ECLI:NL:OGEAC:2020:81.
HR, 03-10-2023, nr. 22/02722
ECLI:NL:HR:2023:1332
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-10-2023
- Zaaknummer
22/02722
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1332, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2023; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:647
ECLI:NL:PHR:2023:647, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑07‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1332
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Medeplegen ambtelijke corruptie in Curaçao, art. 2:351 SrC. Bewijsklacht medeplegen. Mocht hof vonnis in eerste aanleg bevestigen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/04820 C, 21/04821 en 21/04822 C.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02722 C
Datum 3 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 11 november 2021, nummer H 28/2020, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.J. Koops, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2023.
Conclusie 04‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Caribische zaak. Passieve ambtelijke omkoping. Klachten over bevestigen vonnis e.a. door Hof (ipv zelf recht doen) en bewijsvoering medeplegen. AG is van mening dat beide klachten zich lenen voor afdoening ex art. 81 lid 1 RO. (Samenhang met 21/04820 C, 21/04821 C en 21/04822)Conclusie AG. Caribische zaak. Passieve ambtelijke omkoping. Klachten over bevestigen vonnis e.a. door Hof (ipv zelf recht doen) en bewijsvoering medeplegen. AG is van mening dat beide klachten zich lenen voor afdoening ex art. 81 lid 1 RO. (Samenhang met 21/04820 C, 21/04821 C en 21/04822)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02722 C
Zitting 4 juli 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Bij vonnis van 11 november 2021 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 25 februari 2020 bevestigd onder aanvulling van gronden. Bij laatstgenoemd vonnis is de verdachte wegens "Medeplegen van het als ambtenaar voor zich zelf of een ander een gift of belofte vragen, teneinde hem zelf te bewegen om in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/04820 C, 21/04821 C en 21/04822 C. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.J. Koops, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Uit het middel kan, zij het met enige moeite, worden opgemaakt dat het de steller daarvan te doen is om het feit dat het Hof onvoldoende zou hebben gemotiveerd waarom de verdachte als medepleger - en niet als medeplichtige - moet worden aangemerkt. Dit is volgens de steller van het middel het gevolg van het feit dat het Hof ervoor heeft gekozen om het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg te bevestigen, in plaats van dat te vernietigen en te doen wat het Gerecht had moeten doen. Als het Hof niet voor de figuur van bevestiging zou hebben gekozen, zou, zo denk ik de steller van het middel te moeten begrijpen, het Hof duidelijk zijn geworden dat het bewezenverklaarde medeplegen, gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte naar voren is gebracht, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Bewezenverklaring, procesverloop en bewijsvoering
5. Ten laste van de verdachte is door het Gerecht in eerste aanleg bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 september 2018 in Curaçao, tezamen en in vereniging met ambtenaren in dienst bij [A] N.V., te weten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] voor zichzelf en anderen via [B] and [C] BV i.o. giften heeft gevraagd, te weten de navolgende geldbedragen: een cost compensation van USD 750.000,-, een success fee van 33% van de gerealiseerde optimalisatie (het Gerecht: kostenbesparing), een management fee van USD 20.000,- per maand en USD 0,10 per geleverd vat geraffineerd product of USD 5.000.000,- op een escrow account, teneinde die ambtenaren te bewegen om in strijd met hun plicht in hun bediening iets te doen, te weten het anders dan om zakelijke redenen ervoor zorg (laten) dragen dat [D] en/of [E] de nieuwe strategische partner voor [A] NV zou worden.”
6. In hoger beroep is door de raadsvrouw van de verdachte gepleit overeenkomstig haar pleitnota (p. 2 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 januari en 25 februari 2021). Uit deze pleitnota valt op te maken dat de verdachte in hoger beroep niet langer volhield dat de lezing die hij in eerste aanleg bij wijze van alternatief scenario aan het Gerecht had voorgehouden de juiste is. Dit alternatieve scenario kwam er in de kern op neer dat het niet zo zou zijn geweest dat de verdachte - samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] - zich uit financieel gewin wilden laten omkopen, maar dat zij er in plaats daarvan op uit waren om een ander, getuige [betrokkene 1] , te “ontmaskeren” als (actieve) omkoper c.q. de kwade genius.
7. In plaats van dit in eerste aanleg nog volgehouden alternatieve scenario, is door en namens de verdachte in hoger beroep het verweer gevoerd dat hij in het geheel van gebeurtenissen een ondergeschikte rol had, waardoor hij niet als medepleger van de door [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (mede)gepleegde passieve omkoping zou moeten worden gezien, maar hooguit als medeplichtige.
8. Het Hof heeft dit verweer in een aanvullende bewijsoverweging als volgt samengevat en verworpen:
“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, nu hij niet kan worden aangemerkt als medepleger. Er zijn geen bewijsmiddelen voorhanden voor een bewuste samenwerking tussen de drie andere medeverdachten, zijnde ambtenaren, en de verdachte. De verdachte heeft geen significante bijdrage geleverd aan het ten laste gelegde feit, aldus de verdediging. Hiertoe is het volgende aangevoerd.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als externe consultant is ingehuurd door de medeverdachte [medeverdachte 1] , zijnde de statutair directeur van de [A] ( [A] ), dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] het voorstel van [betrokkene 2] heeft herschreven en verstuurd, dat hij geen enkele intellectuele bijdrage heeft geleverd aan de voorstellen en dat hij feitelijk slechts als doorgeefluik heeft gefungeerd. De verdachte heeft verder ter terechtzitting verklaard dat hij vertrouwde op de integriteit van de directeur [medeverdachte 1] en dat hij geen reden had om daaraan te twijfelen. De drie medeverdachten, allen ambtenaar die ook samen een groepsapp hadden waarvan de verdachte geen deel uitmaakte, hebben kennelijk met elkaar het plan opgevat om steekpenningen te vragen. De verdachte was niet op de hoogte van dit plan en heeft aan de uitvoering daarvan geen significante bijdrage geleverd. Hij heeft slechts, in opdracht van de directeur [medeverdachte 1] en met input van de technisch manager [medeverdachte 4] , gefungeerd als doorgeefluik. Derhalve kan niet worden gezegd dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen hem en de drie medeverdachten ten aanzien van het vragen om steekpenningen en dient vrijspraak te volgen.
Het Hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte, die eerst in hoger beroep naar voren is gebracht, wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen. Deze verklaring wordt bovendien geenszins ondersteund door de feiten en omstandigheden in het dossier. Het Hof acht de verklaring van de verdachte dat hij slechts als doorgeefluik fungeerde en dus niet samen en in vereniging met de medeverdachten heeft gevraagd om steekpenningen, daarom ongeloofwaardig.
Het voorgaande brengt met zich dat het verweer van de verdediging wordt verworpen.”
9. De bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen waar het Hof in bovenstaande overweging naar verwijst, zijn opgenomen in het in zoverre door het Hof bevestigde vonnis van het Gerecht in eerste aanleg. Het Hof heeft hierin drie wijzigingen aangebracht. Op één van de verbeteringen ga ik hieronder bij het bespreken van de klachten nog kort in. Voor de inhoud van de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen voor het overige verwijs ik naar het vonnis in eerste aanleg1.(p. 2 – 24).
Bespreking van de klachten
10. Voor zover als overkoepelende klacht door de steller van het middel is beoogd te klagen dat het Hof het vonnis van het Gerecht niet had mogen bevestigen, maar in plaats daarvan zelf recht had moeten doen, faalt het. De opvatting dat, indien in hoger beroep een verweer wordt gevoerd dat niet reeds in eerste aanleg is gevoerd, de figuur van bevestiging niet langer openstaat, vindt immers geen steun in het recht.
11. De meeste aandacht gaat in de schriftuur uit naar het feit dat het Hof niet is ingegaan op het standpunt van de verdediging dat de verdachte niet als medepleger, maar wél als medeplichtige zou kunnen worden aangemerkt (p. 4-7 van de schriftuur). Aldus heeft het Hof “de kern van het verweer van verzoeker onbesproken gelaten”, volgens de steller van het middel. Ook deze klacht moet falen. Het Hof heeft in de hiervoor weergegeven overweging gereageerd op het verweer dat geen sprake zou zijn geweest van medeplegen en voor de bewijsvoering daarvan verwezen naar de gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. Daarin ligt als oordeel van het Hof besloten dat het aandeel van de verdachte in de omkoping meer omvatte dan slechts medeplichtigheid. Daarnaast heeft het Hof vastgesteld dat de in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte geenszins wordt ondersteund door de feiten en omstandigheden in het dossier. Geen rechtsregel verplichte het Hof daarnaast nog nader in te gaan op de hypothetische mogelijkheid dat de gedragingen van de verdachte als - niet ten laste gelegde - medeplichtigheid gekwalificeerd zouden kunnen worden.
12. Een ander argument dat door de steller van het middel naar voren wordt gebracht, heeft te maken met het feit dat een van de verbeteringen die het Hof heeft aangebracht in de bewijsconstructie een weglating inhoudt. Hiermee gaat het Hof volgens de steller van het middel “te ver”. Het Hof heeft inderdaad in een bewijsmiddel een zin geschrapt, te weten de zin “ [medeverdachte 1] was er niet bij” (zie p. 2 van het vonnis van het Hof). Het door het gerecht gebezigde bewijsmiddel waar het om gaat - en waar bovenstaande zin dus door het Hof uit is geschrapt - behelst een verklaring van de verdachte en betreft het volgende:
“7.3 Een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt in de wettelijke vorm op 25 juni 2019 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren 17064 en 18028 (genummerde map 2 p. 382 t/m 390). Dit proces-verbaal houdt in, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte] :
Maandag 16 juli 2018
Op maandag hebben we met [betrokkene 1] gesproken. [betrokkene 1] kwam bij mij. We hebben het gehad over een management fee voor mij van 20.000 of 30.000 ANG. De bedragen zijn aan de hoge kant. [medeverdachte 1] was er niet bij. De afspraak was tussen mij en [betrokkene 1] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zijn ook gekomen.
Maandag 6 augustus 2018
Er is voor het eerst over winstdeling gesproken toen [betrokkene 2] erbij was. Er zijn twee besprekingen met hem geweest. Ze hadden het over profit sharing. Met "ze" bedoel ik [medeverdachte 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Dit was bij [medeverdachte 4] thuis.”
13. De klacht die de steller van het middel tegen deze weglating formuleert, luidt als volgt:
“Door een redengevend onderdeel van een bewijsmiddel weg te laten, en wel een essentieel onderdeel, plaatst het Gemeenschappelijk Hof verzoeker in een bespreking met [medeverdachte 1] waar verzoeker niet bij was. Het Gemeenschappelijk Hof laat door deze "weglating" in een bevestiging van een vonnis nadrukkelijk zien ervan uit te gaan dat verzoeker bij een bespreking was tussen de medeverdachten op een cruciaal moment.”
14. Deze klacht berust op een onjuiste lezing van het arrest en/of het betreffende bewijsmiddel. Het Hof plaatst de verdachte immers niet in een bespreking waar hij niet bij was, het Hof bezigt als bewijsmiddel een verklaring van de verdachte waarin de verdachte zelf stelt dat hij daar wél bij was. Inhoudelijk heeft deze schrapping bovendien niets om het lijf. In de op de geschrapte zin volgende zin (“De afspraak was tussen mij en [betrokkene 1] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zijn ook gekomen”), welke zin het Hof heeft laten staan, staat immers al wie er wel bij de betreffende bijeenkomst waren. Hier stond en staat [medeverdachte 1] toch al niet tussen. De schrapping verandert dus niets aan de inhoud of strekking van het bewijsmiddel. Mij wordt ook overigens niet duidelijk, en zulks wordt in de schriftuur ook niet toegelicht, waarom deze aanpassing in de bewijsvoering van invloed zou zijn op de redengevendheid van de bewijsconstructie voor het bewezenverklaarde medeplegen door de verdachte. Ook deze klacht van het middel moet falen.
15. Nu alle klachten falen, geldt dat ook voor het gehele middel.
Slotsom
16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑07‑2023