HR, 19-03-2021, nr. 19/03168
ECLI:NL:HR:2021:411
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-03-2021
- Zaaknummer
19/03168
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:411, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑03‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2019:4321
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑08‑2019
- Vindplaatsen
NLF 2021/0674 met annotatie van Iris de Roos
NTFR 2021/1076 met annotatie van mr. Y. Ameziane
FutD 2021-0906
Viditax (FutD) 2021031905
Uitspraak 19‑03‑2021
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Interne compensatie
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/03168
Datum 19 maart 2021
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2019, nrs. 17/00485 tot en met 17/00489 en 17/00535 tot en met 17/00539, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 14/5520 tot en met LEE 14/5522, LEE 16/293 en LEE 16/294) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2008, 2009 en 2011 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, alsmede de bij de (navorderings)aanslagen gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
Het eerste middel betoogt onder meer dat het Hof heeft miskend dat de door belanghebbende ontvangen uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOWuitkering) slechts met toepassing van interne compensatie in de heffing voor de jaren 2009 en 2010 kan worden betrokken. Aangezien de Inspecteur ter zitting van het Hof expliciet te kennen heeft gegeven af te zien van een beroep op interne compensatie, mag de AOWuitkering niet als belastbaar inkomen uit werk en woning in aanmerking worden genomen, aldus het middel.
2.2
Het middel slaagt in zoverre. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur de AOW-uitkering aanvankelijk niet in de grondslag van het belastbare inkomen uit werk en woning voor de jaren 2009 en 2010 heeft begrepen en die uitkering voor het eerst in hoger beroep heeft opgevoerd als element van de (navorderings)aanslagen voor die jaren. Aangezien de Inspecteur volgens het proces-verbaal van de zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard dat hij “in hoger beroep niet (meer) een beroep doet op interne compensatie”, had het Hof de AOW-uitkering niet tot het inkomen uit werk en woning van belanghebbende mogen rekenen.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de middelen voor het overige over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de middelen voor het overige niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het belastbare inkomen uit werk en woning van het jaar 2009 wordt met € 3.860 verminderd tot € 27.700 en dat van het jaar 2010 met € 8.098 tot € 170.984.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof maar uitsluitend voor zover deze betreft de navorderingsaanslag over het jaar 2009 en de aanslag voor het jaar 2010 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente,
- vermindert de navorderingsaanslag over het jaar 2009 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.700 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.951,
- vermindert de bij die navorderingsaanslag gegeven beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig,
- vermindert de aanslag voor het jaar 2010 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 170.984 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.434,
- vermindert de bij die aanslag gegeven beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.136 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2021.
Beroepschrift 16‑08‑2019
[…], 16 augustus 2019
Edelhoogachtbare dames en heren,
Namens belanghebbende, [X], doe ik uw Raad hierbij de motivering van in hoofde genoemd beroep in cassatie toekomen.
Cassatiemiddel 1
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of het arrest van uw Raad van 20 januari 1954, nr. 11 634, ECLI:NL:HR:1954:AY2792, BNB 1954/85 en/of het arrest van uw Raad van 2 juni 2006, nr. 41 392, ECLI:NL:HR:2006:AV1227, BNB 2006/171 en/of de overige jurisprudentie met betrekking tot interne compensatie en/of verzuim van vormen die nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft doordat het Hof in onderdeel 4.21 van de bestreden uitspraak heeft overwogen dat bij het in hoger beroep nader onderbouwen van op schattingen gebaseerde navorderingsaanslagen geen sprake is van interne compensatie.
Toelichting cassatiemiddel 1
Belanghebbende heeft met betrekking tot de bestreden belastingaanslagen over 2008, 2009 en 2010 ter zake van diverse door de inspecteur gestelde inkomensbestanddelen het standpunt ingenomen dat deze slechts met een beroep op het leerstuk van interne compensatie in de heffing kunnen worden betrokken. Indien de inspecteur een beroep wenst te doen op interne compensatie, dient hij daarvan in de procedure uitdrukkelijk en ondubbelzinnig blijk te geven, aldus uw Raad in r.o. 4.2 van het arrest van 2 juni 2006, nr. 41 392, ECLI:NL:HR:2006:AV1227, BNB 2006/171. In casu heeft de inspecteur ter zitting van het Hof echter expliciet te kennen gegeven af te zien van een beroep te doen op interne compensatie, vide blad 7 van het proces-verbaal.
In onderdeel 4.21 van de bestreden uitspraak stelt het Hof voorop dat het belanghebbende niet volgt in zijn stelling dat het ontbreken van een nadere aankondigingsbrief voor de jaren 2008 en 2009 voor die jaren reeds zou leiden tot vernietiging van de respectieve navorderingsaanslagen. Voorts overweegt het Hof dat de inspecteur in feitelijke instantie bij de rechter zijn op een schatting gebaseerde navorderingsaanslagen nader mag onderbouwen, aangezien ook in hoger beroep de bestreden aanslag het onderwerp van geschil vormt. In een situatie als de onderhavige, waarin de bedoelde navorderingsaanslagen in hoger beroep nader zijn onderbouwd, is dan ook geen sprake van interne compensatie, aldus het Hof.
Deze overwegingen van het Hof missen in de eerste plaats feitelijke grondslag. Belanghebbende heeft aan het ontbreken van een aankondigingsbrief voor het jaar 2008 in zijn verweerschrift voor het Hof de gevolgtrekking verbonden dat het hoger beroep van de inspecteur voor zover dat betrekking heeft op de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 naar het oordeel van belanghebbende moet worden verworpen. Voor het jaar 2009 heeft belanghebbende niet gesteld dat de aankondigingsbrief ontbreekt. Deze is als bijlage 2 bij de nadere motivering van het beroepschrift voor de rechtbank betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2009 gevoegd.
Het wijzigen van de elementen van een aanslag door de inspecteur nadat deze is vastgesteld, is slechts mogelijk onder toepassing van het leerstuk van interne compensatie. De wet zelf voorziet daar niet in. Op grond van de wet kan de inspecteur nadat hij een definitieve aanslag over een bepaald jaar heeft vastgesteld nog niet in die aanslag begrepen inkomensbestanddelen slechts in de heffing betrekken door een navorderingsaanslag vast te stellen, met inachtneming van de termijnen en voorwaarden van artikel 16 AWR. Dit geldt zowel voor het door de inspecteur toevoegen van elementen als het door de inspecteur inruilen van in de aanslag begrepen elementen voor andere elementen. Hooguit het nader toelichten van een reeds in de aanslag begrepen element valt buiten de reikwijdte van het leerstuk van interne compensatie.
Ook een op een schatting gebaseerde navorderingsaanslag bestaat uit elementen. Deze elementen kunnen concreet en minder concreet zijn. Het leerstuk van interne compensatie is daarom naar de mening van belanghebbende van onverkorte toepassing op wijzigingen die de inspecteur wil aanbrengen op de elementen van een op een schatting gebaseerde navorderingsaanslag. Bij deze wijzigingen heeft bovendien te gelden dat alle nieuwe elementen elk afzonderlijk aan de vereisten van artikel 16 AWR moeten voldoen, zo volgt uit het arrest van uw Raad van 20 januari 1954, nr. 11 634, ECLI:NL:HR:1954:AY2792, BNB 1954/85. De inspecteur zal dus bij de een wijziging van een element van een navorderingsaanslag tegelijkertijd een nieuw feit en/of kwade trouw moeten stellen, dan wel dat sprake is van een geval waarbij navordering zonder nieuw feit of kwade trouw kan plaatsvinden.
Het Hof had daarom moeten onderzoeken of en in hoeverre het leerstuk van interne compensatie van toepassing was op de door de inspecteur in hoger beroep gestelde en door belanghebbende gemotiveerd betwiste inkomensbestanddelen. Dit heeft het Hof miskend.
Indien het Hof met ‘nader onderbouwen’ (mede) doelt op het in hoger beroep wijzigen van de elementen van een naar een geschat bedrag vastgestelde navorderingsaanslag, is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het leerstuk van interne compensatie en heeft het Hof aldus het recht geschonden.
Indien het Hof hiermee heeft beoogd te stellen dat de inspecteur in hoger slechts een nadere toelichting op bestaande elementen heeft gegeven, mist deze opvatting feitelijke grondslag en is deze onbegrijpelijk.
Ten aanzien van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 is bij gebreke aan een aankondigingsbrief en ander bewijs niet met zekerheid vast te stellen uit welke elementen deze aanslag bestaat en kan dus ook niet worden beoordeeld of en in hoeverre de onderbouwing van de inspecteur in hoger beroep louter mogelijk is met een beroep op interne compensatie en/of in hoeverre dit een nadere toelichting behelst op bestaande elementen. Dit heeft het Hof miskend. Nu de inspecteur bewust heeft afgezien van een beroep op interne compensatie moet deze onduidelijkheid redelijkerwijs voor rekening en risico van de inspecteur komen. Het hoger beroep van de inspecteur voor zover dat betrekking heeft op de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 moet daarom in de optiek van belanghebbende alsnog worden verworpen. Nu dit hoger beroep van de inspecteur zag op het door de rechtbank op nihil vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning, verzoekt belanghebbende uw Raad de uitspraak van het Hof op dit onderdeel te vernietigen en het door het Hof vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning op de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 ad € 36.150 te verminderen tot nihil. De belastbare inkomens uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen op deze aanslag zijn in cassatie niet meer in geschil.
De navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 bestaat blijkens de aankondigingsbrief ervan (bijlage 2 bij nadere motivering beroep rechtbank inzake IB/PVV 2009) uit concreet omschreven elementen, alsmede uit afrondingen waar ook een onderbouwing voor is gegeven. Het Hof had daarom moeten onderzoeken of en in hoeverre het leerstuk van interne compensatie van toepassing was op de door de inspecteur in hoger beroep gestelde en door belanghebbende gemotiveerde betwiste inkomensbestanddelen. Dit heeft het Hof ten onrechte nagelaten.
Het Hof heeft een aantal door de inspecteur met betrekking tot 2009 gestelde inkomensbestanddelen op andere gronden niet geaccepteerd. Ten aanzien hiervan behoeft dan niet meer te worden onderzocht in hoeverre deze onder het leerstuk van interne compensatie vallen. Voor wat betreft het door het Hof in onderdeel 4.27 van de bestreden uitspraak wel geaccepteerde belastbare inkomen uit werk en woning ad € 31.560 geldt het volgende. Dit bestaat uit een AOW-uitkering ad € 3.860 en uit ontvangsten van [E] Ltd ad € 27.700. Voor wat betreft de AOW-uitkering heeft belanghebbende in zijn verweerschrift voor het Hof het volgende gesteld:
‘Onder 5.14 van het hoger beroepschrift refereert de inspecteur aan een AOW-uitkering van € 3.860. Dit inkomen is ten tijde van de aanslagregeling evenwel niet aan de orde geweest, noch tijdens de bezwaarfase en kan dus redelijkerwijs niet worden geacht te zijn begrepen in het op de navorderingsaanslag vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning. Aangezien de inspecteur ten tijde van het vaststellen van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 beschikte over informatie betreffende de AOW-uitkering (renseignering SVB en bankafschriften van belanghebbende) is geen sprake van een nieuw feit. Kwade trouw is evenmin aan de orde, aangezien belanghebbende dit bedrag niet opzettelijk verzwegen heeft voor de inspecteur. Belanghebbende meent daarom dat dit bedrag van € 3.860 niet als belastbaar inkomen uit werk en woning in aanmerking kan worden genomen.’
Belanghebbende heeft dus gemotiveerd gesteld dat deze AOW-uitkering slechts met een beroep op interne compensatie in de heffing kon worden betrokken. Bovendien heeft belanghebbende gemotiveerd gesteld dat een nieuw feit en kwade trouw ontbreken. De gedingstukken laten naar de mening van belanghebbende redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat onderhavig AOW-inkomen niet in de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 is begrepen en/of dat de inspecteur geen nieuw feit en/of kwade trouw heeft gesteld met betrekking tot dit inkomen en/of de inspecteur het door belanghebbende dienaangaande gestelde niet (voldoende gemotiveerd) betwist heeft. Belanghebbende concludeert daarom tot vermindering van het vermindering van het door het Hof op de navorderingaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning ad € 31.560 met € 3.860 tot € 27.700.
De definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 bestaat blijkens de aankondigingsbrief ervan (bijlage 1 bij nadere motivering beroep rechtbank inzake IB/PW 2010) uit concreet omschreven elementen, alsmede uit afrondingen waar ook een onderbouwing voor is gegeven. Het Hof had daarom moeten onderzoeken of en in hoeverre het leerstuk van interne compensatie van toepassing was op de door de inspecteur in hoger beroep gestelde en door belanghebbende gemotiveerde betwiste inkomensbestanddelen. Dit heeft het Hof ten onrechte nagelaten. Voor wat betreft het door het Hof in onderdeel 4.28 van de bestreden uitspraak geaccepteerde belastbare inkomen uit werk en woning ad € 179.984 geldt het volgende. Dit bestaat uit een AOW-uitkering ad € 8.098, alsmede uit ontvangsten van [E] Ltd en [U] Ltd ad € 170.984. In de aankondigingsbrief van de navorderingaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 zijn geen aanwijzingen te vinden dat onderhavige AOW-uitkering in deze aanslag is begrepen. Deze uitkering kon daarom alleen met een beroep op interne compensatie in de heffing worden betrokken. Belanghebbende concludeert daarom tot vermindering van het door het Hof op de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning ad € 179.984 met € 8.098 tot € 171.886.
Cassatiemiddel 2
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 8:69 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht en/of artikel 8:77 lid 1, sub b van de Algemene wet bestuursrecht en/of het arrest van uw Raad van 25 oktober 2002, nr. 36 898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 en/of verzuim van vormen die nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft doordat het Hof in de onderdelen 4.26,4.27 en 4.28 van de bestreden uitspraak heeft geoordeeld dat de inspecteur voor de jaren 2008, 2009 en 2009 aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van inkomen uit een bron van inkomen die belast is als het onderdeel van het belastbare inkomen uit werk en woning, althans is een bewijsvermoeden gewettigd dat door belanghebbende niet is ontzenuwd wat betreft de in voornoemde onderdelen van de uitspraak genoemde ontvangsten van belanghebbende van [E] Ltd en van [U] Ltd.
Toelichting cassatiemiddel 2
In onderdeel 4.21 van de bestreden uitspraak heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat de inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk zal moeten maken welke inkomensbestanddelen belanghebbende in de jaren 2008, 2009 en 2010 heeft genoten.
Blijkens onderdeel 4.26 van de uitspraak heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof voor het jaar 2008 aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bron van inkomen die belast is als onderdeel van het belastbare inkomen uit werk en woning, althans is een bewijsvermoeden gewettigd dat door belanghebbende niet is ontzenuwd, wat betreft ontvangsten van [U] Ltd/[X] ad € 36.150.
Blijkens onderdeel 4.27 van de uitspraak heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof voor het jaar 2009 aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bron van inkomen die belast is als onderdeel van het belastbare inkomen uit werk en woning, althans is een bewijsvermoeden gewettigd dat door belanghebbende niet is ontzenuwd, wat betreft ontvangsten van [E] Ltd van in totaal ad € 27.700.
Blijkens onderdeel 4.28 van de uitspraak heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof voor het jaar 2010 aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bron van inkomen die belast is als onderdeel van het belastbare inkomen uit werk en woning, althans is een bewijsvermoeden gewettigd dat door belanghebbende niet is ontzenuwd, wat betreft ontvangsten van [E] Ltd respectievelijk [U] Ltd van in totaal € 170.984, alsmede in een in 2010 genoten AOW-uitkering van 8.098.
Met de bewoordingen ‘althans is een bewijsvermoeden gewettigd dat door belanghebbende niet is ontzenuwd’ suggereert het Hof ten onrechte dat als de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van belastbaar inkomen uit werk en woning, hij dan alsnog geslaagd moet worden geacht in het voldoen aan zijn bewijslast vanwege het niet ontzenuwd zijn van bewijsvermoedens. Dit zijn echter geen alternatieven. Vermoedens (al dan niet ontleend aan bewijsmiddelen) vormen bewijsmiddelen die moeten worden meegewogen met de overige bewijsmiddelen en het verweer van belanghebbende bij de beoordeling van of de inspecteur is geslaagd in zijn bewijslast. De enkele omstandigheid dat een vermoeden niet is ontzenuwd heeft slechts tot gevolg dat dit vermoeden door de rechter als feit kan worden aangenomen, maar betekent dus nog niet dat de inspecteur daarmee ook is geslaagd in zijn bewijslast. Het Hof zal dan nog steeds moeten beoordelen of de inspecteur de door hem gestelde belastbare inkomens uit werk en woning aannemelijk heeft gemaakt. Dat heeft het Hof miskend.
Blijkens pagina 8 van het proces-verbaal van de zitting van het Hof heeft de voorzitter de gemachtigde en belanghebbende de door de inspecteur naar voren gebrachte bewijsvermoedens voorgehouden, onder meer met betrekking tot het belastbare inkomens van box 1 voor alle jaren. In de onderdelen 5.12 en 5.16 van zijn hoger beroepschrift stelt de inspecteur ten aanzien van diverse bankontvangsten van belanghebbende dat nu hij deze bedragen op zijn bankrekening heeft ontvangen, een redelijke verdeling van de bewijslast met zich meebrengt dat van hem mag worden verwacht dat hij feiten stelt, en daar waar nodig aannemelijk maakt, dat deze bedragen niet in zijn inkomen uit werk en woning hoeven te worden begrepen. De inspecteur acht het vermoeden gerechtvaardigd dat deze bedragen afkomstig zijn uit een belaste — zij het onbekende — bron van inkomen. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om dit vermoeden te ontzenuwen, aldus de inspecteur. Blijkens pagina 9 van het proces-verbaal heeft de gemachtigde tegenover deze vermoedens de fiscale transparantie van [E] Ltd en de kassiersfunctie van belanghebbende gesteld.
Wat het Hof hiermee echter heeft miskend, is dat belanghebbende reeds in zijn verweerschrift in hoger beroep, alsmede in zijn pleitnotitie voor de zitting van het Hof de vermoedens van de inspecteur uitgebreid gemotiveerd heeft betwist. Het gaat hier namelijk niet om door de rechter aan de bewijsmiddelen ontleende vermoedens in de zin van het arrest van uw Raad van 25 oktober 2002, nr. 36 898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14, maar om vermoedens uit het hoger beroepschrift van de inspecteur, waarbij de inspecteur bovendien van een onjuiste bewijslastverdeling uitging. In r.o 3.2.4 van het arrest van 25 oktober 2002, nr. 36 898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14, overwoog uw Raad:
‘Opmerking verdient nog dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, voor ontzenuwing van het vermoeden niet is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat de ten name van C gerestitueerde bedragen hem niet ten goede zijn gekomen; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert, redelijkerwijs moet worden betwijfeld of hij die bedragen heeft ontvangen. Nu de bewijslast niet is omgekeerd, is immers het bewijsrisico blijven berusten bij de Inspecteur, hetgeen inhoudt dat twijfel blijft werken ten gunste van belanghebbende. Opmerking verdient voorts nog dat tegenbewijs niet noodzakelijkerwijs behoeft te bestaan in nieuwe gegevens; denkbaar is ook dat het wordt geput uit passages uit het proces-verbaal van de FIOD, die het Hof niet in zijn uitspraak heeft genoemd.’
Uit de uitspraak kan niet dan wel onvoldoende worden afgeleid dat en in hoeverre het Hof navolgend verweer van belanghebbende tegen de vermoedens van de inspecteur in de beoordeling heeft betrokken. In zoverre is de uitspraak niet naar de eisen der wet met voldoende redenen omkleed.
In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft belanghebbende onder meer het volgende aangevoerd in het kader van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008:
‘Indien en voor zover uw Hof van oordeel is dat er thans wel grond is voor een debat over de door de inspecteur genoemde bankontvangsten, merkt belanghebbende het volgende op.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bewijslast van de belastbare feiten op de inspecteur rust. Dit impliceert dat de inspecteur de door hem gestelde belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen aannemelijk moet maken. De inspecteur gaat diengaande uit van een onjuiste rechtsopvatting en van een te lichte op hem rustende stelplicht en bewijslast. De door hem bepleite bewijslastverdeling komt neer op een (verkapte) omkering van de bewijslast ten nadele van belanghebbende en kan daarom niet worden toegepast.
Aannemelijk maken vereist beduidend meer van de inspecteur dan het constateren dat er bedragen zijn ontvangen op bankrekeningen van belanghebbende en het uiten van een door belanghebbende te ontzenuwen vermoeden dat deze bedragen belastbaar inkomen vormen. De inspecteur miskent dat hij niet alleen een stelplicht heeft, maar ook een bewijslast. De enkele ontvangst van een bedrag op de bankrekening van belanghebbende levert nog geen (door belanghebbende te ontzenuwen) vermoeden van belastbaar inkomen op, noch een verschuiving van de bewijslast naar belanghebbende.
Uit r.o. 3.2.4 van HR 25 oktober 2002, nr. 36 898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 volgt dat voor de ontzenuwing van vermoedens van de inspecteur omtrent belastbaar inkomen niet is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat de op zijn bankrekeningen ontvangen gelden geen belastbaar inkomen vormen; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert redelijkerwijs moet worden betwijfeld of dit belastbaar inkomen is. Nu de bewijslast niet is omgekeerd, is immers het bewijsrisico blijven berusten bij de inspecteur, hetgeen inhoudt dat twijfel over de aard van de bedragen blijft werken ten gunste van belanghebbende.
Belanghebbende kan dus volstaan met gemotiveerd te betwisten dat de onderhavige ontvangsten belastbaar inkomen zijn. Dat heeft belanghebbende ook gedaan. Voor zover dat nog niet is gebeurd, is dat omdat de inspecteur de betreffende ontvangsten nog niet eerder tot belastbaar inkomen heeft bestempeld en er voor belanghebbende dus ook geen reden was om hierover in rechte te debatteren met de inspecteur. De inspecteur doet daarom ten onrechte voorkomen dat belanghebbende niet aan zou hebben kunnen of willen geven op grond van welke feiten en omstandigheden deze bedragen aan hem zouden zijn overgemaakt. De inspecteur heeft simpelweg niet om een toelichting gevraagd en voor zover dit wel is gebeurd, heeft belanghebbende hier gemotiveerd op gereageerd. Belanghebbende hoeft ingevolge artikel 47 AWR immers alleen desgevraagd informatie aan de inspecteur te verstrekken en dat geldt vanwege HR 10 februari 1988, nr. 23925, ECLI:NL:HR:1988:ZC3761, BNB 1988/160 ook nog eens alleen tijdens de aanslagregeling en in de bezwaarfase. Belanghebbende hoeft dus niet spontaan in zijn gedingstukken voor de rechter een toelichting te geven op zijn bankmutaties.
Het ligt daarom op de weg van de inspecteur om concrete feiten en omstandigheden te stellen en om bewijsstukken te overleggen op grond waarvan aannemelijk is dat een bepaalde mutatie op een bankrekening van belanghebbende belastbaar inkomen vormt en onder welke bron van inkomen dit valt. De bewijslast dat aan de voorwaarden die gelden voor een specifieke bron is voldaan rust immers ook op de inspecteur. Hooguit bij omkering van de bewijslast behoeft de inspecteur de bron niet te concretiseren.
Belanghebbende hoeft gelet op het voorgaande dus niet aannemelijk te maken dat de in de onderdelen 5.1 tot en met 5.9 van het hoger beroepschrift van de inspecteur genoemde bedragen geen belastbaar inkomen vormen. Voor het geval uw Hof van oordeel is dat van belanghebbende wel enige vorm van betwisting kan worden gevergd, gaat hij in het hiernavolgende in op de door de inspecteur genoemde bedragen.
De onder 5.2 van het hoger beroepschrift genoemde bedragen ad € 36.150 vormen geen belastbaar inkomen van belanghebbende. Deze ontvangsten vloeien voort uit de ondernemingsactiviteiten van [E] Ltd en behoren tot haar winst en vermogen te worden gerekend. Belanghebbende heeft in zoverre slechts als kassier gefungeerd ten behoeve van [E] Ltd. Zoals belanghebbende uitgebreid uiteen heeft gezet voor de rechtbank, lopen de geldstromen betreffende de activiteiten van [E] Ltd zowel via privébankrekeningen van belanghebbende als via bankrekeningen ten name van de vennootschap. De gemachtigde van belanghebbende heeft de administratie van belanghebbende gereconstrueerd en daarbij alle geldstromen die over de bekende bankrekeningen van belanghebbende en [E] Ltd zijn gelopen uitgebreid geanalyseerd en gematcht met de inkomende en uitgaande facturen van [E] Ltd. Uit deze uitgebreide en zeer kostbare analyse is naar voren gekomen dat er een samenhang zit tussen deze geldstromen en dat een en ander op een aantal door belanghebbende verklaarde verschillen na sluit (bijlage 3). Uit de overzichten blijkt onder meer ook dat belanghebbende niet alleen bedragen van [E] Ltd ontving, maar ook aan genoemde vennootschap betaalde (bijlage 4).
Voorts kan hieruit worden afgeleid dat er voor belanghebbende een doorbetalingsverplichting aan derden bestond voor bedragen die hij van [E] Ltd ontving, onder wie [O], de zoon van belanghebbende. Deze doorbetalingen vonden plaats per bank, dan wel via contante opnamen in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk. Het onderzoek van de gemachtigde van belanghebbende heeft geen concrete aanwijzingen opgeleverd dat de contante opnamen het vermogen van belanghebbende niet hebben verlaten, laat staan dat deze bedragen op onbekende buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende zouden zijn terechtgekomen, zoals de inspecteur suggereert. Van dit laatste levert de inspecteur ook geen enkel bewijs.
De inspecteur heeft consequent geweigerd om een inhoudelijk debat te voeren over de geldstromen zoals die blijken uit de cijferoverzichten van belanghebbende. De inspecteur laat dit in hoger beroep wederom na. Hij volstaat met op te merken dat belanghebbende nog geen begin van bewijs zou hebben geleverd dat deze bedragen niet afkomstig zijn uit een (belaste) bron van inkomen. Deze opmerking van de inspecteur is in de ogen van belanghebbende misplaatst, gezien de reconstructie van de administratie en de uitgebreid gemotiveerde standpunten die belanghebbende daarop gebaseerd heeft.
Belanghebbende kan de opmerking van de inspecteur in onderdeel 5.7 van zijn hoger beroepschrift dat hij geen motivering van belanghebbende heeft kunnen terugvinden dan ook niet plaatsen. Dit geldt temeer nu de rechtbank in onderdeel 8.6 van haar uitspraak heeft geoordeeld dat het saldo van voornoemde geldstromen vanwege het ontbreken van fiscale transparantie bij [E] Ltd niet aan belanghebbende is toe te rekenen. In dit oordeel van de rechtbank ligt besloten dat de ontvangsten van [E] Ltd op de privébankrekeningen van belanghebbende tot het vermogen van de vennootschap moeten worden gerekend en daarom geen belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende vormen. De inspecteur heeft in zijn hoger beroepschrift geen grieven aangevoerd tegen dit oordeel van de rechtbank en belanghebbende evenmin, zodat dit oordeel naar de mening van belanghebbende thans in rechte vaststaat.’
En in kader van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 heeft belanghebbende onder meer het volgende gesteld in zijn verweerschrift:
‘Dein onderdeel 5.13 genoemde ontvangsten van [E] Ltd van in totaal € 27.700 vormen onderdeel van het complex van geldstromen, waarbij belanghebbende als kassier heeft gefungeerd, zoals uiteengezet in het kader van 2008. De losse ontvangsten vormen op zichzelf genomen geen belastbaar inkomen voor belanghebbende. Uit bijgaand overzicht komt naar voren dat belanghebbende over 2009 per saldo € 4.505 heeft betaald aan [E] Ltd (bijlage 4). In tegenstelling tot de inspecteur ziet belanghebbende daarom geen grond om onderhavige ontvangsten ad € 27.700 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende te rekenen.’
Voor wat betreft de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 heeft belanghebbende onder meer het volgende verweer gevoerd:
‘De inspecteur stelt in onderdeel 5.16 van zijn hoger beroepschrift dat belanghebbende in 2010 in totaal op zijn bankrekeningen een bedrag van € 186.021 heeft ontvangen van [E] Ltd en dat het op de weg van belanghebbende ligt om feiten te stellen en daar waar nodig aannemelijk te maken dat deze bedragen niet in het inkomen uit werk en woning hoeven te worden begrepen. Dit standpunt van de Inspecteur komt neer op een omkering van de bewijslast en kan daarom niet worden gevolgd. Het ligt op de weg van de inspecteur om feiten te stellen en aannemelijk te maken waarom onderhavige ontvangsten belastbaar inkomen uit werk en woning vormen en onder welke bron deze vallen. Belanghebbende acht de inspecteur niet geslaagd in het voldoen aan zijn bewijslast. Tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende voert de inspecteur namelijk niets concreets aan.
Wederom wekt de inspecteur ten onrechte de suggestie dat belanghebbende zonder motivering zou hebben betwist dat sprake is van belastbare inkomsten. Belanghebbende heeft zoals hij in het kader van 2008 heeft toegelicht, de geldstromen die verband houden met de activiteiten van [E] Ltd uitgebreid in kaart gebracht en deze fiscaal gekwalificeerd (bijlage 3 en 4). Zoals uit deze overzichten volgt, houdt de enkele ontvangst van bedragen van [E] Ltd op de bankrekeningen van belanghebbende niet in dat belanghebbende deze bedragen als belastbaar inkomen heeft genoten. Dit vanwege de kassiersfunctie van belanghebbende. Over 2010 is het saldo van deze geldstromen negatief voor belanghebbende. De inspecteur heeft consequent geweigerd hier inhoudelijk op in te gaan. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het saldo van deze bedragen niet tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende kan worden gerekend, omdat [E] Ltd fiscaal niet transparant is. Dit laatste oordeel wordt door de inspecteur in hoger beroep niet bestreden.
Onder deze omstandigheden gaat het niet aan om belanghebbende te verwijten dat hij het vermoeden niet zou hebben ontzenuwd dat sprake is van belastbare inkomsten en is hetgeen de inspecteur opmerkt in onderdeel 5.16 van zijn hoger beroepschrift misplaatst.
Aangezien de inspecteur niets relevants aanvoert ter onderbouwing van zijn standpunt dat het bedrag van € 186.021 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende moet worden gerekend en uit de overzichten van belanghebbende blijkt dat hij in 2010 geen positief belastbaar inkomen heeft genoten van [E] Ltd, is er naar het oordeel van belanghebbende geen enkele grond om de inspecteur thans wel geslaagd te achten in zijn bewijslast en dient het belastbaar inkomen uit werk en woning over 2010 conform de uitspraak van de rechtbank gehandhaafd te blijven op nihil.’
In de pleitnotitie van [E] Ltd voorde zitting van het Hof wordt onder meer het volgende opgemerkt
- ‘25.
Voor het geval uw Hof van oordeel is dat belanghebbende wel belastingplichtig was in Nederland en uw Hof daarbij toekomt aan de beoordeling van de omvang van de belastbare bedragen, geef ik nu een nadere toelichting op de reconstructie van de administratie van belanghebbende en de daaruit voortvloeiende bedragen.
- 26.
De inspecteur verwijst in zijn hoger beroepschrift voor zijn opvattingen omtrent de belastbare bedragen naar zijn verweerschriften voor de rechtbank. Hieruit blijkt dat de inspecteur de belastbare bedragen heeft vastgesteld door willekeurig wat ontvangsten op bankrekeningen van belanghebbende bij elkaar op te tellen en de uitkomst hiervan vervolgens fors naar boven af te ronden. Met aftrekbare bedragen houdt de inspecteur geen rekening. Op zijn best kunnen deze belastbare bedragen als schattingen worden aangemerkt. Bij een normale bewijslastverdeling kan de inspecteur hiermee niet volstaan. Belanghebbende meent dat als de inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, de betreffende aanslag moet worden vernietigd. Mocht uw Hof echter van oordeel zijn dat dan nader dient te worden onderzocht op welk belastbaar bedrag de betreffende aanslag moet worden vastgesteld, dan merk ik het volgende op.
- 27.
Belanghebbende heeft uitgebreid haar administratie gereconstrueerd en daarmee de door de inspecteur in aanmerking genomen belastbare bedragen gemotiveerd betwist. Belanghebbende heeft in dat kader diverse cijferoverzichten aan uw Hof overgelegd. Bijgaand treft uw Hof aangevulde overzichten met de belastbare winsten en belastbare bedragen van belanghebbende aan (bijlage 1). Hieraan is het jaar 2014 toegevoegd (bijlage 2).
- 28.
Voorts zijn hierin in tegenstelling tot de eerdere overzichten de (positieve en negatieve) beloningen aan [X] als aftrekbare kosten in aanmerking genomen en is voorts aangegeven hoe de belastbare winsten zouden luiden zonder deze aftrek. Als de beloningen inkomen in box 1 vormen voor [X], zijn deze normaliter aftrekbaar bij belanghebbende. Als deze als dividend of uitdelingen worden beschouwd niet. Op deze beloningen van [X] kom ik in het kader van de pleitnotitie over de aanslagen inkomstenbelasting nog terug.
- 29.
Op enkele stelposten na, zijn de overzichten gebaseerd op facturen en banktransacties. Zowel de bankrekeningen van belanghebbende als die van [X] werden gebruikt voor de activiteiten van de vennootschap. [X] fungeerde daarmee feitelijk als bankier of kassier voor belanghebbende. In de reconstructie van de administratie van belanghebbende zijn daarom niet louter de geldstromen van en naar de bankrekeningen van belanghebbende opgenomen, maar ook de geldstromen die via de privérekeningen van [X] hebben gelopen, voor zover deze aan de activiteiten van belanghebbende zijn te relateren. Op enkele verklaarde verschillen na blijken de geldstromen te matchen met de facturen en een en ander te sluiten.
- 30.
Vanwege de substantiële kosten van rechtsbijstand die er gemoeid zijn met deze procedures en andere fiscale kwesties, heeft belanghebbende afgezien van de reeds betaalde declaraties een voorziening opgenomen voor de kosten van rechtsbijstand verleend door […] en […] Advocaten. Deze kosten zijn ingeschat op € 25.000 per jaar, waarbij de helft is toegerekend aan [X]. Per saldo komt dan € 12.500 per jaar ten laste van de winst van belanghebbende.
- 31.
Waar de inspecteur vooral moeite mee heeft, is de aftrek van de contant opgenomen bedragen. Belanghebbende stelt voorop dat de opnamen als zodanig blijken uit de bankafschriften en redelijkerwijs niet ter discussie kan staan dat deze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Waar het met name om gaat, is of het aannemelijk is dat deze opnamen aan derden zijn betaald in het kader van de activiteiten van belanghebbende. Zij beantwoordt deze vraag bevestigend.
- 32.
De in aftrek gebrachte contante opnamen betreffen provisies die zijn betaald aan derden in verband met hun betrokkenheid bij de activiteiten van belanghebbende. Ten bewijze hiervan heeft belanghebbende onder meer een verklaring van een Libanees overgelegd. De provisies bestaan met name uit contante opnamen in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk. Zoals uit de overgelegde gereconstrueerde administratie blijkt, hebben al deze opnamen plaatsgevonden van privérekeningen van [X] en niet vanaf de bankrekeningen ten name van belanghebbende. Deze handelwijze is gevolgd, omdat er aan de bankrekeningen van belanghebbende geen bankpassen waren verbonden waarmee gelden konden worden opgenomen. Belanghebbende was daarom genoodzaakt om eerst gelden naar de privérekeningen van [X] over te maken, alvorens deze gelden konden worden opgenomen. De derden wilden graag uitbetaling van de provisies in diverse valuta, waaronder euro's en Britse ponden. [X] heeft de euro's in Nederland en de ponden in het Verenigd Koninkrijk opgenomen. Dit laatste was onder meer vanwege de wisselkosten voordeliger dan het kopen van ponden in Nederland. Uit de aard, de omvang en de locaties van de opnamen kan worden afgeleid dat het niet om consumptieve bestedingen van [X] gaat. Er is geen enkele aanwijzing dat [X] deze gelden heeft aangewend voor (dure) roerende of onroerende zaken.
- 33.
Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat de contante opnamen tot de vermogens van belanghebbende en [X] zijn blijven behoren, afgezien van stortingen waar in de overzichten van belanghebbende rekening mee is gehouden. De inspecteur betwist weliswaar dat deze gelden aan derden zijn betaald, maar heeft nog geen begin van bewijs geleverd dat deze gelden een andere bestemming hadden of voor de persoonlijke behoeftebevrediging van [X] hebben gediend. Belanghebbende meent daarom dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhavige contante opnamen ten laste van haar winsten kunnen worden gebracht.
- 34.
De inspecteur heeft het cijfermateriaal van belanghebbende tot op heden niet inhoudelijk betwist. Belanghebbende acht het daarom gerechtvaardigd om bij de vaststelling van de belastbare bedragen uit te gaan van haar cijferopstellingen.’
En in de pleitnotitie van belanghebbende zelf voor de zitting van het Hof wordt het volgende opmerkt:
- ‘7.
Indien moet worden aangenomen dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig was, moet worden beoordeeld in hoeverre belanghebbende belastbaar inkomen heeft genoten in verband met de activiteiten van [E] Ltd en onder welke bron dit valt.
- 8.
Zoals in de pleitnotitie met betrekking tot [E] Ltd uitgebreid is toegelicht, fungeerde belanghebbende als bankier/kassier ten behoeve van [E] Ltd. Aan de enkele omstandigheid dat gelden van een bankrekening van de vennootschap naar belanghebbende zijn overgemaakt kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat deze gelden het vermogen van [E] Ltd hebben verlaten, laat staan met het oogmerk om belanghebbende in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, bestuurder of werknemer een voordeel te doen toekomen. Belanghebbende heeft door middel van zijn arbeid via [E] Ltd internationale handelstransacties gefaciliteerd. Hij heeft daarvoor geen vaste bedragen aan inkomen ontvangen. Van een formele arbeidsovereenkomst met een periodiek, vast salaris is geen sprake. De bedragen wisselen steeds en zijn zowel positief als negatief, zoals blijkt uit bijgaand overzicht (bijlage 2). Het ligt daarom niet voor de hand om de beloningen van. belanghebbende als loon uit dienstbetrekking te kwalificeren.
- 9.
Formeel dividend of uitdelingen liggen ook niet voor de hand. De beloningen staan in rechtstreeks verband met de werkzaamheden van belanghebbende en hebben geen relatie met belanghebbende in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van [E] Ltd. Belanghebbende kwalificeert zijn inkomsten van [E] Ltd daarom (bij nader inzien) als resultaat uit overige werkzaamheden.
- 10.
Belanghebbende heeft de resultaten over 2008 tot en met 2011 bepaald aan de hand van het kasstelsel en daarbij voorts een voorziening toegepast voor zijn kosten van rechtsbijstand. In bijgaande overzichten zijn deze resultaten uitgewerkt (bijlage 2).
- 11.
Voorzover uw Hof aan de beoordeling van de belastbare inkomens van belanghebbende toekomt, verzoekt hij uw Hof de volgende belastbare inkomens uit werk en woning in aanmerking te nemen (bijlage 3):
Jaar
RUOW
AOW
Totaal box 1
2008
€ -/- 11.000
€ .
€ -/- 11.000
2009
€ -/- 59.957
€ 3.861
€ -/- 55.235
2010
€ -/-18.377
€ 8.098
€ -/- 10.279
2011
€ 48.739
€ 8.062
€ 56.801’
In dit verweer van belanghebbende wordt gerefereerd aan een reconstructie van de administratie van [E] Ltd en van belanghebbende, waarbij eveneens wordt verwezen naar de toelichtingen die belanghebbende hierop voor de rechtbank heeft gegeven. Het Hof had deze toelichtingen ook in de beoordeling moeten betrekking. Dat heeft het Hof miskend.
Uit het bovenstaande verweer van belanghebbende blijkt dat er tegenover de door de inspecteur gestelde ontvangsten ook allerlei aftrekbare bedragen staan. In navolgend cassatiemiddel licht belanghebbende toe waarom het Hof bij de bepaling van de belastbare inkomens uit werk en woning over 2008, 2009 en 2010 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze aftrekbare bedragen.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. Mede gelet op navolgende cassatiemiddelen kan uw Raad de zaak naar de mening van belanghebbende zelf afdoen en verzoekt belanghebbende uw Raad de belastbare inkomens uit werk en woning over 2008, 2009 en 2010 vast te stellen op de in de pleitnotitie voor het Hof van belanghebbende verzochte bedragen. Indien uw Raad de zaak niet zelf kan afdoen, dient naar de mening van belanghebbende verwijzing te volgen, mede gelet op navolgende cassatiemiddelen.
Cassatiemiddel 3
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 8:69 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht en/of artikel 8:77 lid 1, sub b van de Algemene wet bestuursrecht en/of het arrest van uw Raad van 13 mei 2011, nr. 10/03845, ECLI:NL:HR:2011:BQ4291, BNB 2011/218 en/of het arrest van uw Raad van 14 juni 2002, nr. 36453, ECLI:NL:HR:2002:AB2865, BNB 2002/290 en/of het arrest van uw Raad van 25 oktober 2002, nr. 36 898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 en/of het arrest van uw Raad van 25 november 2011, nr. 40 213, ECLI:NL:HR:2005:6909, BNB 2006/94 en/of verzuim van vormen die nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft doordat het Hof in de onderdelen 4.25, 4.26, 4.27 en 4.28 van de bestreden uitspraak heeft geoordeeld dat van aftrekbare bedragen en/of terugbetalingen en/of betalingen aan derden niet of onvoldoende is gebleken.
Toelichting cassatiemiddel 3
Belanghebbende heeft zoals uit de toelichting op het voorgaande cassatiemiddel blijkt uitgebreid betoogd dat zijn belastbare inkomens uit werk en woning niet louter bestaan uit de door de inspecteur gestelde ontvangsten van [E] Ltd en van [U] Ltd, maar daar tegenover ook allerlei aftrekbare bedragen staan.
In onderdeel 4.25 van de bestreden uitspraak volgt het Hof belanghebbende niet in zijn stelling dat het ter zake van de voornoemde ontvangsten slechts een ‘kassiersfunctie’ zou hebben gehad en derhalve een doorbetalingsverplichting jegens derden had ten aanzien van de door hem ontvangen bedragen. Deze stelling zou volgens het Hof geen feitelijke grondslag hebben. Het vorenstaande klemt te meer waar aan die beweerdelijke doorbetalingsverplichting in contanten, volgens belanghebbende zou zijn voldaan met in contanten opgenomen bedragen, aldus het Hof. Ook de door belanghebbende overgelegde ‘analyses’ maken dat, naar het oordeel van het Hof, niet anders, reeds niet nu deze analyses niet dan wel onvoldoende met stukken zijn onderbouwd of anderszins controleerbaar zijn.
In de onderdelen 4.26, 4.27 en 4.28 van de bestreden uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat van aftrekbare bedragen en/of terugbetalingen en/of betalingen aan derden niet of onvoldoende is gebleken.
Deze overwegingen en oordelen van het Hof met betrekking tot de kassiersfunctie van belanghebbende, diens doorbetalingsverplichtingen, aftrekbare bedragen, terugbetalingen en betalingen aan derden missen geen feitelijke grondslag en/of zijn anderszins onbegrijpelijk en/of zijn in strijd met het recht.
Belanghebbende heeft in het kader van zijn betwisting van de door de inspecteur gestelde belastbare inkomens uit werk en woning het Hof verzocht zijn belastbare inkomens uit werk en woning vast te stellen met inachtneming van de bedragen zoals die blijken uit het overzicht dat belanghebbende als bijlage 2 bij zijn pleitnotitie voor het Hof heeft overgelegd (‘[X] — Belastbaar inkomen van [E] Ltd’). Dit overzicht maakt onderdeel uit van een zeer uitgebreide reconstructie van de administraties van [E] Ltd en belanghebbende door hun gemachtigde, die ook aan het Hof is overgelegd (bij de verweerschriften ïn hoger beroep van belanghebbende en [E] Ltd, alsmede bij hun pleitnotities voor de zitting van het Hof). Alle op de door de gemachtigde in het kader van deze reconstructie opgestelde overzichten genoemde bedragen — behoudens benoemde stelposten — zijn blijkens de overzichten en de toelichtingen hierop in de gedingstukken van belanghebbende en [E] Ltd ontleend aan bankafschriften, creditcardoverzichten, facturen en verklaringen van derden. Deze bescheiden behoren tot de gedingstukken, vide onder meer de door de inspecteur in het geding gebrachte CD-rom (waar de inspecteur zelf ook naar verwijst in het kader van de door hem als inkomen van belanghebbende in aanmerking genomen bedragen), alsmede de bijlagen bij de conclusies van repliek van belanghebbende voor de rechtbank.
Uit de overzichten van belanghebbende en de onderliggende bescheiden blijkt dat belanghebbende niet alleen per bank bedragen van [E] Ltd ontving, maar hij ook per bank bedragen daaraan betaalde en hij voorts per bank bedragen aan en ontving aan [U] Ltd, alsmede dat bij per bank bedragen betaalde aan en ontving van zijn zoon [O]. Voorts blijkt hieruit dat hij contante gelden van zijn privébankrekeningen heeft opgenomen in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk. Belanghebbende heeft daarmee alle door hem gestelde bancaire betalingen, bancaire ontvangsten, bancaire opnamen en bancaire stortingen overtuigend aangetoond.
In zoverre missen de bedragen op de overzichten en de hierop gebaseerde analyses van belanghebbende dus geen feitelijke grondslag en had het Hof deze bedragen en analyses kunnen verifiëren.
Ten bewijze van zijn doorbetalingsverplichtingen en kassiersfunctie heeft belanghebbende voorts verklaringen van de heren [O] en […] overgelegd. Deze verklaringen zijn als bijlagen 4 en 5 bij de brief van de gemachtigde van belanghebbende aan de inspecteur van 1 september 2015 (kenmerk: […]/[…]) gevoegd. Deze brief is in het geding gebracht als bijlage 13 bij de conclusie van repliek voor de rechtbank van 18 december 2015, kenmerk: FJ/sto/recl6. Uit deze verklaringen blijkt onmiskenbaar dat belanghebbende betalingen aan derden, met name [O] en […], heeft verricht in verband met de activiteiten van [E] Ltd, dat deze betalingen mede plaatsvonden door middel van contant opgenomen bedragen, alsmede dat en waarom deze via de privébankrekeningen van belanghebbende hebben gelopen. Het Hof geeft er in zijn uitspraak geen blijk van kennis te hebben genomen van deze verklaringen, noch deze verklaringen in de beoordeling te hebben betrokken, noch deze te hebben gewaardeerd. In zoverre heeft het Hof artikel 8:69 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht geschonden.
Het Hof had de inhoud van deze verklaringen voor juist moeten houden. De inspecteur heeft de in deze verklaringen gestelde feiten niet betwist, noch de inhoud hiervan met tegenbewijs weerlegd, noch de door belanghebbende en [E] Ltd in hun gedingstukken beschreven gang van zaken met betrekking tot de doorbetalingen betwist (vide r.o. 3.3.1 van het arrest van uw Raad van 13 mei 2011, nr. 10/03845, ECLI:NL:HR:2011:BQ4291, BNB 2011/218 en het arrest van uw Raad van 1 april 2005, nr. 39 689, ECLI:NL:HR2005:AT3023, BNB 2005/315). De inspecteur heeft de verklaringen in zijn pleitnotitie voorde zitting van het Hof slechts niet-verifieerbaar genoemd. Het Hof had aan deze niet-inhoudelijke en ongemotiveerde betwisting voorbij moeten gaan. Daargelaten dat de inspecteur de reeds buiten rechte aan hem overgelegde verklaringen met zijn uitgebreide bevoegdheden zowel binnen Nederland als daarbuiten had kunnen verifiëren, vinden de verklaringen, alsmede de toelichtingen in de gedingstukken van belanghebbende op de doorbetalingsverplichtingen steun in de voornoemde overige bewijsmiddelen. Uit de bankafschriften blijkt immers van contante opnamen in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk vanaf de privébankrekeningen van belanghebbende, niet die van [E] Ltd, alsmede dat er doorgaans kort voorafgaande aan deze opnamen overboekingen van [E] Ltd naar deze privébankrekeningen van belanghebbende plaatsvonden.
Voorts vinden de kassiersfunctie en doorbetalingsverplichtingen steun in de in onderdeel 4.24 van de uitspraak van het Hof bedoelde onweersproken werkwijze van belanghebbende en hoe de samenwerking tussen belanghebbende, [E] Ltd en [U] Ltd, respectievelijk [O], zoon van belanghebbende functioneerde. De doorbetalingsverplichtingen aan [O] vinden specifiek steun in navolgende passage in onderdeel 3.3 van het hoger beroepschrift van de inspecteur en de daarin aangehaalde brief van 13 augustus 2014, waarin de inspecteur over de samenwerking schrijft:
‘[E]/[X] en [U]/zoon [O] verdeelden onderling de winsten op de goederentransacties (zie de brief van 13 augustus 2014).’
Bovendien heeft het Hof miskend dat de bancaire betalingen en analyses van belanghebbende niet in geschil zijn en er voor het Hof daarom geen reden was om deze te kunnen controleren. Naar vaste rechtspraak is in belastingzaken voor het vellen van een bewijsoordeel door de rechter geen plaats indien het gaat om een stelling die geen bewijs behoeft, zoals een stelling van een partij die door de wederpartij is erkend, althans niet is betwist (vide r.o. 3.3.1 van het arrest van uw Raad van 13 mei 2011, nr. 10/03845, ECLI:NL:HR:2011:BQ4291, BNB 2011/218 en het arrest van uw Raad van 1 april 2005, nr. 39 689, ECLI:NL:HR2005:AT3023, BNB 2005/315. Het Hof heeft deze rechtsregel geschonden.
De inspecteur heeft noch buiten rechte, noch voor de rechtbank, noch voor het Hof een inhoudelijk debat gevoerd over het door de gemachtigde van belanghebbende opgestelde cijfermateriaal en de daarop gebaseerde analyses. De inspecteur heeft de door belanghebbende in zijn gedingstukken gestelde feiten met betrekking tot zijn kassiersfunctie, doorbetalingsverplichtingen en aftrekbare kosten (nagenoeg) niet betwist. Niet voor niets heeft belanghebbende zich voor het Hof beklaagd over de handelwijze van de inspecteur met betrekking tot het cijfermateriaal van belanghebbende. In zijn hoger beroepschrift voor het Hof heeft belanghebbende bijzondere omstandigheden aangevoerd die zijns inziens rechtvaardigen dat de inspecteur wordt veroordeeld in de integrale proceskosten. Als bijzondere omstandigheid voert belanghebbende onder meer aan:
‘De wijze waarop de inspecteur met het door de gemachtigde van belanghebbende opgestelde cijfermateriaal is omgegaan. Zoals belanghebbende terecht ter zitting van 13 december 2016 (van de rechtbank, FJ) heeft opgemerkt, is zijn gemachtigde weken bezig geweest om alle bankafschriften van belanghebbende en [E] Ltd na te lopen, de fiscaal relevante transacties daaruit te filteren, deze te matchen met de facturen en alles in heldere overzichten te verwerken. Op een aantal verklaarbare verschillen na bleek een en ander te sluiten. Desalniettemin heeft de inspecteur dit cijfermateriaal niet serieus genomen, heeft hij niet concreet aangegeven wat er mis mee is, maar heeft hij simpelweg volstaan met op te merken dat belanghebbende en [E] Ltd minimaal € 500.000 zouden moeten bieden alvorens er verder te onderhandelen viel. Een dergelijke opstelling valt niet te rijmen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, noch met de beginselen van behoorlijk bestuur. Ook dit heeft belanghebbende handenvol met geld gekost.’
Hoewel het cijfermateriaal van belanghebbende buiten rechte bij de behandeling van diverse bezwaren al aan de orde was, er schikkingsonderhandelingen zijn gevoerd op basis van dit cijfermateriaal en belanghebbende zich hier voorde rechtbank op heeft beroepen, heeft de inspecteur de zeer uitgebreide reconstructie van de administratie van belanghebbende en [E] Ltd pas tijdens de zitting van het Hof in rechte betwist en ook nog eens slechts summierlijk.
In zijn pleitnotitie voor de zitting van het Hof van 27 november 2018 stelt de inspecteur op pagina 3 onder het kopje ‘Bewijslast van kosten’:
‘[E] stelt dat zij betalingen heeft verricht. Voor zover sprake is van bedragen die zij per bank heeft overgemaakt, is duidelijk dat inderdaad sprake is van betaling. Daar is geen misverstand over. Wel is de aard van de betaling steeds onderwerp van discussie. Het ligt op de weg van degene die stelt dat betalingen als last in mindering op de belastbare winst kunnen worden gebracht bewijs te leveren van het zakelijke karakter van die uitgave. In mijn ogen heeft [E] dit tot op heden niet gedaan. Daar komt bij dat [X] bedragen contant heeft opgenomen en het standpunt inneemt dat hij deze opnamen heeft gebruikt voor contante betalingen ten behoeve van [E]. Behalve blote stellingen en een niet te verifiëren verklaring heeft [E] geen onderbouwing gegeven voor de zakelijkheid van (vermeende) betalingen. Daarom concludeer ik dat enig bewijs voor deze stelling ontbreekt. Ik betwist dat [X] bedragen heeft doorbetaald al dan niet ten behoeve van [E]. Als uw hof de betalingen wel aannemelijk acht, betwist ik dat de bedragen een zakelijk karakter hebben.’
Blijkens blad 4 van het proces-verbaal voor de zitting van het Hof van 27 november 2018 heeft de inspecteur het cijfermateriaal van belanghebbende ter zitting als volgt betwist:
‘Met betrekking tot punt 8 stelt de Inspecteur de ten behoeve van de werkzaamheden van [x] gemaakte kosten te betwisten. Bedragen zijn contant betaald en er is geen enkel bewijs van zakelijkheid. De inspecteur betwist de aftrek van de kosten in de opstelling van bijlage 2 bij de pleitnota IB/PW van de gemachtigde.’
De inspecteur betwist dus slechts in algemene termen en pas ter zitting van het Hof de zakelijkheid van de door [E] Ltd ten laste van haar winst gebrachte betalingen, de door belanghebbende contant opgenomen doorbetaalde bedragen en de door belanghebbende in aftrek gebrachte kosten. De inspecteur noemt geen concrete bedragen, noch van welke betalingen precies de aard onderwerp van discussie zou zijn, noch stelt hij enig feit op grond waarvan er reden is om te twijfelen aan de zakelijkheid van de door belanghebbende in aftrek gebrachte uitgaven. De inspecteur betwist voorts niet de bancaire betalingen, noch de analyses van belanghebbende, noch de overige door belanghebbende in zijn gedingstukken gestelde feiten. Het Hof had de bancaire betalingen, de analyses van belanghebbende en de overige door belanghebbende gestelde feiten daarom als onbetwist voor juist moeten houden en had zich moeten beperken tot het beoordelen van het (summiere) verweer van de inspecteur met betrekking tot de zakelijkheid van de uitgaven, de contante betalingen en de door belanghebbende afgetrokken kosten, met inachtneming van de overgelegde bewijsmiddelen en niet-betwiste feiten en stellingen in de gedingstukken van belanghebbende.
Bij de beoordeling van de zakelijkheid van de uitgaven heeft volgens vaste jurisprudentie als uitgangspunt te gelden dat de inspecteur en het Hof niet op de stoel van de ondernemer en resultaatgenieter mogen gaan zitten. Zowel in de inkomstenbelastingsfeer (o.a. het Cessna-arrest) als in het kader van de vennootschapsbelasting (o.a. het Renpaardenarrest) zijn er beperkingen gesteld aan de beoordelingsvrijheid van de inspecteur en de rechter. Weliswaar rust de bewijslast ter zake van het zakelijke motief van de uitgaven in beginsel op belanghebbende, doch dit laat onverlet dat deze bewijslast pas in beeld in beeld komt indien en voor zover de inspecteur de zakelijkheid van de uitgaven tijdig en voldoende gemotiveerd betwist heeft. De inspecteur zal dus eerst voldoende gemotiveerd moeten stellen op grond waarvan er reden is om te twijfelen aan de zakelijkheid van een uitgave. Blote stellingen van de inspecteur als dat hij de zakelijkheid van de uitgaven betwist of dat hij de aftrek van kosten betwist zijn blijkens vaste jurisprudentie onvoldoende. Onder niet-betwiste feiten die geen bewijs behoeven worden blijkens de jurisprudentie mede verstaan niet voldoende gemotiveerd betwiste feiten. De blote betwistingen van de inspecteur vallen hier onmiskenbaar onder en leiden dus ook niet tot een bewijslast voor belanghebbende.
Niet gebleken is dat het Hof deze bewijsregels heeft toegepast bij de beoordeling van de aftrekbaarheid van de uitgaven van belanghebbende. Het Hof heeft het immers alleen over dat van aftrekbare bedragen en/of terugbetalingen en/of betalingen aan derden niet of onvoldoende is gebleken. In zoverre is de uitspraak niet naar de eisen der wet met voldoende redenen omkleed. De gedingstukken laten naar de mening van belanghebbende redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat de inspecteur niet aan zijn stelplicht heeft voldaan met betrekking tot de (on)zakelijkheid van de uitgaven en de aftrekbare kosten. Het Hof had reeds daarom de door belanghebbende in aftrek gebrachte uitgaven en kosten moeten accepteren.
Belanghebbende heeft blijkens het overzicht dat hij als bijlage 2 bij zijn pleitnotitie voor het Hof heeft overgelegd (‘[X] — Belastbaar inkomen van [E] Ltd’) over de jaren 2008 tot en met 2010 de navolgende bedragen in aftrek gebracht op de van [E] Ltd ontvangen bedragen.
Saldo ontvangsten van en betalingen aan [E] Ltd
De in voornoemd overzicht van belanghebbende genoemde ontvangsten van [E] Ltd over 2008 ad € 227.289, over 2009 ad -/- € 4.505 en over 2010 ad € 139.605 betreffen het saldo van de door belanghebbende van deze vennootschap per bank ontvangen en de door hem aan deze vennootschap per bank betaalde bedragen, zo blijkt uit de bankafschriften en de specificaties (‘[X] — besteedbaar inkomen 2008, 2009 en 2010’) die belanghebbende bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft gevoegd, alsmede uit de door belanghebbende in zijn gedingstukken gegeven toelichtingen. Dit betreft de volgende bedragen:
Omschrijving | 2008 | 2009 | 2010 |
|---|---|---|---|
Ontvangen van [E] Ltd | € 227.339 | € 84.267 | € 164.728 |
Af: betaald aan [E] Ltd | € -/- 50 | € -/- 88.772 | €-/-25.123 |
Saldo ontvangsten en uitgaven | € 227.289 | € -/- 4.505 | € 139.605 |
Dat deze bedragen door belanghebbende ontvangen en betaald zijn, blijkt uit de bankafschriften en moet derhalve bewezen worden geacht. Bovendien zijn de bancaire betalingen niet in geschil. Het oordeel van het Hof in de onderdelen 4.26, 4.27 en 4.28 van de bestreden uitspraak dat van terugbetalingen niet dan wel onvoldoende is gebleken is dan ook onbegrijpelijk.
Sowieso is de vraag of de inspecteur met zijn betwisting überhaupt wel het oog heeft gehad op deze terugbetalingen. De onduidelijkheid hierover had het Hof voor rekening en risico van de inspecteur moeten laten komen. Het gaat hier niet om van de belastbare winst van [E] Ltd aftrekbare bedragen, noch om contant betaalde bedragen, maar om door belanghebbende per bank aan [E] Ltd betaalde bedragen, waarmee positieve inkomsten van [E] Ltd ongedaan zijn gemaakt. Aangezien het Hof de positieve inkomsten van [E] Ltd in de belastingheffing heeft betrokken en belanghebbende de betaling van de negatieve inkomsten bewezen heeft, had het Hof ook de negatieve inkomsten in aftrek moeten toelaten, zo volgt uit het arrest van uw Raad van 25 november 2011, nr. 40 213, ECLI:NL:HR:2005:6909, BNB 2006/94. Het Hof heeft deze rechtsregel ten onrechte niet toegepast.
Ontvangsten van en betalingen aan [U] Ltd
Belanghebbende heeft vanwege zijn kassiersfunctie in voornoemd overzicht over 2008 tot zijn belastbare inkomen gerekend ontvangsten van [U] Ltd ad € 29.485 en over 2010 per bank betaalde bedragen aan [U] Ltd ad € 13.333 in aftrek gebracht op zijn belastbaar inkomen. Dat belanghebbende in 2010 € 13.333 aan [U] Ltd betaald heeft moet bewezen worden geacht, dat blijkt immers uit de bankafschriften en is niet in geschil. In zoverre is gebleken van een betaling aan een derde en is het desbetreffende oordeel van het Hof onbegrijpelijk.
Ook hiervoor geldt dat het de vraag is of de inspecteur met zijn betwisting wel het oog heeft gehad op de onderhavige uitgave aan [U] Ltd. De inspecteur heeft immers de ontvangsten van belanghebbende van [U] Ltd in 2008 als inkomen aangemerkt op grond van de door belanghebbende beschreven handelwijze en hoe de samenwerking met de diverse betrokken partijen verliep. Dit is door het Hof blijkens onderdeel 4.24 van de bestreden uitspraak gevolgd. Hieruit blijkt dat [U] Ltd een zakelijke relatie is van [E] Ltd en van belanghebbende.
Het had dan voor de rede gelegen dat het Hof de uitgave van belanghebbende aan [U] Ltd in 2010 op dezelfde gronden als zakelijk uitgave in aftrek had toegelaten. Het Hof is derhalve inconsequent geweest. In zoverre is de uitspraak van het Hof onbegrijpelijk.
Het gaat hier bovendien niet om de vraag of onderhavige betaling als zakelijke uitgave ten laste van de winst van [E] Ltd kan worden gebracht, maar of belanghebbende de betaling aan [U] Ltd ten laste van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning mag brengen, meer specifiek het resultaat uit overige werkzaamheden. Ook hierbij geldt dat de uitgave aftrekbaar is als deze zakelijk moet worden geacht.
Blijkens de specificaties die belanghebbende en [E] Ltd bij hun verweerschriften in hoger beroep hebben gevoegd en hun toelichtingen hierop heeft het bedrag van € 13.333 betrekking op de activiteiten van [E] Ltd en vormt dit bedrag een betaling op een factuur van [U] Ltd aan [E] Ltd. Dit is door de inspecteur niet betwist. Belanghebbende en [E] Ltd hebben voorts onbetwist gesteld dat de facturen van en aan [E] Ltd sluiten met de ontvangen en betaalde bedragen, behoudens een specifieke factuur die nimmer betaald is. Tevens hebben belanghebbende en [E] Ltd gesteld dat er bedragen die betrekking hebben op [E] Ltd via de privébankrekeningen van belanghebbende hebben gelopen. Het gaat hier dus niet om blote stellingen van belanghebbende, zoals de inspecteur beweert, maar om stellingen die zijn gebaseerd op de bewijsmiddelen. Niet gesteld, noch gebleken is dat de uitgave aan [U] Ltd onder een aftrekbeperking uit de winstsfeer valt die van overeenkomstige toepassing is alsof de werkzaamheid een onderneming vormt als bedoeld in artikel 3.94 Wet IB 2001. Evenmin heeft de inspecteur enig feit gesteld op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de zakelijkheid van de onderhavige uitgave aan [U] Ltd. Het is dan ook onbegrijpelijk dat het Hof de aftrek van deze uitgave niet geaccepteerd heeft.
Bancaire uitgaven aan [O]
Belanghebbende heeft op het onderhavige overzicht per bank aan zijn zoon [O] betaalde bedragen in aftrek gebracht op de ontvangsten van [E] Ltd. Over 2009 betreft dit € 6.644, over 2010 € 98.370. Over 2008 heeft belanghebbende per saldo een bedrag van € 7.466 ontvangen van zijn zoon. Ook voor deze bedragen geldt dat de uitgaven en ontvangsten bewezen moeten worden geacht, nu deze blijken uit de bankafschriften. In zoverre zijn de betwiste oordelen van het Hof onbegrijpelijk.
Ten bewijze van de zakelijkheid van deze uitgaven heeft belanghebbende die hiervoor toegelichte verklaringen van [O] en […] overgelegd, alsmede heeft belanghebbende gewezen op de onweersproken werkwijze van belanghebbende en hoe de samenwerking tussen belanghebbende, [E] Ltd en [U] Ltd, respectievelijk [O], zoon van belanghebbende functioneerde. Onder meer verdeelden belanghebbende en zijn zoon [O] de winsten die behaald werden met de activiteiten van [E] Ltd. De inspecteur heeft de inhoud van de voornoemde verklaringen niet betwist, noch de toelichtingen die belanghebbende in zijn gedingstukken op deze uitgaven heeft gegeven, noch heeft de inspecteur enig ander feit gesteld op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de zakelijkheid van deze uitgaven. Onder deze omstandigheden is het onbegrijpelijk waarom het Hof de aftrek van deze uitgaven aan [O] niet geaccepteerd heeft.
Contante opnamen
Naast de per bank aan [O] betaalde bedragen, heeft belanghebbende op zijn onderhavige overzicht provisies in aftrek gebracht die hij aan derden heeft doorbetaald uit contante opnamen. Over 2010 betreft dat opnamen in het Verenigd Koninkrijk ad € 16.970. Voorts heeft belanghebbende in Nederland opgenomen bedragen in aftrek gebracht, te weten € 30.150 over 2008, € 23.458 over 2009 en € 3.959 over 2010. Dat deze bedragen zijn opgenomen, moet bewezen worden geacht, dat blijkt immers uit de bankafschriften.
Ten bewijze van de zakelijkheid van deze uitgaven heeft belanghebbende die hiervoor toegelichte verklaringen van [O] en […] overgelegd, alsmede heeft belanghebbende gewezen op de onweersproken werkwijze van belanghebbende en hoe de samenwerking tussen belanghebbende, [E] Ltd en [U] Ltd, respectievelijk [O], zoon van belanghebbende functioneerde. Onder meer verdeelden belanghebbende en zijn zoon [O] de winsten die behaald werden met de activiteiten van [E] Ltd. De inspecteur heeft de inhoud van de voornoemde verklaringen niet betwist, noch de toelichtingen die belanghebbende in zijn gedingstukken op deze uitgaven heeft gegeven, noch heeft de inspecteur enig ander feit gesteld op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de zakelijkheid van deze uitgaven. Zoals belanghebbende in zijn gedingstukken uitgebreid uiteen heeft gezet, heeft de inspecteur nog geen begin van bewijs geleverd dat de contante opnamen andere bestemmingen hadden dan de door belanghebbende gestelde en heeft de inspecteur niets gesteld omtrent dat en in hoeverre deze bedragen dienden ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van belanghebbende als aandeelhouder van [E] Ltd. Onder deze omstandigheden is het onbegrijpelijk waarom het Hof de aftrek van deze contante opnamen niet geaccepteerd heeft.
Aftrekbare kosten
Ten slotte heeft belanghebbende over de jaren 2008, 2009 en 2010 in privé betaalde reis- en verblijfskosten, autokosten, eigenaarslasten van de verhuurde woning in […] en overige kosten in aftrek gebracht. De inspecteur heeft (de door belanghebbende gestelde redelijke omvang van) deze kosten niet, of althans niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat het Hof deze bedragen in aftrek had moeten toelaten. De inspecteur heeft diengaande slechts ter zitting van het Hof de blote stelling ingenomen dat hij de aftrekbare kosten betwist. Mede gelet op het late tijdstip van deze betwisting had het Hof hieraan voorbij moeten gaan.
Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies.
De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de door belanghebbende gestelde kassiersfunctie en doorbetalingsverplichtingen, diens analyses, alsmede de door hem gestelde aftrekbare bedragen, terugbetalingen en betalingen aan derden alle met stukken onderbouwd zijn, in zoverre controleerbaar zijn en dus geen feitelijke grondslag missen. In zoverre is de uitspraak onbegrijpelijk en kan deze geen standhouden.
Indien en zover de overwegingen en oordelen van het Hof aldus moeten worden opgevat dat de kassiersfunctie en/of doorbetalingsverplichtingen en/of diens analyses en/of de door hem gestelde aftrekbare bedragen en/of de terugbetalingen en/of de betalingen aan derden wel met stukken zijn onderbouwd, maar met onvoldoende stukken, dan heeft het Hof er geen dan wel onvoldoende blijk van gegeven acht te hebben geslagen op de rechtsregel dat niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwiste feiten geen bewijs behoeven en/of heeft het Hof er geen dan wel onvoldoende blijk van gegeven acht te hebben geslagen op de gebreken in de stelplicht van de inspecteur met betrekking tot de uitgaven en aftrekbare kosten van belanghebbende.
Het Hof heeft daarom ten onrechte, of althans op onbegrijpelijke gronden, bij de bepaling van de belastbare inkomens uit werk en woning over 2008, 2009 en 2010 van belanghebbende geen acht geslagen op de aftrekbare bedragen die belanghebbende in aanmerking heeft genomen in de opstelling van zijn besteedbaar inkomen die hij als bijlage 2 bij zijn pleitnotitie voor de zitting van het Hof heeft overgelegd. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
Belanghebbende meent primair dat uw Raad de zaak zelf kan afdoen. De gedingstukken laten redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat de inspecteur onvoldoende heeft gesteld ter betwisting van de door belanghebbende op de ontvangsten van [E] Ltd in aftrek gebrachte bedragen. Belanghebbende verzoekt uw Raad de belastbare inkomens uit werk en woning van belanghebbende over 2008, 2009 en 2010 daarom vast te stellen met inachtneming van de door belanghebbende gestelde resultaten uit overige werkzaamheden.
Subsidiair concludeert belanghebbende tot verwijzing voor een nader onderzoek naar de aftrekbaarheid van de door belanghebbende op de ontvangsten van [E] Ltd in aftrek gebrachte bedragen, met inachtneming van de door belanghebbende aangehaalde rechtsregels.
Cassatiemiddel 4
Schending van het recht, in het bijzonder het arrest van uw Raad van 26 augustus 1998, nr. 33 417, ECLI:NL:HR:1998:AA2555, BNB 1998/409, en/of artikel 8:77 lid 1 sub b van de Algemene wet bestuursrecht en/of verzuim van vormen die nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft doordat het Hof in onderdeel 4.26 van de bestreden uitspraak ter zake van belanghebbendes stelling dat hij een voorziening mag vormen voor kosten van rechtsbijstand heeft geoordeeld dat op de balansdatum niet voldaan wordt aan de daarvoor gestelde voorwaarden.
Toelichting cassatiemiddel 4
Belanghebbende heeft blijkens onderdeel 10 van zijn pleitnotitie voor de zitting van het Hof, blijkens onderdeel 30 van de pleitnotitie van [E] Ltd voor de zitting van blijkens de bijlagen bij de brief aan het Hof van 14 november 2018 een voorziening gevormd voor zijn kosten van rechtsbijstand en deze begroot op € 12.500 voor elk van de in geschil zijnde jaren 2008 tot en met 2011. In onderdeel 4.26 van de bestreden uitspraak heeft het Hof ter zake van de stelling van belanghebbende dat hij een voorziening mag vormen voor kosten van rechtsbijstand ten onrechte, of althans op onbegrijpelijke gronden, geoordeeld dat niet voldaan wordt aan de daarvoor gestelde voorwaarden. Uit dit onderdeel van de uitspraak blijkt dat dit oordeel geldt voor de jaren 2008, 2009 en 2010.
In de eerste plaats heeft het Hof zijn oordeel dat niet voldaan is aan de voorwaarden niet gemotiveerd. In zoverre is de uitspraak niet naar de eisen der wet met voldoende redenen omkleed.
Voorts heeft het Hof het recht geschonden, in het bijzonder het arrest van uw Raad van 26 augustus 1998, nr. 33 417, ECLI:NL:HR:1998:AA2555, BNB 1998/409 (het zogeheten Baksteenarrest). In r.o. 3.6 overwoog uw Raad:
‘Gelet op het hiervóór in 3.5 vermeide bezwaar, is de Hoge Raad tot de conclusie gekomen dat het voor de passivering gestelde vereiste van een op de balansdatum bestaande rechtsverhouding, welk civielrechtelijk vereiste ook niet past in het op de bedrijfseconomie gegronde begrip goed koopmansgebruik en voorts in de literatuur is omstreden, niet moet worden gehandhaafd, doch moet worden toegestaan dat bij de bepaling van de winst voor een zeker jaar ter zake van toekomstige uitgaven een passiefpost wordt gevormd, indien die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden, die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend, en ter zake waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen. ’
Naar de mening van belanghebbende laten de gedingstukken redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat aan deze voorwaarden is voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat ondergetekende en de voormalige gemachtigde […] rechtsbijstand hebben verleend in het kader van het door de inspecteur vaststellen van aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, alsmede in het kader van de bezwaren, beroepen en hoger beroepen daartegen. Deze aanslagen en de betwisting daarvan vinden hun oorsprong in feiten en omstandigheden die zich in de periode voorafgaande aan de betreffende balansdata hebben voorgedaan en ook overigens aan die perioden kunnen worden toegerekend. De kosten hebben zich ook daadwerkelijk voorgedaan, niet in geschil is dat aan [E] Ltd facturen zijn uitgereikt in verband met de verleende rechtsbijstand en dat deze facturen mede betrekking hebben op de ten behoeve van belanghebbende verrichte werkzaamheden. De inspecteur betwist op pagina 3 van zijn pleitnotitie voor de zitting van het Hof dat belanghebbende onderhavige voorziening niet kan vormen, maar miskent met hetgeen hij aanvoert de hiervoor aangehaalde overwegingen van uw Raad uit het Baksteenarrest.
Belanghebbende concludeert dat de uitspraak van het Hof op dit onderdeel geen stand kan houden en verzoekt uw Raad bij de vaststelling van de belastbare inkomens uit werk en woning van belanghebbende over 2008, 2009 en 2010 rekening te houden met een jaarlijkse dotatie aan de voorziening voor de kosten van rechtsbijstand van € 12.500.
Cassatiemiddel 5
Schending van het recht, en/of verzuim van vormen die nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft doordat het Hof in onderdeel 4.29 van de bestreden uitspraak heeft geoordeeld dat de aanslag in de ZVW 2010, geheven naar een bijdrage-inkomen van € 33.189, in stand moet blijven.
Toelichting cassatiemiddel 5
Het Hof heeft blijkens onderdeel 4.29 van de bestreden uitspraak de aanslag in de Zorgverzekeringswet over 2010, geheven naar een bijdrage-inkomen van € 33.189 gehandhaafd. Dit evenwel ten onrechte, nu het Hof zoals belanghebbende in de voorgaande cassatiemiddelen uitgebreid heeft toegelicht, het resultaat uit overige werkzaamheden over 2010 op een negatief bedrag had moeten vaststellen. In dat geval bedraagt het bijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet nihil.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Hof op dit onderdeel en tot vernietiging van de aanslag in de Zorgverzekeringswet over 2010 dan wel tot vermindering van het bijdrage-inkomen, afhankelijk van het uiteindelijk vastgestelde resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende.
Cassatiemiddel 6
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en/of verzuim van vormen die nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft doordat het Hof in onderdeel 4.36 van de bestreden uitspraak het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb van belanghebbende heeft afgewezen.
Toelichting cassatiemiddel 6
Belanghebbende heeft in het kader van de procedures die voor de geheimhoudingskamers van de rechtbanken het Hof zijn gevoerd in verband met verzoeken van de inspecteur ex artikel 8:29 Awb aan het Hof verzocht om de inspecteur op grond van artikel 8:88 Awb te veroordelen in de vergoeden van de schade die belanghebbende in het kader van de voornoemde verzoeken van de inspecteur heeft geleden.
Dit verzoek om schadevergoeding is door het Hof in onderdeel 4.36 van de bestreden uitspraak reeds afgewezen omdat het causale verband met de bestreden belastingaanslagen ontbreekt, nu belanghebbende juist in dit verband heeft gesteld dat de stukken waarvan de inspecteur beperkte kennisneming had verzocht niet op de onderhavige zaak betrekking hebben.
Hiermee miskent het Hof dat het eerst zelf had moeten vaststellen of en hoeverre deze stukken inderdaad niet op de onderhavige zaak betrekking hebben. Dat heeft de geheimhoudingskamer van het Hof blijkens onderdeel 2.1 van zijn beslissing van 18 mei 2018 aan de hoofdzetel overgelaten. De hoofdzetel was hieraan gebonden. Dat de inspecteur gevolg heeft gegeven aan de beslissing van de geheimhoudingskamer en de stukken alsnog in het geding heeft gebracht, doet hier niets aan af. Vanwege het verzoek van belanghebbende ex artikel 8:88 Awb was het Hof nog steeds gehouden om te beoordelen of en in hoeverre de onderhavige stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 Awb. Dat heeft het Hof miskend in onderdeel 4.38 van de bestreden uitspraak.
Bovendien miskent het Hof dat zo aangenomen zou moeten worden dat deze stukken inderdaad geen betrekking hebben op de onderhavige zaak, dit belanghebbende niet kan worden tegengeworpen in het kader van artikel 8:88 Awb. De inspecteur heeft immers zelf de schijn gewekt dat deze stukken betrekking hebben op de bestreden belastingaanslagen door zijn pogingen om deze stukken met een beroep op artikel 8:29 Awb in te brengen in de procedures voor de rechtbank en het Hof. De schade die belanghebbende heeft geleden in verband met de onrechtmatige informatieverkrijging door de inspecteur staat daarmee in causaal verband met de onderhavige belastingaanslagen.
Belanghebbende concludeert dat het Hof ten onrechte de inspecteur niet heeft veroordeeld in het vergoeden van de door belanghebbende geleden schade en verzoekt uw Raad dat alsnog te doen, met inachtneming van de bedragen als genoemd in onderdeel 20 van de pleitnotitie van belanghebbende voor de zitting van het Hof inzake het verzoek van de inspecteur ex artikel 8:29 Awb. De inspecteur heeft de door belanghebbende gestelde omvang van de schade niet betwist.
Cassatiemiddel 7
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 8:75 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en/of verzuim van vormen die nietigheid van de bestreden uitspraak tot gevolg heeft doordat het Hof in onderdeel 5 van de bestreden uitspraak de proceskosten van belanghebbende heeft berekend op € 1.024.
Toelichting cassatiemiddel 7
Onder 5 van de bestreden uitspraak heeft het Hof het aan belanghebbende te vergoeden bedrag aan proceskosten onjuist berekend.
Het Hof had de inspecteur niet alleen voor zover het hoger beroep betrekking had op de navorderingaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2011, maar op alle door de inspecteur in hoger beroep ter discussie gestelde belastingaanslagen. Het Hof had gelet op de overige cassatiemiddelen het hoger beroep van de inspecteur ongegrond moeten verklaren, of althans hem grotendeels in het ongelijk moeten stellen ter zake van alle in geschil zijnde belastingaanslagen.
Voorts is belanghebbende onduidelijk waar de door het Hof toegepaste wegingsfactor 1 precies betrekking op heeft. Er zijn immers zowel wegingsfactoren voor het gewicht van de zaak (tabel Cl) als voor het aantal samenhangende zaken (tabel C2). Zowel voor het aantal samenhangende zaken (4 of meer), als voor het gewicht van de zaak (zwaar of zeer zwaar) had het Hof een wegingsfactor van meer dan 1 moeten toepassen.
Het Hof heeft blijkens onderdeel 4.35 van de uitspraak een verlenging van de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van de bezwaren en het beroep gerechtvaardigd geacht vanwege de (feitelijke) complexiteit van de zaken en om dezelfde reden geen overschrijding van de redelijke termijn voorde behandelingsduur bij het hof aangenomen. Gezien de door het Hof gestelde (feitelijke) complexiteit en de relatief lange duur van de verlengingen van de redelijke termijnen voor de behandelingen van het beroep en het hoger beroep, kwalificeren de zaken objectief bezien niet als gemiddeld, maar als zeer zwaar, waarbij het een factor 2 had moeten toepassen, dan wel als zwaar, waarbij het Hof een factor 1,5 had moeten toepassen.
Voorts heeft het Hof bij de bepaling van de proceskostenvergoeding ten onrechte geen rekening gehouden met de procedures bij de geheimhoudingskamers van de Rechtbank en het Hof. Deze procedures hebben zowel betrekking op belanghebbende als op [E] Ltd. Zij hebben het Hof verzocht de inspecteur te veroordelen in de (integrale) kosten van de procedures bij de geheimhoudingskamers van de Rechtbank en het Hof.
Belanghebbende had reeds bij de geheimhoudingskamer van het Hof verzocht om veroordeling van de inspecteur in de (integrale) proceskosten, doch die heeft dit aan de hoofdzetel overgelaten, vide onderdeel 2.1 van de beslissing van de geheimhoudingskamer van het Hof, alsmede de laatste alinea van blad 1 van het proces-verbaal van de zitting van de geheimhoudingskamer van 4 april 2018:
‘De Inspecteur verklaart in reactie hierop dat er naar zijn mening geen reden is voor een integrale proceskostenvergoeding. De voorzitter onderbreekt de Inspecteur en deelt mede dat de geheimhoudingskamer geen beslissing zal nemen over de proceskostenvergoeding. De gemachtigde kan zijn verzoek bij de hoofdzetel indienen en de hoofdzetel zal hier in de einduitspraak een beslissing over nemen.’
Belanghebbende heeft het verzoek om een (integrale) proceskostenvergoeding in een pleitnotitie betreffende het verzoek van de inspecteur ex artikel 8:29 Awb voor de zitting van het Hof van 27 november 2018 nader toegelicht en daarbij in onderdeel 22 de kosten dan wel schade ex artikel 8:88 Awb begroot op € 961 voor de procedure bij de geheimhoudingskamer van de rechtbank, op € 7.967 voorde procedure bij de geheimhoudingskamer bij het Hof en op € 4.219 in verband met de verleende rechtsbijstand ter zake van het door de Belastingdienst opvragen van gegevens bij LGT Bank.
In onderdeel 4.37 van de bestreden uitspraak heeft het Hof het verzoek van belanghebbende om een integrale proceskostenvergoeding afgewezen, doch uit de uitspraak valt niet met zekerheid op te maken of dit ook betrekking heeft op de proceskosten ter zake van de procedures voor de geheimhoudingskamers van de rechtbank en het Hof. Mede gelet op de bijzondere omstandigheden dit belanghebbende in dit kader heeft aangevoerd, waaronder het schenden van de goede verdragstrouw door de inspecteur, wat objectief bezien een ernstige aangelegenheid is, had het voor de rede gelegen dat het Hof had gerespondeerd op de stellingen van belanghebbende. In zoverre is de uitspraak niet naar de eisen der wet met voldoende redenen omkleed.
Belanghebbende verzoekt uw Raad de inspecteur daarom alsnog te veroordelen in de integrale proceskosten betreffende de geheimhoudingsprocedures. Indien uw Raad geen grond ziet voor een integrale vergoeding, zal de inspecteur alsnog veroordeeld moeten worden in de proceskosten conform de forfaitaire bedragen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Belanghebbende concludeert dat de uitspraak van het Hof op het punt van de proceskostenveroordeling geen stand kan houden. Belanghebbende verzoekt uw Raad de inspecteur alsnog te veroordelen in het vergoeden van de juiste bedragen aan belanghebbende.
Conclusies
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van dit beroep in cassatie en vernietiging van de uitspraak van het Hof.
Voorts concludeert belanghebbende primair tot vernietiging en/of vermindering van de bestreden aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008, 2009 en 2010 en premie Zorgverzekeringswet 2010 zoals verzocht, dan wel subsidiair tot verwijzing voor een nader onderzoek naar de omvang van de vast te stellen belastbare inkomens op onderhavige aanslagen.
Tevens concludeert belanghebbende tot veroordeling van de inspecteur in het vergoeden van de schade ex artikel 8:88 en in de proceskosten zoals verzocht.
Ten slotte verzoekt belanghebbende uw Raad de Staatssecretaris van Financiën op te dragen het griffierecht van dit cassatieberoep te vergoeden, alsmede hem te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten van dit cassatieberoep, een en ander met wettelijke rente.