NJ 1936/758
Opheffing van een cons. beslag op onr. goederen o. m. op grond, dat niet gebleken Is van gegronde vrees voor verduistering.
HR 02-04-1936, ECLI:NL:HR:1936:163
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
2 april 1936
- Magistraten
Mrs. Jhr. Feith, van Gelein Vitringa, de Menthon Bake, Nypels, Servatius
- Zaaknummer
[02041936/NJ_1936-758]
- Conclusie
Mr. Wijnveldt
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1936:163, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑04‑1936
- Wetingang
(Rv art. 732.)
Essentie
Opheffing van een cons. beslag op onr. goederen o. m. op grond, dat niet gebleken Is van gegronde vrees voor verduistering.
Samenvatting
Hof: Summierlijk is aannemelijk gemaakt, dat geen gegronde vrees voor verduistering bestond, welke vrees immers niet gegrond kon zijn op het feit, dat geïntimeerde (verweerster in cassatie) haar handel in onroerende goederen voortzette, nu niet beweerd is, dat zulks op abnormale wijze geschiedde, terwijl geen andere grond voor zoodanige vrees is genoemd.
Hooge Raad: Met „het onnodige van het beslag" in art. 732, lid 1 Rv. doelt de wet blijkbaar op het geval, dat blijkt, dat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.