Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.4
14.4 De toepasselijke wetgevingsprocedure
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455784:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De artikelen 86 en 87 VWEU (instelling Europees Openbaar Ministerie resp. maatregel operationele politiële samenwerking) vereisen wel unanimiteit in de Raad met de mogelijkheid dat een voorstel door ten minste negen lidstaten wordt voorgelegd aan de Europese Raad. Voor maatregelen op het terrein van interstatelijke strafrechtelijke samenwerking, dat in dit boek centraal staat, geldt als gezegd de gewone wetgevingsprocedure en is de eis van unanimiteit vervallen.
Zie J.-C. Piris, The Lisbon Treaty. A Legal and Political Analysis (serie Cambridge studies in European law and policy), Cambridge: Cambridge University Press 2010, p. 191.
R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 607. Zie over de gewone gekwalificeerde en bijzondere gekwalificeerde meerderheid Barents, p. 271 en artikel 3 van het protocol betreffende de overgangsbepalingen (nr. 36).
De eerder besproken mogelijkheid van minimumharmonisatie van ‘andere specifieke elementen van de strafvordering’ (art. 82 lid 2, aanhef en onder d) VWEU) behoeft in afwijking daarvan eenparigheid van stemmen in de raad, zie R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 608.
Zie nader R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 463-464.
In klassiek-verdragsrechtelijk verband bleek het met het oog op de eerder aangehaalde dimensies (de juridische grondslag van het vertrouwen, te weten verdragen, en de betrokken staat) relevant op welke wijze een verdrag formeel tot stand komt, inclusief de mogelijkheden die er voor individuele verdragspartijen zijn om te bepalen met welke andere staten verdragsverplichtingen worden aangegaan of tot stand komen. In EU-verband is het op vergelijkbare wijze relevant om na te gaan welke rol de lidstaten spelen in de besluitvorming die uitmondt in EU-wetgeving. Daarmee wordt immers duidelijk in hoeverre een lidstaat gebonden kan raken aan verplichtingen tot samenwerking in strafzaken, terwijl de lidstaat dat eigenlijk niet wenst, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende vertrouwen is om met bepaalde lidstaten die bepaalde vorm van samenwerking aan te gaan.
In beginsel, en in elk geval waar het gaat om de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke uitspraken en minimumharmonisatie van het strafprocesrecht, geldt de gewone wetgevingsprocedure ex artikel 294 VWEU.1 Het initiatiefrecht ligt bij de Commissie of bij de lidstaten (art. 76 VWEU).2 Komt het voorstel van de Commissie dan besluit de Raad met een gewone gekwalificeerde meerderheid (art. 16, derde en vierde lid, VEU), is sprake van een initiatief van de lidstaten dan geldt een bijzondere gekwalificeerde meerderheid (art. 238, tweede lid, VWEU).3 De gewone wetgevingsprocedure stemt inhoudelijk nagenoeg geheel overeen met de medebeslissingsprocedure zoals die in het klassieke EG-recht bestond. Toepasselijkheid ervan betekent dat het Europees Parlement, simpel geformuleerd, dient in te stemmen met een door de Commissie aan het Parlement en de Raad aangedragen voorstel. De Raad beslist, zoals zojuist is opgemerkt, in beginsel met (gewone of bijzondere) gekwalificeerde meerderheid van stemmen (art. 16 VEU en art. 238 VWEU), terwijl het Europees Parlement in beginsel met meerderheid van de uitgebrachte stemmen besluit (art. 231).4 Daarnaast geldt de zogenaamde noodremprocedure (art. 82, derde lid, VWEU) op grond waarvan een lidstaat een ontwerp-richtlijn aan de Europese Raad kan voorleggen wanneer die naar het oordeel van de lidstaat afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtsstelsel. Indien daar geen consensus over het voorstel wordt bereikt, bestaat de mogelijkheid van nauwere samenwerking tussen lidstaten die wel voort willen met het voorstel.5
Behoudens deze noodremprocedure, is het in het huidige gecommunautariseerde kader van de Ruimte van Vrijheid, Veiligheid en Recht voor een individuele lidstaat bij toepasselijkheid van de gewone wetgevingsprocedure, zoals hier aan de orde, niet mogelijk de totstandkoming van een richtlijn te blokkeren. Aldus bestaat de mogelijkheid dat een richtlijn tot stand komt die tot een bepaalde vorm van samenwerking verplicht terwijl een lidstaat onvoldoende vertrouwen heeft in het rechtsstelsel van een of meer andere lidstaten om tot die vorm van samenwerking over te gaan. Een stelselmatige toets van dat vertrouwen is derhalve in beginsel niet mogelijk bij de totstandkoming van individuele samenwerkingsinstrumenten. Daaruit spreekt een sterker verondersteld vertrouwen in de andere lidstaten. Tegelijkertijd behoeft dit punt nuancering juist omdat op dit terrein een noodremprocedure nodig werd geacht. Voor een lidstaat is er daardoor een ontsnappingsmogelijkheid voor noodgevallen. Politiek is dat evenwel een zeer beladen ontsnappingsclausule, zeker als die expliciet wordt gebruikt uit wantrouwen.