Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/2.4.2.4
2.4.2.4 Eisen vergunninghouder
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS301769:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Eijkelenboom (2015), p. 82.
Vergunningwijzer AFM, Hoofdstuk 8, p. 7.
Vergunningwijzer AFM Hoofdstuk 3, p. 3-6. Voor de definitie van ‘groep’ wordt verwezen naar artikel 2:24b BW. Voorts: Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede) beleidsbepalers en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Stcrt. 19 april 2000, nr. 78).
Per 1 juli 2018 is de Beleidsregel geschiktheid Wta van de AFM van kracht (publicatiedatum 1 november 2017).
Deze beleidsbepalers verrichten geen andere werkzaamheden dan die van dagelijks beleidsbepaler van de accountantsorganisatie, tenzij hiervoor voorafgaande goedkeuring is verleend door het intern toezichtsorgaan (artikel 16 a Wta). (Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties).
Artikel 16 lid 2 Wta en Vergunningwijzer Wta van de AFM, Hoofdstuk 3, p. 7.
Een vakbekwaam beleidsbepaler is over het algemeen een RA of AA met certificeringsbevoegdheid, die zich houdt aan wet- en regelgeving die van toepassing is op hem en minimaal de driejarige praktijkstage heeft gevolgd dan wel daarmee vergelijkbare ervaring heeft.
De personen die belast zijn met het interne toezicht dienen geschikt te zijn in verband met de uitoefening van dit toezicht (artikel 22a lid 3 Wta).
Bosman & Vergoossen (2008), p. 100.
Dit overzicht is niet alomvattend. De EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’ bevat meer eisen. Ik heb de mijns inziens belangrijkste eisen opgenomen.
EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’.
Artikel 5 (Verbod op het leveren van niet-controlediensten) EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’.
Eijkelenboom (2015), p. 82.
De maximumduur van de opdracht van een accountantsorganisatie bedraagt niet meer dan tien jaar. Artikel 17 (Duur van de controleopdracht) EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’. Ik zal verder geen aandacht besteden aan kantoorroulatie en volsta met een verwijzing naar het onderzoek van de Radboud Universiteit onder leiding van J.B.S. Hijink: ‘De effecten van (verplichte) roulatie van accountantskantoor in de Nederlandse praktijk’. Zie: https:// www.veb.net/media/3931/rapport-onderzoek-effecten-accountantsroulatie-def-28-01-2018.pdf.
Artikel 8 (Opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling) EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’ en artikel 18 Bta.
Artikel 8 lid 1 (Opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling) EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’.
Artikel 8 lid 5 (Opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling) EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’.
Artikel 23 lid 1 Bta: ‘Een accountantsorganisatie die wettelijke controles verricht bij organisaties van openbaar belang wijst een persoon aan die binnen de accountantsorganisatie toeziet op de naleving van de bij en krachtens de artikelen 13 tot en met 24b van de wet en bij de verordening gestelde regels’.
Artikel 13 lid 2 (Transparantieverslag) EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’ bevat een zeer uitvoerige lijst van onderwerpen die opgenomen moeten worden in het transparantieverslag.
Artikel 13 lid 1 en 3 (Transparantieverslag) EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’.
ingevoerd bij de wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties.
Besluit aanvullende maatregelen accountantsorganisaties.
Van Geffen (2009), p. 27.
Implementatiebesluit richtlijn nr. 2006/43/EG/Besluit instelling auditcommissie.
Van Geffen (2009), p. 27.
Nederlandse Corporate Governance Code d.d. 8 december 2016.
Dieleman (2008), p. 26.
Artikel 3 Besluit Audit Commissie verleent vrijstelling aan: a. een dochtermaatschappij van een rechtspersoon, als bij deze moedermaatschappij een auditcommissie is ingesteld en de genoemde best practice bepalingen en principes uit de Nederlandse Corporate Governance Code worden nageleefd;b. een bank waarvan de centrale kredietinstelling een auditcommissie heeft;c. een instelling voor collectieve belegging in effecten, die is ingeschreven in het Wft-register; d. een entiteit voor securitisatiedoeleinden, mits die aan het publiek bekendmaakt waarom zij het niet dienstig acht een auditcommissie in te stellen.
Een kredietinstelling die een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dan wel een verzekeraar die een naamloze vennootschap of Europese vennootschap is, dient op grond van artikel 3:19 lid 1 Wft een uit ten minste drie leden bestaande raad van commissarissen te hebben als bedoeld in de artikelen 2:140/250 BW. Een kredietinstelling die geen naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, heeft een uit ten minste drie leden bestaand orgaan dat een met die van een raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft (artikel 3:19 lid 2 Wft). Indien een verzekeraar de rechtsvorm van een onderlinge waarborgmaatschappij heeft, is geen raad van commissarissen of vergelijkbaar orgaan verplicht.
Code Banken d.d. 9 september 2009 en Code Verzekeraars d.d. 1 januari 2011.
Artikel 11 lid 2 (Aanvullende verklaring aan het auditcomité) EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’.
Artikel 11 lid 1 (Aanvullende verklaring aan het auditcomité) EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’.
In de Wta is een aantal hoofdnormen opgenomen die verder zijn ingevuld in het Bta. De hoofdnormen zien op:
bedrijfsvoering van de accountantsorganisatie (stelsel van kwaliteitsbeheersing);
integriteit van de accountantsorganisatie;
onafhankelijkheid van de accountantsorganisatie;
transparantie van de accountantsverklaring;
betrouwbaarheid en vakbekwaamheid van de dagelijkse leiding van de accountantsorganisatie;
vakbekwaamheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit van de accountant.
Ad a en b) Ten aanzien van de bedrijfsvoering van de accountantskantoren is met name het vereiste ‘stelsel van kwaliteitsbeheersing’ van groot belang. Op grond van artikel 18 lid 1 Wta dient iedere accountantsorganisatie te beschikken over een ‘stelsel van kwaliteitsbeheersing’. Het ‘stelsel van kwaliteitsbeheersing’ moet betrekking hebben op alle werkwijzen, procedures, maatregelen en waarborgen binnen de accountantsorganisatie die er toe dienen te leiden dat de accountant die uiteindelijk de controleverklaring afgeeft, dit kan doen op vakbekwame, onafhankelijke, integere en herkenbare wijze (hoofdnorm f).1 Het is hierbij van belang dat de door de accountantsorganisaties gevolgde werkwijzen en procedures zo zijn vastgelegd en vormgegeven, dat te allen tijde verantwoording kan worden afgelegd over de controlewerkzaamheden en het daarop gebaseerde oordeel. Bij een ‘stelsel van kwaliteitsbeheersing’ dient sprake te zijn van maatwerk. Het betreft een zeer gedetailleerd stuk.
Het stelsel van kwaliteitsbeheersing besteedt ten minste aandacht aan (artikel 2 VAO):
de verantwoordelijkheid van de personen die het dagelijks beleid van de accountantsorganisatie bepalen voor het kwaliteitsbeleid en het daarop gebaseerde stelsel van kwaliteitsbeheersing;
de gedragsregels;
het aanvaarden en voortzetten van de relatie met een controlecliënt en van een specifieke opdracht;
het personeelsbeleid;
de uitvoering van de wettelijke controle;
de naleving van het stelsel van kwaliteitsbeheersing;
de continuïteit van de beroepsuitoefening;
de onafhankelijkheid.
Ad f. De controle van de naleving van het stelsel van kwaliteitsbeoordeling gebeurt onder andere door middel van een periodiek intern kwaliteitsonderzoek (‘IKO”) van afgeronde opdrachten tot het verrichten van een wettelijke controle (Artikel 9 VAO).
Ad c) De onafhankelijkheid van de accountantsorganisatie dient te worden gewaarborgd (artikel 19 Wta). Dit betekent dat voor iedere opdrachtaanvaarding of continuering van een opdracht, de accountantsorganisatie moet beoordelen of er relaties bestaan tussen de accountantsorganisatie en de controlecliënt die naar hun aard of door de wijze waarop zij worden ingevuld een bedreiging kunnen vormen voor de onafhankelijkheid of de perceptie van de onafhankelijkheid van de accountantsorganisatie. Dit betreft zakelijke, financiële en persoonlijke relaties. De accountantsorganisatie (en de individuele accountant) dient onafhankelijk te zijn gedurende zowel de periode waarin de wettelijke controle daadwerkelijk wordt verricht, als de periode waarop de te controleren financiële verantwoording betrekking heeft.2
De individuele accountant dient tevens onafhankelijk te zijn ten opzichte van zijn controlecliënt en/of een met deze controlecliënt verbonden derde (art. 25a Wta, zie nader paragraaf 2.4.2.5).
Een van de onderdelen van de onafhankelijkheidsbeoordeling is de betekenis van de cliënt voor het accountantskantoor en de betrokken externe accountant. Het gaat dan om de betekenis voor de financiële positie en resultaten van het kantoor en de beloning van de externe accountant, medewerkers in het controleteam of anderen die werkzaam zijn bij of verbonden zijn aan het kantoor.
Maar het gaat ook om de betekenis van de cliënt voor de reputatie en het prestige van het accountantskantoor en de betrokken externe accountant en teamleden.3 Een zelftoets is het instrument waarmee de externe accountant dient aan te tonen dat hij onafhankelijk tot een oordeel heeft kunnen komen.
Ad d) Volgens de MvT dient onder transparantie van de controleverklaring te worden verstaan:4 ‘Vanuit het oogpunt van transparantie is vereist dat een externe accountant wordt verplicht om bij het afgeven van een accountantsverklaring expliciet aan te geven dat hij in de hoedanigheid van externe accountant opereert en dat hij dus –via de accountantsorganisatie waaraan hij verbonden of waarbij hij werkzaam is- indirect onder toezicht van de onafhankelijke publieke toezichthouder staat. Dit opdat voor het maatschappelijk verkeer duidelijk is aan welke eisen inzake vakbekwaamheid, onafhankelijkheid, objectiviteit en integriteit de accountant voldoet. Daarnaast zal verplicht worden gesteld dat de accountantsverklaring op persoonlijke titel wordt ondertekend’. Dit is relevant omdat accountantsverklaringen worden afgegeven door accountants met de beschermde titels RA en AA (zie paragraaf 1.3.1). De bescherming van deze titels draagt bij aan vertrouwen van het publiek in de accountantsverklaring.5
Ad e) De Wta stelt eisen aan de (mede) beleidsbepalers, welke door de AFM worden getoetst in het kader van de vergunning. Beleidsbepalers zijn degenen die formeel de positie van bestuurder van de accountantsorganisatie bekleden en de personen die feitelijk de dagelijkse leiding hebben over de accountantsorganisatie. Medebeleidsbepalers zijn toezichthouders, personen die meer dan 50% van de stemrechten en/of kapitaal houden in de accountantsorganisatie (en geen beleidsbepaler zijn) en bestuurders en toezichthouders van (het hoofd van) een groep.6
Pas nadat een toets van de persoon in kwestie door de AFM heeft plaatsgevonden mag de beleidsbepalende functie worden vervuld. Daarbij dient de AFM er van overtuigd te zijn dat de betrouwbaarheid van de (mede) beleidsbepalers buiten twijfel staat (artikel 15 Wta, 5 e.v. Bta). Een eenmaal getoetste persoon dient blijvend te voldoen aan de wettelijk vereiste betrouwbaarheid. Een wijziging in relevante feiten en/of omstandigheden kan aanleiding geven tot een nieuwe beoordeling door de AFM (artikel 6 Bta). Hiertoe bestaat een meldingsplicht bij de betreffende accountantsorganisatie van eventuele wijzigingen (artikel 7 Bta). Naast betrouwbaar zijn er eisen gesteld aan de hoeveelheid dagelijkse beleidsbepalers zonder vakbekwaamheid conform de Wta (artikel 16 Wta). Tot slot dienen de beleidsbepalers van accountantsorganisaties met een vergunning die niet mede strekt tot het verrichten van wettelijke controles bij OOB’s deskundig te zijn ten aanzien van het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantsorganisatie (artikel 16 lid 1 Wta). De beleidsbepalers van een accountantsorganisatie met een vergunning die mede strekt tot het verrichten van wettelijke controles bij OOB’s dienen geschikt7 te zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de accountantsorganisatie (artikel 16 lid 2 Wta).8
De eisen aan (mede)beleidsbepalers kunnen zeer globaal als volgt worden weergegeven9
Betrouwbaar
Deskundig/Geschikt
Vakbekwaam10
Meerderheid beleidsbepalers
v
v
v
Alle beleidsbepalers
v
v
–
Medebeleidsbepalers
v
–11
–
Ad f) De accountantsorganisatie dient er zorg voor te dragen dat de accountants die bij haar werkzaam zijn of aan haar verbonden zijn voldoen aan de op hen van toepassing zijnde voorschriften zoals opgenomen in Wta en Bta alsmede de Wab (artikel 14 jo 27 Wta). Zie hierover verder paragraaf 2.4.2.5.
De hiervoor besproken hoofdnormen hebben tot gevolg dat een accountantsorganisatie met een (zware dan wel lichte) vergunning in de zin van de Wta (hierna: de ‘vergunninghouder’) onder andere dient te voldoen aan de volgende eisen:
een systematische, toegankelijke en actuele cliëntenadministratie (artikel 10 Bta);
het inrichten door een individuele externe accountant van een controledossier voor elke wettelijke controle, een en ander conform de eisen die daaraan in wet- en regelgeving worden gesteld (artikel 11 Bta);
aanvaarding dan wel continuering van een opdracht tot het uitvoeren van een wettelijke controle door een individuele externe accountant pas nadat de acceptatie c.q. continueringsprocedures zijn doorlopen en beëindiging van een opdracht indien daartoe aanleiding bestaat (artikel 12-13 Bta);
adequate uitvoering van wettelijke controles (artikel 14-18 Bta);
het voeren van een beleid ten aanzien van en naleving van het stelsel van kwaliteitsbeheersing (artikel 8 en 22-24 Bta);
zorgvuldige afhandeling en vastlegging van klachten over de uitvoering van wettelijke controles (artikel 25 Bta);
tijdige melding van tuchtprocedures aan de AFM (artikel 26 Bta);12
het nemen van maatregelen in geval van een bedreiging van de onafhankelijkheid (artikel 25a en 29a Wta);
betrouwbaarheid, deskundigheid en vakbekwaamheid van de dagelijkse leiding van de accountantsorganisatie (artikel 15 en 16 Wta, art 5-7 Bta).
Naast voornoemde eisen die voor alle vergunninghouders gelden, is voor de houders van een zware vergunning sprake van aanvullende (zwaardere) eisen, dit betreft bijvoorbeeld:13
Scheiding tussen advies- en controlepraktijk
Kwaliteitsbeoordeling/‘compliance officer’
Transparantieverslag
Governance bij OOB vergunninghouder
Auditcommissie
Ad a Scheiding tussen advies- en controlepraktijk
Deze scheiding is aangebracht omdat een combinatie van dergelijke werkzaamheden bij OOB’s maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn. Op grond van de scheiding verricht de accountantsorganisatie geen wettelijke controle bij een OOB, indien zij met betrekking tot die organisatie:
op enig tijdstip gedurende de daaraan voorafgaande twee jaar de
financiële verantwoording waarop de wettelijke controle betrekking heeft,
heeft samengesteld; of
gedurende de periode waarop de financiële verantwoording
betrekking heeft of ten tijde van het verrichten van de wettelijke controle
een aanmerkelijk deel van de financiële administratie heeft verzorgd of
ingericht, onderscheidenlijk verzorgt of inricht (artikel 23 Wta).
Door het opnemen van de kwalificatie ‘aanmerkelijk deel’ wordt getracht te voorkomen dat door een financiële dienstverlening van geringe aard en omvang onmiddellijk een verboden situatie ontstaat.
Een andere scheiding van advies- en controlepraktijk is opgenomen in artikel 24 b Wta. Volgens dit artikel mag de accountantsorganisatie die wettelijke controles verricht bij een OOB, naast controlediensten geen andere werkzaamheden verrichten voor die organisatie.
Tot 1 januari 2015 was artikel 24b niet van toepassing op werkzaamheden waarvoor de opdracht aan de accountant of accountantsorganisatie was verstrekt voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet op het accountantsberoep (zijnde 1 januari 2013) (artikel 86 a lid 1 Wta).
In de EU-verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’14 is een ‘zwarte lijst’ opgenomen met niet-controlediensten die de OOB accountantsorganisaties niet mogen leveren naast controlewerkzaamheden.15 De scheiding van advies en controlepraktijk van artikel 24b Wta is echter strenger en Nederland handhaaft dit uitgangspunt.16
Met voornoemde verbodsbepalingen hangt de kantoorroulatietermijn van tien jaar17 en de partnerrotatietermijn van vijf jaar (zie 2.4.2.5 onder H) nauw samen.
Ad b Kwaliteitsbeoordeling/‘compliance officer’
Ten aanzien van OOB-vergunninghouders zijn nadere eisen gesteld met betrekking tot de bewaking van de kwaliteit. Zo dient de vergunninghouder indien sprake is van een wettelijke controle van een OOB altijd een kwaliteitsbeoordeling uit te laten voeren door een onafhankelijke beoordelaar.18 Dit betreft de opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling (‘OKB’). De OKB moet zijn afgerond alvorens overgegaan mag worden tot het afgeven van de controleverklaring.19 De OKB dient ten minste de in de EU Verordening opgenomen elementen te omvatten.20 Dit zijn bijvoorbeeld de onafhankelijkheid van de accountant(sorganisatie), de significante risico’s die relevant zijn voor de wettelijke controle en de onderwerpen die zijn besproken met het auditcomité en het bestuurs- en/of toezichthoudend orgaan van de gecontroleerde entiteit. Tevens is de aanstelling verplicht van een persoon binnen de accountantsorganisatie die (proactief) toeziet op de naleving van het stelsel van kwaliteitsbeheersing (de ‘compliance officer’).21 De ‘compliance officer’ zal een belangrijk aanspreekpunt zijn voor de beleidsbepalers van de accountantskantoren alsmede voor de AFM. De ‘compliance officer’ heeft een adviserende functie maar richt zich tevens op het beheersen van nalevingsrisico’s. De rol van de compliance officer is een andere dan die van de kwaliteitsbeoordelaar die belast is met een OKB.
Ad c Transparantieverslag
De accountantsorganisaties die bij OOB’s een controleopdracht uitvoeren, moeten aantonen dat voldaan is aan additionele eisen met betrekking tot de kwaliteitsbeheersing. Deze eisen omvatten onder andere het transparantieverslag. OOB- vergunninghouders dienen binnen vier maanden na afloop van hun boekjaar een transparantieverslag openbaar te maken om het publiek inzicht te geven in bijvoorbeeld hun bestuur, structuur, inrichting en daadwerkelijk functioneren, waaronder een lijst van de OOB’s die de betreffende organisatie controleert en informatie over de grondslag voor de beloning van de externe accountants.22 De accountantsorganisatie ondertekent dit verslag en plaatst het op haar website.23
Ad d Governance bij OOB-vergunninghouder24
De OOB-vergunninghouder dient een stelsel van onafhankelijk toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de accountantsorganisatie (waaronder de kwaliteitsbeheersing) te hebben. Er dient sprake te zijn van een toezichthoudend orgaan dat uit ten minste drie leden bestaat.25 Het toezichthoudend orgaan is bevoegd een voordracht te doen voor de benoeming van de dagelijks beleidsbepalers van de OOB vergunninghouder en mag deze schorsen en ontslaan.26 Voorts dient het toezichthoudend orgaan de in artikel 34 e lid 3 Bta opgesomde besluiten van de dagelijkse beleidsbepalers van de OOB vergunninghouder goed te keuren en dient zij geïnformeerd te worden over in de in artikel 34 g lid 2 Bta opgenomen onderwerpen, waaronder het strategisch beleid, klachten en bevindingen en conclusies van AFM onderzoeken.27 Het toezichthoudend orgaan stelt tot slot jaarlijks een verslag op dat tegelijk met het transparantieverslag op de website van de accountantsorganisatie dient te worden gepubliceerd (artikel 34 i Bta).
Ad e Auditcommissie
Wettelijke verplichting: een OOB dient een auditcommissie in te stellen. Dit betreft weliswaar geen vergunningvoorwaarde voor de accountantsorganisatie maar dit speelt wel een rol bij de wettelijke controle van OOB’s. Indien door de OOB geen auditcommissie wordt ingesteld, moet een ander orgaan worden aangewezen – bijvoorbeeld de raad van commissarissen- dat soortgelijke taken uitoefent. Als het hiervoor bedoelde orgaan is aangewezen, moet hiervan melding worden gemaakt in het jaarverslag.28
Deze verplichting is wettelijk verankerd in artikel 21a van de Wta en nader uitgewerkt in een AmvB (hierna te noemen: Besluit Audit Commissie).29 Indien een OOB ten onrechte geen auditcommissie instelt (of een ander orgaan dat deze taken uitoefent), komt de accountant voor een dilemma. Van Geffen merkt hierover op dat de verantwoordelijkheid hiervoor uiteraard bij het bestuur berust. De accountant dient inbreuken op de naleving van wet- en regelgeving echter te rapporteren. Voorts moet de accountant overwegen een opdracht terug te geven indien de controlecliënt niet die maatregelen treft die hij nodig acht om de ontstane situatie zoveel mogelijk ongedaan te maken en herhaling daarvan te vermijden.30
Governance OOB’s: indien een OOB een beursgenoteerde onderneming is, is de Nederlandse Corporate Governance Code31 (tevens) van belang. De code voorziet in de instelling van een auditcommissie. Onder deze code kan het instellen van een auditcommissie achterwege worden gelaten door gebruik te maken van het ‘pas toe of leg uit’ principe. Door de invoering van het Besluit Audit Commissie hebben beursgenoteerde OOB’s echter niet (meer) de mogelijkheid het instellen van een auditcommissie, of het toedelen van deze taken aan een ander orgaan, achterwege te laten.32 tenzij één van de in het Besluit Audit Commissie opgenomen vrijstellingen van toepassing is.33 Andere OOB’s zijn niet beursgenoteerde kredietinstellingen en verzekeraars. In beginsel hebben deze OOB’s ook een raad van commissarissen (of een daarmee vergelijkbaar orgaan).34 Uitgangspunt in de op banken en verzekeraars van toepassing zijnde corporate governance codes35 is de aanwezigheid van een auditcommissie. Op grond van het Besluit Audit Commissie is deze nu wettelijk verplicht.
Taak auditcommissie: in het Besluit Audit Commissie zijn de taken van de auditcommissie vastgelegd. Dit betreft bijvoorbeeld:
het in kennis stellen van het bestuur of de raad van commissarissen van de rechtspersoon van het resultaat van de wettelijke controle;
het monitoren van het financiële-verslaggevingsproces;
het monitoren van de doeltreffendheid van het interne beheersingssysteem, het eventuele interne auditsysteem en het risicomanagementsysteem met betrekking tot de financiële verslaggeving van de rechtspersoon;
het monitoren van de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening (artikel 2 lid 2 AMvB).
Deze taken specificeren de taken van de auditcommissie volgens de Nederlandse Corporate Governance Code 2016 (Best practice 1.5.1), te weten:
De auditcommissie bereidt de besluitvorming van de raad van commissarissen voor over het toezicht op de integriteit en kwaliteit van de financiële verslaggeving van de vennootschap en op de effectiviteit van de interne risicobeheersings- en controlesystemen van de vennootschap. Zij richt zich onder meer op het toezicht op het bestuur ten aanzien van:
de relatie met en de naleving van aanbevelingen en opvolging van opmerkingen van de interne auditor en de externe accountant;
de financiering van de vennootschap;
de toepassing van informatie- en communicatietechnologie door de vennootschap, waaronder risico’s op het gebied van cybersecurity; en
het belastingbeleid van de vennootschap.
De accountantsorganisaties die bij OOB’s een controleopdracht uitvoeren moeten over een aantal onderwerpen communiceren met de auditcommissie. Dit dient schriftelijk te gebeuren in een aanvullende verklaring op de controleverklaring. Een zeer uitvoerige lijst van onderwerpen die in deze verklaring dienen te worden besproken, is opgenomen in de EU Verordening ‘Eisen wettelijke controles van financiële overzichten van OOB’s’.36 Dit betreft bijvoorbeeld: de onafhankelijkheid van de accountantsorganisatie van de controlecliënt, eventuele significante tekortkomingen in het interne financiële controlesysteem van de gecontroleerde entiteit en enigerlei significante moeilijkheden die tijdens de wettelijke controle zijn ondervonden. Er is geen gebruik gemaakt van de door de EU Verordening geboden mogelijkheid om de accountant(sorganisatie) te verplichten om deze verklaring ook aan het leidinggevende of toezichthoudende orgaan van de OOB te zenden.37