FED 2020/89
De waarde van een afgekocht stamrecht wordt gesteld op het bedrag dat bij een derde zou moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken. Niet van belang is of het bedrag ook inbaar is.
HR 28-02-2020, ECLI:NL:HR:2020:329, m.nt. M.J.G.A.M. Weerepas
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28 februari 2020
- Magistraten
Mrs. De Groot, Fierstra, Wortel, Beukers-van Dooren, Cools
- Zaaknummer
19/01548
- Noot
M.J.G.A.M. Weerepas
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS204426:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Resultaat uit overige werkzaamheden
Belastingrecht algemeen (V)
Loonbelasting / Loon
Loonbelasting / Vrijgesteld loon
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:329, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑02‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑11‑2019
ECLI:NL:PHR:2019:1218, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑11‑2019
- Wetingang
Art. 11 lid 1 letter g Wet LB 1964 (tekst 2005); art. 19b Wet LB 1964 (tekst 2013); art. 39f lid 3 Wet LB 1964 (tekst 2014); art. 3.92 lid 1 Wet IB 2001; art. 3.146 Wet IB 2001
Essentie
De waarde van een afgekocht stamrecht wordt gesteld op het bedrag dat bij een derde zou moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken. Niet van belang is of het bedrag ook inbaar is.
Samenvatting
In 2014 heeft de erflater, een dga, een in 2005 als gevolg van een ontslagprocedure ontstaan stamrecht in een BV ondergebracht, afgekocht. De dga heeft de over deze afkoopsom verschuldigde loonbelasting uit eigen middelen betaald en deze betaling als vordering op de BV van hem gekwalificeerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de afkoop van de aanspraak in 2014 ertoe leidt dat de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.