NJB 2016/650
Medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj, art. 47 Sr: hierover terechte cassatieklacht leidt toch niet tot cassatie nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, gezien de omvang van de overige in de bewezenverklaring genoemde hoeveelheden hasjiesj en hennep, ook na weglating van deze onderdelen niet worden aangetast, terwijl ook de kwalificatie ongewijzigd blijft. A-G: anders
HR 15-03-2016, ECLI:NL:HR:2016:399
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
15 maart 2016
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, H.A.G. Splinter-van Kan, V. van den Brink
- Zaaknummer
14/03679
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2016:399, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑03‑2016
ECLI:NL:PHR:2016:92, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 05‑01‑2016
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑04‑2015
- Wetingang
(Sr art. 47)
Essentie
Medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj, art. 47 Sr: hierover terechte cassatieklacht leidt toch niet tot cassatie nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, gezien de omvang van de overige in de bewezenverklaring genoemde hoeveelheden hasjiesj en hennep, ook na weglating van deze onderdelen niet worden aangetast, terwijl ook de kwalificatie ongewijzigd blijft. A-G: anders
Uitspraak
Inleiding:
Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden wegens onder meer – kort gezegd – (feit 3) ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.