Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.4.5.2
8.4.5.2 De VLVDL-beschikking
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS370892:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 27 december 2012, ARO 2013/11, Bb. 2013/6 m.nt. Eikelboom (VDVDL). Zie hierover ook par. 8.4.3.3.
Het desbetreffende wetsartikel (2:354 BW) rept van verantwoordelijkheid voor “onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken”. In zijn noot bij HR 25 juni 2010, JOR 2010/266 (e-Traction) onder 8 stelt Van Solinge dat de inhoud van dit begrip gelijk is aan het begrip “wanbeleid” en dat dit blijkt uit Hof Amsterdam (OK) 8 september 2008, JOR 2009/127, m.nt. Josephus Jitta (e-Traction).
HR 16 augustus 1996, NJ 1997, 37 m.nt. Maeijer (VHS).
Hof Amsterdam 28 juli 2011, JOR 2011/329 m.nt. Josephus Jitta (Königsberg).
In de VLVDL-beschikking1 had een bestuurder van de vennootschap naar het voorlopige oordeel van de ondernemingskamer zijn taak ernstig verwijtbaar onbehoorlijk vervuld. Een gevolg daarvan was dat de vennootschap niet in staat was om zekerheid voor de onderzoekskosten te stellen, alsmede voor het salaris van de door de ondernemingskamer aangestelde tijdelijke bestuurder en beheerder. Daardoor dreigde de enquête niet door te gaan. Bij onmiddellijke voorziening werd deze bestuurder bevolen om zekerheid te stellen voor het salaris van de onderzoeker, de tijdelijke bestuurder en de beheerder in de vorm van een eersteklas bankgarantie. Aldus werd hij feitelijk veroordeeld tot het betalen van een voorschot op een schadevergoeding (anders dan in geld).
Ook deze voorziening balanceert op de rand van het connexiteitsvereiste uit de DSM-beschikking. Net als inzake Bonne Route geldt ook hier weer dat het gedrag van deze bestuurder – mits aangetoond – rechtvaardigt dat maatregelen van reorganisatorische aard worden getroffen en daarop kan bovendien worden geanticipeerd bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ook hier kan weer worden betoogd dat dit moet worden gerealiseerd door het buitenspel zetten van de bestuurder. Echter, als hij zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur terzake van het kasgeld, dan kan de bestuurder op vordering van de vennootschap door de rechtbank worden veroordeeld om terzake een schadevergoeding te betalen.
Toch acht ik de inzake VLVDL getroffen voorziening geoorloofd. Daarbij maak ik een onderscheid tussen de zekerheid die gesteld moet worden voor de onderzoekskosten en de salarissen van de tijdelijke bestuurder en beheerder.
Wat betreft de zekerheid van de onderzoekskosten geldt dat, indien uit het onderzoeksverslag blijkt dat sprake is van wanbeleid2 en de bestuurder daarvoor verantwoordelijk is, hij kan worden veroordeeld om de kosten van de enquête te betalen. Anders gezegd, anticipeert de desbetreffende voorziening op een ander soort maatregel die de ondernemingskamer kan treffen bij gebleken wanbeleid. Dat rechtvaardigt mijns inziens een uitzondering op het connexiteitsvereiste uit de DSM-beschikking, voor zover daarvan al sprake zou zijn.
Sterker nog, de rechtbank is niet bevoegd om bestuurders op de voet van art. 2:9 BW te veroordelen in de kosten van de enquête3. Ook om die reden begeeft de ondernemingskamer zich dus niet op het terrein van de rechtbank, indien de ondernemingskamer een dergelijke veroordeling uitspreekt.
Wat betreft de kosten van de tijdelijke bestuurder en beheerder ligt het mogelijk wat anders. In de Königsberg-beschikking4 oordeelde de ondernemingskamer namelijk dat deze kosten niet kunnen worden verhaald op de voet van art. 2:354 BW. Een vordering tot verhaal van deze kosten dient kennelijk bij de rechtbank te worden ingesteld. Mogelijk kan uit de VLVDL-beschikking worden afgeleid dat de ondernemingskamer ook op dit punt “om” gaat. Dat staat op gespannen voet met de tekst van art. 2:354 BW, maar ik heb er geen moeite mee dat de regeling ten aanzien van de onderzoekskosten analoog wordt toegepast.
Feit is echter dat het stellen van zekerheid voor het salaris van de tijdelijke bestuurder en beheerder ertoe leidt dat hun aanstelling kan worden gecontinueerd. Aldus wordt verder wanbeleid voorkomen. In ieder geval in die zin voldoet een veroordeling daartoe aan het connexiteitsvereiste uit de DSM- beschikking.