Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/5.2.3
5.2.3 Invloed vanuit de verhouding tussen de beheerder als aandeelhouder en de certificaathouders
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957987:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.2.3.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 671. Dat houdt in dat de aandelen in beginsel niet vervreemd kunnen worden en er geen beperkte rechten op kunnen worden gevestigd.
Van den Ingh 1991, p. 194.
Zie ook: Van Steensel 2018, p 406.
Van den Ingh 1991, p. 193 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 671.
Andere mogelijke handelingen tegen het onbevoegd vervreemden door het bestuur zijn bijvoorbeeld de aansprakelijkheidsstelling van het bestuur op grond van art. 2:9 BW of het vorderen van ontslag van het bestuur op grond van art. 2:298 lid 1 BW. Deze handelingen leiden er echter niet direct toe dat de aandelen terugvloeien in het vermogen van de stak. Tot slot zou de bestuursbevoegdheid tot het nemen van vervreemdingsbesluiten ten aanzien van de aandelen nog kunnen worden beperkt (art. 2:291 lid 1 BW). Zie hierover paragraaf 6.2.1.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/671. Zie ook Van der Grinten 1964, p. 35.
Van der Grinten 1964, p. 35 en p. 54-55 met betrekking tot certificering van onroerend goed. Van Mourik 2008, p. 2. Van Mourik lijkt te impliceren dat de eisen van redelijkheid en billijkheid mogelijk van invloed kunnen zijn op het kunnen beschikken door de stak. Quist 2016, p. 578-579.
Van der Grinten 1964, p. 35.
Kraan 2007, p. 23.
Hoge Raad 19 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1735, NJ 1996/119 (Keereweer/Sogelease).
Zie ook paragraaf 4.2.2.
In paragraaf 5.2.1.1 is beschreven dat de beheerder is gebonden aan de overdrachtsmogelijkheden die voortvloeien uit de lidmaatschapsverhouding tussen de beheerder als aandeelhouder van de vennootschap en de vennootschap. Een volgende vraag is of vanuit de verhouding tussen de certificaathouder en de beheerder invloed kan worden uitgeoefend op de beschikkingsbevoegdheid van de beheerder. Een mogelijke beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de stak als beheerder om de aandelen in de vennootschap te kunnen vervreemden of bezwaren, kan een versterking van het behoud van de aandelen binnen een familie tot gevolg hebben.
De verhouding tussen de beheerder en de certificaathouder krijgt vorm in de statuten van de stak en de beheerovereenkomst die tussen de stak en de certificaathouders gesloten wordt. Deze beheerovereenkomst is neergelegd in de administratievoorwaarden. Uitgangspunt is dat de beheerder en de certificaathouder veel vrijheid hebben bij de inrichting van de beheerovereenkomst. Zij zijn in beginsel enkel gebonden aan de algemeen vermogensrechtelijke beginselen dat de overeenkomst niet in strijd mag zijn met dwingend recht en de inhoud of strekking ervan niet mogen strijden met de goede zeden en/of openbare orde.1
Van Solinge en Nieuwe Weme geven met betrekking tot certificering van aandelen aan dat de stak als beheerder, behoudens enkele uitzonderingen, niet beschikkingsbevoegd is met betrekking tot de aandelen, ook al is dit niet met zoveel woorden in de statuten bepaald.2 Een moment waarop de beheerder wel bevoegd is de aandelen te vervreemden is bijvoorbeeld bij de decertificering en op het moment dat de certificaathouders hun pandrecht zouden uitoefenen (art. 3:259 BW). De beschikkingsonbevoegdheid vloeit volgens Van Solinge en Nieuwe Weme voort uit het doel van de stak, dat in elk geval zal inhouden dat de stak de aandelen ten titel van beheer zal houden voor de certificaathouders. Van den Ingh lijkt daarbij aan te sluiten door aan te geven dat de beschikkingsonbevoegdheid voortvloeit uit het gegeven dat de beheerder het vermogen ten titel van beheer houdt voor de economisch belanghebbende.3 Daarbij adviseert Van den Ingh om het beschikkingsverbod ook uitdrukkelijk in de statuten (het liefst in de doelomschrijving) op te nemen. Dit advies komt voort uit de vraag welke middelen er zijn om een rechtshandeling die door de beheerder in strijd met het beschikkingsverbod is verricht, terug te draaien. Is het beschikkingsverbod in de doelomschrijving opgenomen, dan is een handeling die in strijd ermee is verricht, vernietigbaar op grond van art. 2:7 BW.4 Enkel de stak kan de vernietiging inroepen. Gaan de bestuursleden hier niet toe over, dan kan dat door de certificaathouders via een gerechtelijke procedure worden afgedwongen.5 Gevolg van de vernietiging is dat de aandelen de stak niet hebben verlaten en nog aanwezig zijn in het vermogen van de stak.6 Naast het inroepen van de vernietiging, wordt ook gewezen op de mogelijkheid van het aanspreken van de verkrijger op grond van onrechtmatige daad. De verkrijger van de aandelen die de aandelen verkrijgt van een stak, kan mogelijk als te kwader trouw worden aangemerkt, nu hij op de hoogte moet zijn van de beheerdoelstelling van een stak. De schadevergoeding zou dan kunnen bestaan uit het terugleveren van de aandelen aan de stak.7
Andere auteurs geven aan dat de beperkingen in de beschikkingsbevoegdheid kunnen voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen de stak en de certificaathouders.8 Daarbij wordt aangegeven dat deze contractuele afspraken niet leiden tot een goederenrechtelijke beschikkingsonbevoegdheid ten aanzien van het vermogensbestanddeel dat wordt beheerd.9
Kraan is het niet eens met bovenstaande opvattingen. Hij geeft aan dat wanneer een beheerder in obligatoire zin beperkt wordt in de uitoefening van zijn eigendomsrechten (zoals een beperking in de bevoegdheid tot beschikken), er sprake is van een nietige overdracht in de zin van art. 3:84 lid 3 BW.10 Kraan baseert deze conclusie op een verwijzing naar de Sogelease-arrest van de Hoge Raad.11 Obligatoire afspraken inzake de beperking van de beschikkingsbevoegdheid kunnen volgens hem tot een verboden rechtshandeling van art. 3:84 lid 3 BW leiden. Anders dan bij het Sogelease-arrest is de intentie bij de overdracht ten titel van beheer niet om een goed over te dragen tot zekerheid. Daarom is het van belang om voorzichtigheid te betrachten bij het toepassen van het Sogelease-arrest op eigendom ten titel van beheer. Er is hier geen sprake van een situatie waarbij het goed goederenrechtelijk niet in het vermogen van de beheerder valt. Dit laatste is juist wel het geval. Dit wordt verder besproken in paragraaf 5.4.1 dat gaat over het verhaal op het vermogen van de beheerder. Een volledige overdracht, waar bij certificering sprake van is, zal niet onder het fiduciaverbod van art. 3:84 lid 3 BW vallen.12
Samenvattend kan worden gezegd dat de stak vanuit goederenrechtelijk oogpunt de aandelen kan vervreemden, omdat zij juridisch rechthebbende is van de aandelen. Er bestaat in de verhouding tussen de stak als beheerder en de certificaathouder als economisch gerechtigde geen (wettelijke) grond om deze goederenrechtelijke beschikkingsbevoegdheid in te perken. Een dergelijke inperking is in strijd met het fiduciaverbod van art. 3:84 lid 3 BW. De mogelijkheid tot vervreemding kan wel verbintenisrechtelijk worden ingeperkt in de verhouding tussen de stak en de certificaathouders.13 Deze beperkingen kunnen in de statuten van de stak worden opgenomen of in de administratievoorwaarden staan. Vanuit vennootschapsrechtelijk oogpunt wordt verdedigd dat er sprake is van feitelijke beschikkingsonbevoegdheid op het moment dat het beheer van de aandelen blijkt uit de doelstelling van de stak. Er kan na de vervreemding immers niet meer aan de doelstelling worden voldaan. Handelt het bestuur in strijd met de doelstelling door de aandelen te vervreemden, dan is de rechtshandeling vernietigbaar. Bovendien kan het aangaan van de rechtshandeling leiden tot aansprakelijkheid van de bestuursleden van de stak.