Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.3.1
3.3.1 De naamloze en de besloten vennootschap
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS482587:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 2 juli 1928 (Stb. 216), inwerking getreden op 1 april 1929 (Stb. 364).
Zie Handboek 1992, nr. 47 noot 1, waar onder meer verwezen wordt naar Molengraaff 1903, p. 191; en Houwing 1939, p. 151. Voor een uitgebreider overzicht, zie Handboek 1955, nr. 42, noot 1. Voorbeelden uit de rechtspraak treft men in Handboek 1992, nr. 47 noot 2. Overigens was de opvatting dat de naamloze vennootschap een contractueel karakter had niet onomstreden. Zie onder meer Hamaker 1911-1913, p. 269.
Van der Grinten 1956, p. 8. Hoe groot de invloed van Van der Grinten op de rechtsvorming in Nederland was, spreekt uit het feit dat het betreffende preadvies in 1957 een prominente rol speelt bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer over de definitie van de naamloze vennootschap in het art. 2.3.1.1 van het Ontwerp-BW (zie Parl. Gesch. Boek 2 Rechtspersonen, p. 552).
Boek 2 is vastgesteld bij Wet van 12 mei 1960 (Stb. 205), ingevoerd bij Wet van 8 april 1976 (Stb. 228 en 229).
Zie onder andere Timmerman 1983, p. 136; Van Schilfgaarde/Winter 2009, p. 28; De Monchy 2007, p. 414.
Art. 36 WvK, zoals dat in 1929 werd ingevoerd,1 luidde: ‘De naamloze vennootschap is de vennootschap met een in aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal, waarin ieder der vennoten voor een of meer aandelen deelneemt. De vennoten (aandeelhouders) zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam der vennootschap wordt verricht. De vennootschap wordt, op straffe van nietigheid, opgericht bij notariële akte.’. Decennia lang werd de naamloze vennootschap in brede kring2 gezien als een gekwalificeerde maatschap die rechtspersoonlijkheid bezat (art. 37 WvK). Eind jaren vijftig trad een kentering in met betrekking tot het denken over de naamloze vennootschap, en won de zogenaamde institutionele opvatting terrein. Dichtte Van der Grinten in de zesde druk van het Handboek (1955) de naamloze vennootschap nog een contractueel karakter toe, een jaar later meende hij dat niet langer te ontkennen viel dat de n.v. een eigen karakter heeft, die haar tot een eigen rechtsvorm maakt, naast die van andere vennootschappen.3 De kentering kan men niet los zien van de invoering van een Nieuw Burgerlijk Wetboek, waarvan een Boek ‘Rechtspersonen’ deel uitmaakte. De invoering van Boek 2 BW in 1976,4 waarmee de bepalingen inzake de naamloze vennootschap verdwenen uit het Wetboek van Koophandel, maakte een definitief einde aan de discussie over het contractuele karakter van de naamloze (en inmiddels ook de besloten) vennootschap.
De naamloze en de besloten vennootschap onderscheiden zich van andere rechtspersonen door een structuur met een in overdraagbare aandelen verdeeld kapitaal. Deze structuur maakt ze onder andere geschikt om, in concernverband, (omvangrijke) ondernemingsactiviteiten te ontplooien. Kapitaalverschaffing en bedrijfsvoering kunnen van elkaar worden gescheiden; de deelnemers (aandeelhouders) zijn slechts gehouden tot inbreng van geld of andere op geld waardeerbare vermogensbestanddelen. De vennootschap is een lange termijn samenwerkingsverband van diverse partijen.5 Hoewel daartoe ook werknemers behoren, is ten gevolge van de principiële keus die de wetgever eind jaren veertig heeft gemaakt om bij de inrichting van medezeggenschap de onderneming als aanknopingspunt te nemen, binnen de structuur van de vennootschap, behoudens in het structuurregime, voor hen geen plaats ingeruimd.