Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/2.2.1
2.2.1 Het ruimhartige voorstel uit 1830
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS374683:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Star Busmann 1972, p. 26.
Bosch-Boesjes 1991, p. 20.
De Bosch Kemper 1864.
Asser/Anema & Verdam 1953, p. 235.
Voorduin 1838, p. 494-498.
De volledige tekst luidde: 'In elken stand van het geding kan de eene partij van den rechter verzoeken dat de wederpartij worde bevolen om onder eede zodanige stukken over te leggen welke onder hare berusting zijn en de zaak in geschil betreffen. Indien het in de loop van een geding uitgemaakt is dat ééne der partijen een blijkbaar belang heeft bij de overlegging van eene titel die in het bezit van eenen derde is, zal deze, op bevel des rechters, gehouden zijn om van dat stuk inzage te geven, en een afschrift of uittreksel daarvan, te laten nemen, naar den vorm, welke bij het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is voorgeschreven.' Zie voor die tekst bijv. Van Blommestein 1885, p. 33.
De wettelijke regeling van de exhibitieplicht vangt voor het Nederlands recht aan met de codificatie van het burgerlijk procesrecht aan het begin van de 19e eeuw. Met de Franse bezetting in de tijd van Napoleon kwam Nederland in aanraking met door de Fransen opgelegd uniform burgerlijk procesrecht, dat in 1811 werd ingevoerd en tot 1 oktober 1838 in Nederland zou blijven gelden.1 De wortels daarvan gaan terug tot de door Lodewijk XIV in 1667 vastgestelde Ordonnance Civile de Orleans.
De grondwet voor het Koninkrijk voorzag er in dat de Franse code vervangen zou worden: de grondwet bepaalde onder meer dat een Burgerlijk Wetboek en een Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zou worden vastgesteld. Dat procesrecht werd vervolgens overigens in grote lijnen ontleend aan de Franse Code de Procédure Civile.2
De regeling over verstrekking van bescheiden kwam echter niet in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering terecht, maar in het Burgerlijk Wetboek. Een eerste ontwerp daarvoor kwam tot stand in 1820.3 Daarin werd bepaald, dat op vordering geschriften verstrekt moesten worden aan een ieder die daar klaarblijkelijk belang bij had. Van die verplichting werden bevrijd de wederpartij én een ieder die zich op een verschoningsrecht kon beroepen. Dit alles, omdat de wetgever de verplichting tot verstrekking van bescheiden kennelijk beschouwde als verwant aan de verplichting om getuigenis af te leggen.
Vervolgens - in 1824 - maakt het ontwerp onderscheid tussen de verplichting om in het geding en buiten het geding bescheiden te verstrekken. De verplichting om in het geding stukken te verstrekken werd aangescherpt: de verplichting kwam ook te rusten op de wederpartij én de aan het verschoningsrecht gerelateerde vrijstelling verviel.4 De verplichting buiten het geding inzage in geschriften te verstrekken had slechts betrekking op stukken die aan beide partijen gemeen waren.
Het voorstel voor het opvragen van bescheiden tijdens het geding mocht in de Kamer niet op algehele instemming rekenen: het werd als een hardheid aangemerkt dat men bewijsstukken "in den boezem van zijne wederpartij kan zoeken".5 De regering was voor die reactie niet ontvankelijk en merkte op, dat de regeling voor het opvragen van bescheiden in het geding als hoogst zedelijk en billijk moest worden beschouwd, omdat deze strekt tot ontdekking van de waarheid, past bij het feit dat een partij onder omstandigheden ook bewijs tegen zichzelf moet leveren én bovendien plaatsvindt onder rechterlijk toezicht. Ook kritiek dat de bepaling te ruim en daardoor een moeilijke kwelling zou opleveren, leidde niet tot een verandering. In reactie daarop werd opgemerkt, dat de verzoekende partij de vereiste bescheiden bepaaldelijk zou moeten noemen en opgeven, zodat de bepaling wel geschikt zou zijn om kwade trouw te beteugelen en niet om kwelling te begunstigen. Evenmin ontmoetten begrip bedenkingen tegen het feit dat bescheiden bij derden opgevraagd zouden kunnen worden. Die mogelijkheid was, aldus de regering, hoogst rechtvaardig, omdat er geen reden bestaat dat een derde het weigeren van stukken zou mogen weigeren, wanneer één der partijen daarbij ten opzichte van zijn wederpartij een blijkbaar belang zou hebben.
Zodoende kwam in 1830 een ruimhartige regeling voor verstrekking van bescheiden tijdens het geding terecht in het BW. Op grond daarvan konden van een wederpartij en van derden stukken opgevraagd worden die de zaak in geschil betroffen.6