slaagt de opgeworpen exceptie en zal de vordering in het incident worden toegewezen. Dit betekent dat [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] in de gelegenheid zal worden gesteld om [naam kleinzoon] en [naam dochter] alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv. Nu het adres van [naam kleinzoon] kennelijk niet bij haar bekend is, zal er een langere termijn voor deze oproeping worden bepaald. Deze oproeping dient derhalve tegen de roldatum van 17 augustus 2022 te geschieden.
4.4.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de kosten van het incident tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
5.1.
stelt [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] in de gelegenheid om [naam kleinzoon] en [naam dochter] alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv om op de rolzitting van 17 augustus 2022 in het geding te verschijnen, met dien verstande dat:
- deze oproeping middels deurwaardersexploot dient te geschieden,
- een afschrift van de oproeping aan de griffie van de rechtbank dient te worden gezonden,
- bij de oproeping een kopie moet worden gevoegd van alle tot heden gewisselde procestukken,
- de oproeping moet vermelden dat partijen niet in persoon kunnen verschijnen, maar zich dienen te doen vertegenwoordigen door een advocaat en dat zij bij verschijning griffierecht verschuldigd zijn,
5.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in de hoofdzaak
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑05‑2022