De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/7.3.1:7.3.1 Inleiding
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/7.3.1
7.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS383713:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kroeze 2005, p. 272-278.
Zie ook de toelichting bij Transparantie-eisen WTZi. In artikel 104 lid 1 Pw is de algemene bepaling opgenomen dat de leden van de raad van toezicht onafhankelijk zijn en dat zij dit tot uiting laten komen in het toezicht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Leden van de raad van toezicht dienen zich bij de vervulling van hun taak te richten naar het belang van de stichting en de daarmee verbonden onderneming of organisatie. Daarbij dienen de verschillende bij de stichting betrokken deelbelangen in acht genomen te worden en tegen elkaar afgewogen te worden. Ieder lid van de raad van toezicht wordt geacht zijn toezichthoudende taak zelfstandig en naar eigen inzicht, maar wel onpartijdig en onafhankelijk, te vervullen. Een lid van de raad van toezicht dat bij een bepaalde handelingen een persoonlijk belang heeft, dient besluiten hierover over te laten aan leden van de raad die meer onafhankelijk zijn. Naast onafhankelijke taakuitoefening is van belang dat de samenstelling van de raad zodanig is dat de leden van de raad van toezicht ook daadwerkelijk onafhankelijk kunnen functioneren.1
Onafhankelijkheid kan worden gezien in relatie tot de raad van toezicht als geheel, maar ook in relatie tot de individuele leden. Sectorregels schrijven voor dat de raad van toezicht als geheel zodanig is samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar, maar ook ten opzichte van het bestuur van de stichting en welk deelbelang dan ook onafhankelijk en kritisch kunnen opereren.2