Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.2.3
4.2.3 Het beginsel van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633466:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2003/04, 29614, nr. 2, p. 31 e.v.; De Bruijn 2014, p. 220 e.v.; zie ook Commissie Hirsch Ballin 1988, p. 21-23.
Overbeeke 2014, p. 237; Vermeulen 2000-a, p. 93.
Van Bijsterveld & Vermeulen webeditie 2021, par. 1, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Commissie Hirsch Ballin 1988, p. 22; De Bruijn 2014, p. 223, 224.
Van Kooten 2017, p. 40.
Overbeeke & Sap 2014, p. 271; De Bruijn 2014, p. 228; Sasse van Ysselt 2013, p. 67; Van Bijsterveld & Vermeulen webeditie 2021, par. 1, voetnoot 11, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Wet op de kerkgenootschappen van 10 september 1853, Stb. 102.
De Bruijn 2014, p. 228.
Deze wet werd in 1988 ingetrokken en voor wat betreft de uitoefening van de vrijheid van godsdienst op openbare plaatsen vervangen door de Wet openbare manifestaties van 20 april 1988, Stb. 1988, 157.
Wet beëindiging van de financiële verhouding tussen Staat en Kerk van 7 december 1983, Stb. 1983, 68.
Sasse van Ysselt 2013, p. 68, 73, 74; Debeer, Loobuyck & Meier 2011, p. 46.
Van Bijsterveld 2018, p. 3, 11, 24.
Bernts (red.) 2004, p. 13, 14.
De historische ontwikkeling van het beginsel van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging begint in 1579 toen de Unie van Utrecht in artikel XIII voor de burgers der Uniegenoten de vrijheid van godsdienstige overtuiging vastlegde.1 Dit grondrecht betrof het recht van particuliere godsdienstuitoefening in de persoonlijke sfeer voor de individuele burger.2 De vrijheid van openbare godsdienstoefening gold aanvankelijk alleen voor de (aanhangers van de) gereformeerde religie (later Nederlandse Hervormde Kerk genoemd), de toenmalige heersende godsdienst met nauwe banden met de staat.3
Door de invloed van de Franse revolutie in 1789 kwam daar een verandering in en werd een uitgebreidere godsdienstvrijheid vastgelegd in de Staatsregeling voor het Bataafse Volk van 1798 (art. 19 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels), waaraan gelijke bescherming voor alle kerken werd verbonden als de openbare orde zich daar niet tegen verzette.4 De Staatsregelingen van 1801 (art. 11 e.v.) en 1805 (art. 4) en de Constitutionele Wetten van 1806 van het Koningrijk Holland bevatten vergelijkbare beginselen, zij het enigszins anders geredigeerd. Het einde van de bevoorrechte status van de gereformeerde religie werd toen formeel een feit. Ook nam de overheidsbemoeienis met religie af, met inbegrip van de interne organisatie van een kerk.
In de Grondwet voor de Verenigde Nederlanden van 1814 stond enerzijds dat de christelijke hervormde godsdienst de religie van de soevereine vorst was (art. 133) en anderzijds dat alle bestaande godsdiensten gelijke bescherming genoten en de belijders dezelfde burgerlijke voorrechten toekwamen (art. 134). De vereniging met België gaf aanleiding tot de grondwetsherziening in 1815, waarbij de christelijke hervormde godsdienst en kerk uit de Grondwet verdwenen. In de jaren daarna bemoeide de overheid zich wel met de inrichting van de toenmalige Nederlandsche Hervormde Kerk, het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, de Evangelisch-Lutherse Kerk en de Rooms-Katholieke Kerk.5
In de Grondwet van 1848 ging de ontvlechting van de banden tussen kerk en staat verder. De grondwettelijke gelijkheid gold niet meer alleen voor de bestaande maar voor alle kerkgenootschappen (art. 165) en de scheiding van kerk en staat werd door diverse wijzigingen opnieuw nadrukkelijk bevestigd.6 Nieuwe kerkgenootschappen konden zonder de eerdere grondwettelijke belemmering worden opgericht. Het zogenoemde recht van placet werd namelijk afgeschaft: de tussenkomst van de regering was niet langer vereist bij de briefwisseling met de hoofden van de diverse kerkgenootschappen en ook niet meer bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften (art. 170 GW 1848). Deze afschaffing effende het pad voor de bisschoppelijke hiërarchie van de rooms-katholieke geestelijken. Verder werd in die grondwet de vrijheid van belijden van godsdienstige meningen gewaarborgd (art. 164 GW 1848).
Bij de Wet op de kerkgenootschappen 18537 werd de vrijheid van kerkelijke organisaties van alle religies erkend conform de Grondwet van 1848.8 Deze wet bepaalde in artikel 1, lid 1 dat de staat zich moest onthouden van inmenging in de interne aangelegenheden van kerkgenootschappen waarmee de vrijheid van kerkelijke organisatie of institutionele autonomie werd vastgelegd: “Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd alles wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen.”9
De grondwetsherziening van 1983 bevatte belangrijke wijzigingen. Het omvangrijke hoofdstuk ‘Van de Godsdienst’ werd teruggebracht tot voornamelijk artikel 6. Naast godsdienstvrijheid werd nu ook de vrijheid van niet-religieuze levensovertuiging gewaarborgd, omdat de grondwetgever ervan overtuigd was dat in de verhouding tot de overheid geen onderscheid mocht bestaan tussen godsdienst en levensovertuiging, zodat religieuze en niet-religieuze levensbeschouwingen voortaan op gelijke voet zouden worden behandeld.10 Als voorbeelden van levensovertuiging noemt de regering in de Nota grondrechten in een pluriforme samenleving in dit verband: het humanisme, het atheïsme en de vrijmetselarij.11
De Wet beëindiging van de financiële verhouding tussen Staat en Kerk van 198312 bracht een financiële scheiding tussen kerk en staat. Deze wet maakte een eind aan diverse specifieke financiële regelingen tussen staat, kerk en religieuze organisaties, zoals de financiering van geestelijke bedienaren.13
Het beginsel van de vrijheid van godsdienst komt erop neer dat elke burger het recht heeft om een godsdienst of levensovertuiging te koesteren en binnen de grenzen van de wet in woord en daad, individueel of in gemeenschap met anderen zijn godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden, waarmee dit beginsel een ‘staatsvrije’ zone voor de burger creëert die de overheid niet mag betreden. Deze vrijheid omvat ook het oprichten van organisaties en deelname van die organisaties aan het maatschappelijke verkeer.14 De staat heeft geen verdergaande bemoeienis of verantwoordelijkheid richting rsl dan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de beoefening ervan te waarborgen.15