Aanvullen van subjectieve rechten
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/22:Hoofdstuk 22 Samenvatting
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/22
Hoofdstuk 22 Samenvatting
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300488:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
854. Dit promotieonderzoek gaat over het aanvullen van subjectieve rechten. Met het aanvullen van subjectieve rechten wordt bedoeld het toevoegen van iets ‘extra’s’ aan een recht, dat niet tot de inhoud van dat recht behoort, op een zodanige manier dat ook opvolgende verkrijgers van dat recht er iets aan hebben. In het Nederlandse vermogensrecht zijn daar veel voorbeelden van te vinden. Zo kan de koper van een woning (onder omstandigheden) ook gebruik maken van onder meer de bij die woning horende rechten uit erfdienstbaarheid, aandelen in samen met de buren gehouden mandelige zaken en ten gunste van de verkoper afgegeven garanties. Iets soortgelijks geldt voor de verkrijger van een vorderingsrecht tot betaling van een geldsom; hij kan (onder omstandigheden) gebruik maken van onder meer pandrechten, hypotheekrechten, rechten uit borgtocht, rechten uit bankgarantie, rechten uit 403-verklaring, voorrechten, retentierechten en rechten uit verzekering die de voorgaande rechthebbende van de vordering had. De vervreemder en verkrijger hoeven dat niet af te spreken; de rechten komen ‘automatisch’ aan de verkrijger toe. Om dat te bewerkstelligen kent het Nederlandse vermogensrecht een aantal verschillende figuren, die onderling een klein beetje van elkaar verschillen: afhankelijke rechten, nevenrechten en kwalitatieve rechten. Het is vaak onduidelijk of en waarom een bepaalde aanspraak een afhankelijk recht, nevenrecht, kwalitatief recht, of geen van drieën is (zie hoofdstuk 1).
855. In dit promotieonderzoek presenteer ik een manier om te bepalen of – en zo ja hoe – subjectieve rechten zouden moeten worden aangevuld. Ik stel daarvoor in deel I van het onderzoek een theoretisch kader op (zie hoofdstuk 2), waarin ik achtereenvolgens uiteenzet waar subjectieve rechten uit bestaan (zie hoofdstuk 3), welke uitgangspunten uit de (rechts)economie voortvloeien voor het samenstellen en aanvullen van subjectieve rechten (zie hoofdstuk 4), hoe subjectieve rechten worden opgebouwd (zie hoofdstuk 5), hoe subjectieve rechten kunnen worden aangevuld (zie hoofdstuk 6) en welke maatstaven gehanteerd kunnen worden om te bepalen of en hoe subjectieve rechten moeten worden opgebouwd en aangevuld (zie hoofdstuk 7). De conclusie is dat subjectieve rechten op drie manieren kunnen worden aangevuld, die samenhangen met de mate waarin de overheid ingrijpt in het vermogensrecht. Deze drie manieren koppel ik in deel II van het onderzoek aan het bestaande Nederlandse vermogensrecht (zie hoofdstuk 10).
856. De eerste van deze drie manieren is de manier waarbij de overheid het meest direct in het vermogensrecht ingrijpt. De overheid doet dat door te bepalen dat aan eenieder die een specifiek subjectief recht heeft (in specifieke situaties) bepaalde aanspraken toekomen. Daardoor kunnen deze aanspraken worden ingeroepen door een subjectief gerechtigde, ongeacht of hij daar iets over heeft afgesproken met de wederpartij. Ook wanneer hij het subjectieve recht heeft overgedragen gekregen van een rechtsvoorganger, kan hij de extra aanspraken dus inroepen. De overheid kan meerdere redenen hebben om op deze wijze in het vermogensrecht in te grijpen, die er allemaal op neerkomen de maatschappelijke welvaart te verhogen. Of dat ook daadwerkelijk lukt, valt niet met zekerheid te zeggen (zie paragraaf 7.5.3). Voorbeelden van aanspraken die door de overheid worden toegekend aan eenieder die een specifiek subjectief recht heeft en aan bepaalde voorwaarden voldoet, zijn het retentierecht, het recht van noodweg, de mogelijkheid om voor een vordering beslag te leggen, het faillissement van de schuldenaar aan te vragen, de vordering te verrekenen of de actio Pauliana in te roepen (zie hoofdstuk 13).
857. Bij de tweede manier om subjectieve rechten aan te vullen is de overheid niet betrokken. Deze manier vindt plaats wanneer een partij er zelf voor kiest om aan eenieder die een specifiek subjectief recht heeft (in specifieke situaties) bepaalde aanspraken toe te kennen. Daardoor kunnen deze aanspraken worden ingeroepen door een subjectief gerechtigde, ongeacht of hij dat heeft afgesproken met degene die de aanspraken verschaft. Ook wanneer hij het subjectieve recht overgedragen heeft gekregen van een rechtsvoorganger, kan hij de extra aanspraken dus inroepen. Degene die ervoor kiest om de aanspraken te verschaffen zal dat alleen doen indien hij daar voldoende voor gecompenseerd wordt. De maatschappelijke welvaart gaat door het verschaffen van deze aanspraken dus omhoog (zie paragraaf 7.5.5). Voorbeelden van aanspraken die door partijen zelf aan eenieder kunnen worden verleend, zijn rechten uit bankgarantie en 403-verklaring (zie hoofdstuk 17).
858. Tussen de bovenbeschreven twee manieren om subjectieve rechten aan te vullen, bevindt zich een derde wijze van aanvullen van subjectieve rechten. Deze wijze staat in dit onderzoek centraal. Het betreft het verlenen van aanspraken door partijen zelf, waarbij de overheid bepaalt dat deze aanspraken ook toekomen aan opvolgend verkrijgers van het subjectieve recht waar de aanspraken bij horen. Daardoor kunnen deze aanspraken worden ingeroepen door de rechthebbende van het subjectieve recht waar de aanspraken bij horen, ongeacht of hij dat heeft afgesproken met degene die de aanspraken verschaft. Ook wanneer hij het subjectieve recht overgedragen heeft gekregen van een rechtsvoorganger, kan hij de aanspraken dus inroepen. De reden voor de overheid om te bepalen dat dergelijke aanspraken automatisch mee over gaan, is dat daardoor transactiekosten worden verlaagd en de maatschappelijke welvaart wordt verhoogd. Dat zal alleen het geval zijn als de oorspronkelijke bij het subjectieve recht betrokken partijen niet slechter af zijn doordat de overheid bepaalt dat de extra aanspraken automatisch mee overgaan. Voor de originele rechthebbende betekent dit dat de aanspraken die overgaan geen waarde meer mogen hebben. Voor de verschaffer van de aanspraken betekent dit dat het voor hem om het even dient te zijn door wie de aanspraken worden uitgeoefend. Omdat dit niet altijd met zekerheid te zeggen is, dient de verschaffer van de aanspraken de mogelijkheid te hebben om automatische overgang van de aanspraken uit te sluiten. Onder deze voorwaarden zal de automatische overgang van de aanspraken daadwerkelijk de maatschappelijke welvaart verhogen (zie paragraaf 7.5.4). In het Nederlandse vermogensrecht heeft de overheid regels opgesteld die bewerkstelligen dat door partijen verleende aanspraken automatisch overgaan als deze aanspraken kwalificeren als afhankelijke rechten (zie hoofdstuk 14), kwalitatieve rechten (zie hoofdstuk 15) of nevenrechten (zie hoofdstuk 16). Voorbeelden van afhankelijke rechten zijn het pandrecht, hypotheekrecht en het recht van erfdienstbaarheid. Voorbeelden van kwalitatieve rechten zijn een reparatiegarantie en een non-concurrentiebeding dat samenhangt met een onroerende zaak. Voorbeelden van nevenrechten geef ik in dit onderzoek niet; naar mijn mening is de term ‘nevenrechten’ een verzamelbegrip zonder eigen inhoud.
859. In deel III van het onderzoek geef ik aan hoe het Nederlandse vermogensrecht dat ik in deel II besprak zich verhoudt met het theoretisch kader dat ik in deel I heb opgesteld (zie hoofdstuk 18). Daaruit volgt dat de doelen die met het aanvullen van subjectieve rechten worden nagestreefd zoals ik ze in deel I heb geformuleerd – het verlagen van transactiekosten en (daarmee) het verhogen van de maatschappelijke welvaart – prima kunnen worden bereikt met de instrumenten die het Nederlandse vermogensrecht biedt (zie hoofdstuk 19). Wel is het zo dat concrete rechtsfiguren vaak verkeerd begrepen worden, waardoor verwarring ontstaat over of en hoe ervoor gezorgd kan worden dat een aanspraak die met een subjectief recht samenhangt ook kan worden ingeroepen door de opvolgend verkrijger van het subjectieve recht. Ik presenteer daarom een stappenplan voor het aanvullen van subjectieve rechten, waarmee die vraag kan worden beantwoord (zie hoofdstuk 20). Met dit stappenplan wordt het voor de overheid, rechtswetenschap en partijen in de markt eenvoudiger om te bepalen of het mogelijk is een aanspraak te doen toekomen aan de opvolgend verkrijger van een subjectief recht en, zo ja, wie daarvoor dient te zorgen. Ook blijkt dat partijen zelf vaak méér kunnen dan zij wellicht dachten. Daardoor wordt het eenvoudiger om transacties tot stand te brengen die de maatschappelijke welvaart verhogen (hoofdstuk 21).