Vergelijk de beschikking van het hof van 10 juli 2014 onder 3.1-3.4 en de beschikking van de rechtbank van 2 juli 2013, pag. 2, onder het kopje ‘De beoordeling’, tweede alinea, alsmede p. 7 onder a.
HR, 23-02-2018, nr. 16/06046
ECLI:NL:HR:2018:270
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-02-2018
- Zaaknummer
16/06046
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Arbeidsrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:270, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑02‑2018; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1284, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:1284, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑11‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:270, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑02‑2017
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑12‑2016
- Vindplaatsen
NJ 2018/259 met annotatie van L.C.A. Verstappen
PFR-Updates.nl 2018-0063
JPF 2019/1 met annotatie van Prof. dr. B.E. Reinhartz
JPF 2019/1 met annotatie van Prof. dr. B.E. Reinhartz
Uitspraak 23‑02‑2018
Inhoudsindicatie
Huwelijksgoederenrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. Omvang gemeenschap, verknochtheid van tweetal ontslagvergoedingen (art. 1:94 BW), waarvan één is ondergebracht in een stamrecht-B.V. en de andere contant aanwezig is gebleven. Aanspraak die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid: onderscheid tussen periode vóór en na ontbinding huwelijksgemeenschap (zie o.a. HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292). Aanspraak op stamrecht verknocht indien deze bedoeld was als oudedagsvoorziening? Verdeling inboedelgoederen.
Partij(en)
23 februari 2018
Eerste Kamer
16/06046
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum,
t e g e n
[de man],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/01/252758/FA RK 12-4950 van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli 2013;
b. de beschikkingen in de zaken F 200.134.690/01 en F 200.134.691/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 juli 2014, 11 september 2014, 4 juni 2015, 20 augustus 2015, 8 oktober 2015, 31 maart 2016 en 15 september 2016.
De beschikkingen van het hof van 10 juli 2014,8 oktober 2015, 31 maart 2016 en 15 september 2016 zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de laatstgenoemde beschikkingen van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekesten het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het incidenteel beroep van de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel te verwerpen. De man heeft verzocht het principaal beroep en het beroep van de vrouw op niet-ontvankelijkheid van het incidenteel beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt zowel in het principaal als in het incidenteel beroep tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de vrouw en de advocaat van de man hebben ieder bij brief van 30 november 2017 op die conclusie gereageerd.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1
Voor zover in cassatie van belang kan van het volgende worden uitgegaan.
- -
i) Partijen zijn op 3 oktober 1986 gehuwd in gemeenschap van goederen.
- -
ii) De man heeft ontslagvergoedingen ontvangen van Tele Atlas N.V. en TomTom. De ontslagvergoeding van Tele Atlas N.V. heeft de man ondergebracht in een stamrecht-B.V.
- -
iii) De rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2013 echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
- -
iv) De echtscheidingsbeschikking is op 2 oktober 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.1
De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld. In dat kader heeft de rechtbank bepaald dat een door de man van TomTom ontvangen ontslagvergoeding niet aan hem is verknocht en door partijen bij helfte dient te worden gedeeld. De stamrechtvoorziening die is gefinancierd uit de door de man van Tele Atlas N.V. ontvangen ontslagvergoeding, is naar het oordeel van de rechtbank wel aan de man verknocht.
3.2.2
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover het betreft de echtelijke woning en de inboedel.
3.2.3
Met betrekking tot de vraag of de ontslagvergoedingen aan de man verknocht zijn, heeft het hof in zijn tussenbeschikking van 10 juli 2014 overwogen:
“Ad f) De ontslagvergoeding van TomTom (grief 5 van de man)
(…)
3.9.2. (…)
Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat dat goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In zijn arrest van 22 maart 1996, NJ 1996/640 oordeelde de Hoge Raad over de verknochtheid van een ontslagvergoeding dat wanneer in verband met de beëindiging van een dienstbetrekking aan de werknemer een schadeloosstelling wordt toegekend en uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, dit geen reden is om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van echtgenoten omvat.
De Hoge Raad zag in zijn arrest van 17 oktober 2008, NJ 2009/41 echter wel aanleiding een uitzondering op die regel te maken. In dat geval ging het om aanspraken voortvloeiende uit een tussen de werknemer en diens werkgever in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gesloten overeenkomst, op grond waarvan de werkgever bij die beëindiging een koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij had gestort en waaruit de werknemer tot de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen periodieke uitkeringen zou ontvangen, waardoor zijn inkomen zou worden aangevuld tot 70% van zijn laatstgenoten salaris. In die situatie vallen de aanspraken die zien op de periode na de ontbinding van het huwelijk niet in de gemeenschap, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de werknemer, bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding, zou hebben genoten als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon, aldus de Hoge Raad.
Nu de man een geldbedrag ineens heeft ontvangen, welk geldbedrag niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering, geldt de door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel dat deze ontslagvergoeding niet verknocht is. De man heeft de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst van TomTom niet overgelegd, zodat door het hof ook niet kan worden vastgesteld of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris. In het geheel is niet duidelijk geworden welke bestemming de door de man ontvangen gelden hebben gekregen.
De door de rechtbank en de man aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2012 (LJN: BY0957) maakt dat niet anders. Immers, de uitspraak in die zaak ziet op een geval van schadevergoeding bij letselschade, hetgeen een geheel andere situatie is dan in de onderhavige zaak aan de orde.
(…)
Ad h) MiLéNi B.V. (grieven 7, 8, 9 en 10 van de vrouw)
(…)
3.11.2. (…)
De man heeft de door hem van Tele Atlas N.V. ontvangen ontslagvergoeding ondergebracht in een stamrecht-B.V., te weten MiléNi B.V. De man heeft als productie 8d bij het verweerschrift de onderliggende overeenkomst tussen Tele Atlas N.V. en de man overgelegd. In artikel 2 van die overeenkomst staat:
“Tele Atlas will in its petition offer [de man] a termination lump sum compensation of € 720.800,-- gross, as a compensation for loss of (future) income and as a supplement to any unemployment or any benefits or any lower salary which [de man] may receive elswhere. This amount may be adapted in accordance with article 5 hereof.
The methods of payment shall be at [de man]’s discretion, provided that from a tax perspective it remains within acceptable and legal limits. [de man] will in his defence accept this compensation as reasonable.
In the event that [de man] wishes to receive the payment for a future right to periodical payments (“stamrecht”) within the meaning of Articel 11 (1) (g) of the Dutch 1964 Wages and Salaries Tax Act (“Wet op de loonbelasting 1964”) he will provide Tele Atlas timely with the articles of incorporation of this “standing right” company and with the “standing right agreement” in order to enable Tele Atlas to determine - prior to payment - that such a payment without any deduction of taxes is allowed in accordance with Dutch tax law. Payment will take place after the share transfer as mentioned in article 5 has taken place.”
Artikel 2 van de stamrechtovereenkomst luidt:
“Het recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon voorziet in aan ondergetekende sub 1 toekomende:
a. Periodieke uitkeringen die ingaan in het jaar waarin ondergetekende sub 1 de leeftijd van 65 jaar bereikt,
b. Aanvullende periodieke uitkeringen, ingaande per 1 januari 2005, als aanvulling op het inkomen uit tegenwoordige arbeid, indien het inkomen uit tegenwoordige arbeid van ondergetekende sub I niet hoger is dan € 75.000,- (…) gemeten per ultimo van ieder kalenderjaar gedurende de periode vóór het bereiken van de 65jarige leeftijd van ondergetekende sub 1. De totale aanvullende periodieke uitkering plus het inkomen uit tegenwoordige arbeid van ondergetekende sub I bedraagt per jaar maximaal € 75.000. (…)”
Gelet op de vaste jurisprudentie en voornoemde bepaling in de overeenkomst tussen Tele Atlas N.V. en de man alsmede artikel 2 van de stamrechtovereenkomst is het hof van oordeel dat de stamrechtvoorziening van Tele Atlas N.V. als verknocht moet worden beschouwd.”
3.2.4
Het hof heeft een deel van de inboedel aan de vrouw toegedeeld en vastgesteld dat de boedel overigens is verdeeld. Met betrekking tot de inboedel overwoog het hof in zijn tussenbeschikking van 10 juli 2014:
“3.8.1. De vrouw acht de door de rechtbank bepaalde verdeling van de inboedel volstrekt willekeurig en onredelijk. De lijst van de deurwaarder is bovendien niet compleet. De vrouw wil alsnog in de gelegenheid worden gesteld om de inboedellijst te completeren en haar voorkeur voor aan haar toe te delen inboedelgoederen aan te geven. Voorts wil de vrouw haar persoonlijke goederen, de aan haar verknochte goederen en stelt zij dat de niet in de gemeenschap vallende goederen van de moeder van de vrouw aan haar worden afgegeven.
(…)
3.8.3.
Het hof is van oordeel dat aan de vrouw dienen te worden toegedeeld de door de vrouw in productie 28 genoemde “spullen van de overleden moeder van de vrouw” (pagina 1), “persoonlijke spullen van de vrouw” (pagina 2 tot en met 4), alsmede de wieg, de keukentafel met laatjes, het antieke bordenrek, de piano met kruk en lamp. In hetgeen de man te dien aanzien heeft gesteld ziet het hof onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Nu de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans partijen daarover te weinig hebben gesteld en onderbouwd, en partijen ieder beschikken over een volledig ingerichte woning, zal het hof beslissen dat daarmee de inboedel is verdeeld en partijen over en weer niets meer van elkaar hebben te vorderen.”
4. Beoordeling van onderdeel 1 in het principale beroep en het middel in het incidentele beroep
4.1.1
Onderdeel 1 in het principale beroep is gericht tegen het hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordeel van het hof in rov. 3.11.2 van de tussenbeschikking van 10 juli 2014 dat de aanspraak van de man op zijn stamrecht-B.V. ter zake van de ontslagvergoeding van Tele Atlas N.V. als aan de man verknocht moet worden beschouwd.
Het incidentele middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.9.2 van die tussenbeschikking(zie eveneens hiervoor in 3.2.3) dat de ontslagvergoeding van TomTom niet verknocht is aan de man.
4.1.2
Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.
4.1.3
Art. 1:94 lid 3 (oud) BW bepaalde dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Bij de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, is deze regeling omtrent verknochtheid ongewijzigd opgenomen in het huidige art. 1:94 lid 5 BW (vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 987, nr. 6, p. 16). In dit geding is nog art. 1:94 lid 3 (oud) BW van toepassing.
4.1.4
Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art.1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 (oud) BW) afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292). Ook een aan een van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op een) ontslagvergoeding, dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, kan verknocht zijn ingeval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. In zodanig geval moet bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. In eerdere uitspraken heeft de Hoge Raad overeenkomstig dit uitgangspunt geoordeeld in een geval waarin een ontslagvergoeding als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij was gestort (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41) en in een geval waarin een ontslagvergoeding was aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V. (zie de eerder genoemde beschikking van HR 24 juni 2016).
4.1.5
Het zojuist genoemde uitgangspunt geldt ook indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht-B.V. Anders dan kan worden afgeleid uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640, bestaat er onvoldoende grond om te oordelen dat de vergoeding dan geheel in de gemeenschap valt, ook voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten. Voor dat gedeelte valt de vergoeding, voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren, niet in de gemeenschap.
4.1.6
De hiervoor in 4.1.4 genoemde rechtspraak heeft betrekking op aanspraken strekkend tot vervanging van inkomen uit arbeid dat een echtgenoot bij voortzetting van zijn dienstbetrekking zou hebben genoten. Voor zover de aanspraak ertoe strekt te voorzien in inkomen na pensionering (‘oudedagsvoorziening’), valt deze – bij niet-toepasselijkheid van art. 1:94 lid 2, onder b, BW – in beginsel wel in de gemeenschap. Immers, anders dan aanspraken ter vervanging van inkomen dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap uit arbeid zou zijn genoten, dienen dergelijke pensioenaanspraken die tot uitkering komen na zodanige ontbinding, voor zover zij zijn opgebouwd tijdens het huwelijk, in beginsel mede tot verzorging van de andere echtgenoot.
Onderdeel 1 in het principale beroep: de aanspraak op de stamrecht-B.V.
4.2.1
Onderdeel 1 onder a, betreffende de aanspraken van de man jegens de stamrecht-B.V., klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van de vrouw dat de ontslagvergoeding en/of de aanspraken uit hoofde van de stamrechtovereenkomst altijd bedoeld zijn geweest als oudedagsvoorziening.
4.2.2
Deze klacht slaagt. Zoals kan worden afgeleid uit HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295, NJ 2009/40, dient de aanspraak uit hoofde van de stamrechtovereenkomst zelfstandig – dus los van de ontslagvergoeding waaruit deze aanspraak is gefinancierd – op verknochtheid te worden beoordeeld.
Uit de door het hof aangehaalde (hiervoor in 3.2.3 weergegeven) passage uit de stamrechtovereenkomst blijkt dat deze onder meer voorziet in periodieke uitkeringen nadat de man de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.6 is overwogen, had het hof de stelling van de vrouw dat de ontslagvergoeding en/of de aanspraken uit hoofde van de stamrechtovereenkomst altijd bedoeld zijn geweest als oudedagsvoorziening, niet onbehandeld mogen laten. Indien die stelling juist is, zou dat immers tot het oordeel kunnen leiden dat de aanspraak van de man uit hoofde van de stamrechtovereenkomst in de gemeenschap valt.
4.2.3
Onder b stelt onderdeel 1 dat het hof heeft miskend dat het had moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak jegens de stamrecht-BV ziet op de periode voor respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.
4.2.4
Ook deze klacht slaagt. Uitgaande van zijn oordeel dat de aanspraak van de man op de stamrecht-B.V. strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid, had het hof moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak ziet op de periode vóór respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (zie hiervoor in 4.1.4). Anders dan de man in cassatie aanvoert, kon het hof deze beoordeling niet achterwege laten op de grond dat de vrouw niet met zoveel woorden subsidiair heeft bepleit dat de aanspraak tenminste gedeeltelijk in de gemeenschap valt.
Het middel in het incidentele beroep: de ontslagvergoeding van TomTom
4.3.1
De vrouw heeft het verweer gevoerd dat de man geen belang heeft bij zijn klachten, omdat na verwijzing geen andere uitkomst mogelijk is. De vrouw heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de man geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de bestemming van de ontslagvergoeding niet is komen vast te staan en dat de man heeft erkend dat de vrouw recht heeft op de helft van de ontslagvergoedingen. Dit verweer faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4-3.7.
4.3.2
Het middel bestrijdt onder A en D het oordeel van het hof in rov. 3.9.2 van zijn tussenbeschikking van 10 juli 2014 dat de door de man van TomTom ontvangen ontslagvergoeding niet verknocht is, nu het daarmee gemoeide geldbedrag niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering. Volgens de onderdelen getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting.
4.3.3
Deze klacht slaagt. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1.5 is overwogen, volgt dat, ook als een ontslagvergoeding in de vorm van een geldbedrag ineens is ontvangen en dit bedrag niet wordt aangewend voor de aankoop van een stamrecht(verzekering), sprake kan zijn van verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW.
4.3.4
Volgens het middel onder B is onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de man de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst niet heeft overgelegd, zodat door het hof niet kan worden vastgesteld of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris.
4.3.5
Ook deze klacht slaagt. De man heeft in eerste aanleg bij brief van 1 mei 2013 (als bijlage 18) de zogenoemde ‘term sheet’ overgelegd, waarin mede op de ontslagvergoeding wordt ingegaan. De man heeft bovendien in appel bij brief van 18 april 2014 (als bijlage 39) overgelegd een passage uit een concept-arbeidsovereenkomst met TomTom die op de ontslagvergoeding betrekking heeft. In het licht hiervan is het oordeel van het hof dat de man de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst niet heeft overgelegd en dat het niet kan vaststellen of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris, zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
4.3.6
Onder C klaagt het middel dat onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, het oordeel van het hof dat in het geheel niet duidelijk is geworden welke bestemming de door de man ontvangen gelden hebben gekregen.
4.3.7
Voor zover in het oordeel van het hof besloten zou liggen dat de man onvoldoende heeft gesteld over hetgeen met het van TomTom ontvangen geldbedrag is gebeurd, slaagt de klacht. In de feitelijke instanties heeft de man immers gemotiveerd gesteld dat de ontslagvergoeding nog aanwezig is (vgl. hiervoor in 4.1.5). Voor het overige behoeft de klacht geen behandeling.
5. Beoordeling van de overige klachten in het principale beroep
5.1
Onderdeel 3 klaagt dat het hof in rov. 18.3 en het dictum van zijn eindbeschikking bij de tussen partijen te verrekenen bedragen, niet de kosten van de vakantie in New York heeft betrokken. De klacht slaagt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.15.
5.2.1
Onderdeel 5 richt een klacht tegen de beslissing van het hof over de verdeling van de inboedel in rov. 3.8.3 van de tussenbeschikking van 10 juli 2014 (hiervoor weergegeven onder 3.2.4). Volgens de klacht is het hof ten onrechte niet ingegaan op de stelling van de vrouw dat bepaalde inboedelzaken aan haar verknocht zijn.
5.2.2
De vrouw heeft in appel, in het kader van haar grief tegen de wijze waarop de rechtbank de inboedel heeft verdeeld (grief 11), betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met verknochtheid en het persoonlijke karakter van bepaalde goederen. De vrouw heeft (als productie 28) lijsten overgelegd, waarop onder meer de “persoonlijke spullen” van de vrouw zijn vermeld. Daarnaast is op deze lijsten een aantal inboedelgoederen aangeduid als “verknocht”. Hierbij gaat het blijkens de bij de desbetreffende inboedelgoederen gegeven toelichting veelal om inboedelgoederen die aan de vrouw geschonken zijn. Uit de toelichting op grief 11 blijkt dat het de vrouw in wezen erom te doen was dat deze inboedelgoederen aan haar zouden worden toegedeeld. Dienovereenkomstig heeft het hof het standpunt van de vrouw in rov. 3.8.1 van de beschikking van 10 juli 2014 als volgt weergegeven: “Voorts wil de vrouw haar persoonlijke goederen, de aan haar verknochte goederen en stelt zij dat de niet in de gemeenschap vallende goederen van de moeder van de vrouw aan haar worden afgegeven.”
5.2.3
De inboedelgoederen die de vrouw aldus toegedeeld wenste te krijgen, heeft het hof slechts ten dele aan haar toegedeeld. Het hof heeft in dit verband overwogen, voor zover hier relevant, dat de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans dat partijen daarover te weinig hebben gesteld en onderbouwd, en dat partijen ieder beschikken over een volledig ingerichte woning.
5.2.4
Aldus heeft het hof zijn oordeel in het licht van de hiervoor in 5.2.2 weergegeven stellingen van de vrouw ontoereikend gemotiveerd. Dat de desbetreffende inboedelgoederen niet van enige waarde zijn en dat de vrouw beschikt over een volledig ingerichte woning, laat immers onverlet dat bepaalde inboedelgoederen voor de vrouw van bijzondere betekenis kunnen zijn en dat zij dus belang kan hebben bij toedeling van deze inboedelgoederen. In het onderdeel liggen mede hierop gerichte klachten besloten, zodat het in zoverre slaagt.
5.3
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale en in het incidentele beroep:
vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 10 juli 2014 en 15 september 2016;
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 23 februari 2018.
Conclusie 10‑11‑2017
Inhoudsindicatie
Huwelijksgoederenrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. Omvang gemeenschap, verknochtheid van tweetal ontslagvergoedingen (art. 1:94 BW), waarvan één is ondergebracht in een stamrecht-B.V. en de andere contant aanwezig is gebleven. Aanspraak die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid: onderscheid tussen periode vóór en na ontbinding huwelijksgemeenschap (zie o.a. HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292). Aanspraak op stamrecht verknocht indien deze bedoeld was als oudedagsvoorziening? Verdeling inboedelgoederen.
Partij(en)
Zaaknr: 16/06046
mr. W.L. Valk
Zitting: 10 november 2017
Conclusie inzake:
[de vrouw]
tegen
[de man]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.
Deze zaak betreft de verdeling en afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zoals die tussen partijen heeft bestaan. In cassatie zijn de volgende vragen aan de orde: of de door de man van zijn voormalige werkgevers ontvangen (ontslag)vergoedingen aan hem verknocht zijn, of de vrouw jegens de man een vergoedingsrecht heeft ter zake van een bankrekening bij ABN AMRO Bank, of de te verrekenen kosten van een vakantie van de vrouw met de kinderen is meegenomen in de opstelling van de over en weer door partijen te betalen bedragen, of bij de waardebepaling van de voormalige echtelijke woning de juiste peildatum is aangehouden en of het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van de vrouw inzake de verknochtheid van enkele goederen.
1. Feiten en procesverloop
1.1.
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
1.1.1.
Partijen zijn op 3 oktober 1986 gehuwd in gemeenschap van goederen. De man is geboren op [geboortedatum] 1956 en de vrouw op [geboortedatum] 1956.
1.1.2.
Uit het huwelijk van partijen zijn drie thans meerderjarige kinderen geboren.
1.1.3.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de voormalige echtelijke woning).
1.1.4.
De rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 2 juli 2013 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 2 oktober 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
1.2.
De man heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, verzocht de huwelijksgemeenschap te verdelen.
1.3.
De rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2013 de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.
1.4.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld en onder meer grieven gericht tegen oordelen van de rechtbank omtrent de voormalige echtelijke woning, de inboedel, de door de man ontvangen vergoedingen van Tele Atlas N.V. (hierna: Tele Atlas) en TomTom, de verrekening tussen partijen en de bankrekeningen. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en onder meer grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de ontslagvergoeding van TomTom.
1.5.
Het hof heeft op 10 juli 2014, 11 september 2014, 4 juni 2015 (verbeterd op 20 augustus 2015), 8 oktober 2015, 31 maart 2016 en 15 september 2016 (tussen)beschikkingen gegeven, waarin het hof onder meer als volgt heeft geoordeeld.
1.5.1.
Met betrekking tot de door de man van zijn voormalige werkgevers ontvangen (ontslag)vergoedingen heeft het hof de beschikking van de rechtbank bevestigd. Daartoe heeft het hof in rechtsoverweging 3.11.2 van de beschikking van 10 juli 2014 met betrekking tot de ontslagvergoeding van Tele Atlas, die is gestort in een stamrecht-BV, kort samengevat, overwogen dat deze gelet op vaste jurisprudentie en de bepalingen in de stamrechtovereenkomst aan de man verknocht is. In rechtsoverweging 3.9.2 van dezelfde beschikking heeft het hof met betrekking tot de ontslagvergoeding van TomTom overwogen dat deze gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad niet aan de man verknocht is omdat de vergoeding ineens door de man is ontvangen, de aan de ontslagvergoeding van TomTom ten grondslag liggende overeenkomst niet is overgelegd zodat het doel van de ontvangen gelden niet vastgesteld kan worden, niet duidelijk is welke bestemming de gelden hebben gekregen en de regel uit HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 niet van toepassing is omdat het in die zaak ging om een letselschade-uitkering.
1.5.2.
Bij eindbeschikking van 15 september 2016 heeft het hof bepaald dat de vrouw ter zake van verrekening een bedrag van € 24.164,13 aan de man moet voldoen. Het hof heeft daartoe onder meer in rechtsoverweging 15.7.2 van de beschikking van 31 maart 2016 overwogen dat de aanspraak van de vrouw ter zake van de ABN AMRO-rekening niet kan worden aanvaard omdat de berekening van de door de vrouw genoemde bedragen onvoldoende inzichtelijk is en niet vast te stellen is of de overboekingen van de ABN AMRO-rekening zien op kosten van de huishouding of levensonderhoud. Voorts heeft het hof in rechtsoverweging 15.9.5 van de beschikking van 31 maart 2016 overwogen dat de creditcardschuld per 14 september 2013 moet worden verdeeld in die zin dat beide partijen de helft van deze schuld moeten dragen.
1.5.3.
Bij eindbeschikking van 15 september 2016 heeft het hof de beschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd, onder meer met betrekking tot het bedrag van de overbedeling ter zake van de voormalige echtelijke woning en bepaald dat de man dienaangaande € 167.416,— aan de vrouw moet voldoen. Die beslissing berust op de uitkomsten van een door het hof bij de beschikking van 10 juli 2014 bevolen deskundigenonderzoek. In rechtsoverweging 11.9 en 11.10 van de beschikking van 4 juni 2015 heeft het hof de bezwaren van partijen tegen het deskundigenrapport verworpen.
1.5.4.
Bij eindbeschikking van 15 september 2016 heeft het hof een aantal inboedelgoederen aan de vrouw toebedeeld en vastgesteld dat de inboedel voor het overige is verdeeld. Daartoe heeft het hof in rechtsoverweging 3.8.3 van de beschikking van 10 juli 2014 overwogen dat aan de vrouw de goederen moeten worden toebedeeld die door haar in productie 28 zijn genoemd, alsmede dat de inboedel daarmee is verdeeld, nu de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans dat partijen daarover te weinig hebben gesteld, en zij over een ingerichte woning beschikken.
1.6.
Op 14 december 2016 heeft de vrouw tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende incidenteel cassatieberoep. De vrouw heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend. De man heeft een verweerschrift inzake het beroep van de vrouw op art. 3:303 BW ingediend.
2. Bespreking van het principale cassatiemiddel
2.1.
Onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel betreft de door de man van Tele Atlas ontvangen ontslagvergoeding die is ondergebracht in MiLéNi B.V. en richt zich tegen rechtsoverweging 3.11.2 van de beschikking van 10 juli 2014, waarin het hof heeft overwogen:
‘3.11.2. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof verwijst voor wat betreft de heersende jurisprudentie op het punt van verknochtheid van ontslagvergoedingen naar rov. 3.9.2 van deze beschikking. De man heeft de door hem van Tele Atlas N.V. ontvangen ontslagvergoeding ondergebracht in een stamrecht-B.V., te weten MiléNi B.V. De man heeft als productie 8d bij het verweerschrift de onderliggende overeenkomst tussen Tele Atlas N.V. en de man overgelegd. In artikel 2 van die overeenkomst staat:
“Tele Atlas will in its petition offer [de man] a termination lump sum compensation of € 720.800,— gross, as a compensation for loss of (future) income and as a supplement to any unemployment or any benefits or any lower salary which [de man] may receive elsewhere. This amount may be adapted in accordance with article 5 hereof.
The methods of payment shall be at [de man]’s discretion, provided that from a tax perspective it remains within acceptable and legal limits. [de man] will in his defence accept this compensation as reasonable.
In the event that [de man] wishes to receive the payment for a future right to periodical payments (“stamrecht”) within the meaning of Article 11 ( 1) (g) of the Dutch 1964 Wages and Salaries Tax Act (“Wet op de loonbelasting 1964”) he will provide Tele Atlas timely with the articles of incorporation of this “standing right” company and with the “standing right agreement” in order to enable Tele Atlas to determine – prior to payment – that such a payment without any deduction of taxes is allowed in accordance with Dutch tax law. Payment will take place after the share transfer as mentioned in article 5 has taken place.”
Artikel 2 van de stamrechtovereenkomst luidt:
“Het recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon voorziet in aan ondergetekende sub 1 toekomende:
a. Periodieke uitkeringen die ingaan in het jaar waarin ondergetekende sub 1 de leeftijd van 65 jaar bereikt,
b. Aanvullende periodieke uitkeringen, ingaande per 1 januari 2005, als aanvulling op het inkomen uit tegenwoordige arbeid, indien het inkomen uit tegenwoordige arbeid van ondergetekende sub I niet hoger is dan € 75.000,— (zegge: vijfenzeventigduizend EURO) gemeten per ultimo van ieder kalenderjaar gedurende de periode vóór het bereiken van de 65jarige leeftijd van ondergetekende sub 1. De totale aanvullende periodieke uitkering plus het inkomen uit tegenwoordige arbeid van ondergetekende sub I bedraagt per jaar maximaal € 75.000. (...)”
Gelet op de vaste jurisprudentie en voornoemde bepaling in de overeenkomst tussen Tele Atlas N.V. en de man alsmede artikel 2 van de stamrechtovereenkomst is het hof van oordeel dat de stamrechtvoorziening van Tele Atlas N.V. als verknocht moet worden beschouwd.
De stellingen van de vrouw dat sprake zou zijn van onregelmatigheden in de overgelegde stukken heeft zij onvoldoende onderbouwd. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals door de vrouw is verzocht. Voorts heeft de vrouw niet nader onderbouwd waarom van de contante waarde van de belastingclaim moet worden uitgegaan. Aan de stelling van de vrouw dat de lening van MiléNi B.V. geen € 795.661,— maar € 750.800,— bedraagt dient om diezelfde voorbij te worden gegaan.
Gelet op het voorgaande falen de grieven 7 tot en met 10 van de vrouw en dienen de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot MileNi B.V. en de stamrechtvoorziening te worden bekrachtigd.’
2.2.
Het onderdeel bestaat uit twee subonderdelen. Subonderdeel 1a klaagt dat het oordeel van het hof niet voldoet aan de daaraan te stellen motiveringseisen. De vrouw heeft onder meer gesteld dat de ontslagvergoeding door de man c.q. door partijen altijd bedoeld is geweest als oudedagsvoorziening. Verder heeft de vrouw een e-mail van de man overgelegd waarin de man zegt dat hij de stamrecht-BV altijd heeft gezien als hun pensioenvoorziening omdat hij in zijn werkzaam leven bij werkgevers niet veel aan pensioen heeft opgebouwd. De vrouw stelt dat dit een essentiële stelling betreft die het hof niet onbehandeld of impliciet ongemotiveerd had mogen verwerpen, nu deze stelling het standpunt inhoudt dat sprake is geweest van een bestemmingswijziging van de ontslagvergoeding en dat aanvaarding van deze stelling meebrengt dat van verknochtheid geen sprake meer is.
2.3.
Subonderdeel 1b betoogt, onder verwijzing naar de beschikking van uw Raad van 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292, dat het hof heeft miskend dat bij de beantwoording van de vraag of een aanspraak jegens een stamrecht-BV in de huwelijksgemeenschap valt, onderzocht moet worden in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voorts is de conclusie van het hof dat de aanspraak van de man op de stamrecht-BV verknocht is in het licht van de voornoemde beschikking van de Hoge Raad onbegrijpelijk, nu de ontslagvergoeding ruimschoots voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap is ontvangen, aldus de vrouw.
2.4.
Wezenlijk voor de onderhavige zaak is dat de door de man van Tele Atlas ontvangen ontslagvergoeding strekte tot vergoeding van door de man te lijden inkomensverlies in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, maar de man ervoor heeft gekozen om die vergoeding in een stamrecht-BV te storten waaruit vooral ná het bereiken door de man van de 65-jarige leeftijd (dus vanaf 2021) uitkeringen zullen plaatsvinden (naast eventuele uitkeringen tot aanvulling van zijn arbeidsinkomen tót het bereiken van de 65-jarige leeftijd).
2.5.
Het hof heeft beslist dat de stamrechtsvoorziening als verknocht moet worden beschouwd en heeft daartoe enkel in algemene zin verwezen naar ‘de vaste jurisprudentie’ en naar de inhoud van de overeenkomst met Tele Atlas en artikel 2 van de stamrechtovereenkomst.
2.6.
Subonderdeel 1a berust klaarblijkelijk op de opvatting dat indien een stamrecht bedoeld is als oudedagsvoorziening, dat stamrecht niet, of in beginsel niet als verknocht dient te gelden. Mij dunkt dat voor die opvatting veel is te zeggen. De vraag of een goed, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 BW aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW – kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord, maar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.2.Mijns inziens behoort met betrekking tot een oudedagsvoorziening te worden aangenomen dat als het huwelijk door echtscheiding eindigt, die voorziening, voor zover voorafgaande aan de echtscheiding opgebouwd, niet verknocht is en dus bij de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in aanmerking moet worden genomen. De analogie met pensioenaanspraken ligt immers alleszins voor de hand (in de strikte zin van het woord is de onderhavige oudedagvoorziening geen pensioenaanspraak, maar de strekking van de voorziening is niet wezenlijk anders dan die van pensioen).3.Vergelijk ook HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:502, RvdW 2016/442. In die zaak had het hof vastgesteld dat de man aan zijn aanspraak jegens zijn voormalige werkgever de bestemming van een oudedagsvoorziening had gegeven en daaraan de gevolgtrekking verbonden dat die voorziening in de huwelijksgemeenschap viel en dus tussen partijen moest worden verdeeld. Het daartegen gerichte onderdeel 3 van het cassatiemiddel is door uw Raad met toepassing van art. 81 Wet RO verworpen.
2.7.
Waar het hof niets over de stellingen van de vrouw omtrent het karakter van het stamrecht als oudedagsvoorziening heeft overwogen, moeten we naar de gedachtegang van het hof gissen. Mogelijk4.is die gedachtegang geweest dat de strekking van de oorspronkelijke aanspraak op Tele Atlas beslissend is, omdat indien die aanspraak niet verknocht was, tegen de achtergrond van de zaaksvervangingsregel ook de aanspraak op de stamrecht-BV dat niet is. Die gedachtegang is echter niet juist. Voor de vraag in hoeverre een vervangend goed verknocht is, is de eigen aard van dat goed beslissend en niet de aard van het oorspronkelijke goed.5.Dat lijkt ook recent nog mede de opvatting van de wetgever te zijn.6.
2.8.
Subonderdeel 1a treft dus doel.
2.9.
Als over het lot van subonderdeel 1a al anders zou moeten worden gedacht, treft in ieder geval subonderdeel 1b doel. In het licht van de door het subonderdeel vermelde rechtspraak van uw Raad heeft het hof ten onrechte niet onderzocht in hoeverre de aanspraak van de man op de stamrecht-BV ziet op de periode voor respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, althans het hof heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom dat onderzoek hier achterwege kon blijven. Waar de vraag of de aanspraak op de stamrecht-BV al dan niet verkocht is tussen partijen in geschil was, was het hof tot het bedoelde onderzoek respectievelijk de bedoelde motivering gehouden, ook zonder dat de vrouw zich in de feitelijke instanties subsidiair op het standpunt had gesteld dat de bedoelde aanspraak gedeeltelijk verknocht is.
2.10.
Onderdeel 2 van het principale middel betreft de aanspraak van de vrouw ter zake van de ABN AMRO rekening en keert zich tegen rechtsoverweging 15.7.2 van de beschikking van 31 maart 2016. Daarin is overwogen:
‘15.7.2 Het hof oordeelt als volgt.
De ABN-AMRO-rekening is door de rechtbank weliswaar toegedeeld aan de vrouw (zie rov. 15.5 hiervóór), maar delen van de door de vrouw overgelegde overzichten van die rekening zijn onleesbaar (gemaakt), waardoor de vrouw haar berekening van de totaalbedragen (van € 38.531,17 + € 1.943,—) onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Voorts blijkt uit de rekeningoverzichten weliswaar van overboekingen naar een groot aantal begunstigden, maar valt daaruit niet af te leiden op welk product of op welke dienst de overboeking betrekking heeft (daartoe hadden kassabonnen; contracten; facturen e.d. in het geding gebracht moeten worden, hetgeen de vrouw heeft nagelaten (in die zin ontbreekt ook de concrete opstelling waar het hof partijen om heeft gevraagd in zijn beschikking van 4 juni 2015), en is voor het hof niet vast te stellen of de overboekingen wel zien op kosten van de huishouding c.q. levensonderhoud. De stelling dat de vrouw ter zake van de ABN-AMRO-rekening een vergoedingsrecht heeft jegens de man kan daarom niet worden aanvaard.’
2.11.
De vrouw betoogt dat het hof heeft miskend dat de man blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 30 april 2014 heeft erkend dat de vrouw bedragen ten behoeve van de huishouding heeft voldaan. Volgens de vrouw moet ervan uitgegaan worden dat de man met die erkenning reageerde op productie 29 van de vrouw, die zag op de periode van 18 februari 2012 tot en met 24 juli 2013, en leidt dit ertoe dat het hof over deze periode een bedrag van € 29.837,04 had moeten toewijzen.
2.12.
Door de advocaat van de man is tijdens de mondelinge behandeling op 30 april 2014 onder meer gesteld7.:
‘De bankrekeningen zijn gesplitst op 1 januari 2012. In 2013 is de beschikking voorlopige voorzieningen afgegeven. In de tussentijd heeft de vrouw geleefd. Moet dat geld wel of niet verrekend worden? Ik meen van wel, De helft komt voor rekening van de vrouw, de helft voor rekening van [?] de man. Het totaal netto inkomen van de man van € 70.000,— is uitgegeven, Vervolgens moet het vermogen van partijen worden aangesproken. Ik wil vaststellen dat de man ook moet leven en dat ook zijn kosten van de huishouding moeten worden betaald uit zijn inkomen. In productie 15 heeft de man uitgerekend wat de kosten van de huishouding van de vrouw zijn geweest. Daarnaast heeft de vrouw ook van een eigen rekening geleefd, daarvan heeft zij ook kosten van de huishouding betaald: € 1.755,12 per maand. Samen € 2.884,47 per maand. Het netto loon bedroeg € 77.160,—. De totale uitgaven waren € 147.622,—. Er was dus een tekort van € 70.461,—. Daar komen de kosten die de vrouw zelf heeft gemaakt nog bij. Dan kom je op € 87.404,—. De helft daarvan, € 43.702,— zou de vrouw moeten betalen aan de man.’ (cursivering toegevoegd)
2.13.
Uit de door mij gecursiveerde passages volgt dat de stelling van de man waarop de vrouw zich beroept, door de man is betrokken in het kader van zijn standpunt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw kan doen gelden omdat zijn inkomen niet toereikend is geweest voor de kosten van de huishouding van beide partijen en deze kosten daarom deels ten laste van de vermogens van beide partijen behoren te worden gebracht. Anders gezegd, de context van de bedoelde stelling van de man is grief IV in het incidenteel beroep, namelijk als toelichting op een door de man gepretendeerde aanspraak. Het hof heeft die stelling niet mede betrokken op grief 16 van het principaal beroep, waar de vrouw zich op het standpunt stelde dat de man moet worden veroordeeld tot betaling van de kosten van de huishouding van de vrouw over de periode vanaf het uiteengaan van partijen en de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie, en heeft die stelling daarom niet mede gelezen als een erkenning door de man van een door de vrouw gepretendeerde aanspraak. Deze aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.
2.14.
Onderdeel 3 betreft de verrekening van de kosten van de vakantie van de vrouw met de kinderen in New York. Het onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 18.3 van de beschikking van 15 september 2016, waar het hof opsomt welke aanspraken de man en de vrouw tegenover elkaar kunnen doen gelden, en het daarop voortbordurende dictum. De vrouw voert aan dat in het licht van rechtsoverweging 15.9.5 (bedoeld zal zijn rechtsoverweging 15.9.4) van de beschikking van 31 maart 2016, waar het hof grief IV in het incidenteel beroep heeft verworpen, onbegrijpelijk is dat in de opsomming in rechtsoverweging 18.3 van de beschikking van 15 september 2016 de kosten van de vakantie in New York ontbreken. De man erkent dat het onderdeel terecht is voorgesteld.8.
2.15.
Het onderdeel is inderdaad terecht voorgesteld. Het hof heeft in rechtsoverwegingen 15.9.1 tot en met 15.9.4 van de beschikking van 31 maart 2016 grief IV van de man, waarin de man is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de man de helft van de kosten van de vakantie in New York moet dragen, verworpen. In het dictum van de beschikking van 15 september 2016 heeft het hof de beslissing van de rechtbank dat de vrouw ter zake van verrekening van kosten een bedrag van in totaal € 1.537,87 aan de man dient te voldoen – in welk bedrag de kosten van de vakantie in New York waren meegenomen – vernietigd. Vervolgens heeft het hof bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van € 24.164,13 ter zake van verrekening dient te voldoen, welk bedrag is gebaseerd op de optelsom die het hof in rechtsoverweging 18.3 van de beschikking van 15 september 2016 heeft gemaakt, onder verwijzing naar rechtsoverweging 11.16.3 van de beschikking van 4 juni 2015, alsmede rechtsoverwegingen 15.3.1, 15.3.2, 15.8 en 15.10.3 van de beschikking van 31 maart 2016. In deze opstelsom ontbreken de kosten van de vakantie in New York, die de man voor de helft moet dragen gelet op ’s hofs verwerping van grief IV in het incidenteel beroep. De bedoelde helft betreft een bedrag van € 3.462,13.
2.16.
Onderdeel 4 betreft de peildatum voor de waardebepaling van de voormalige echtelijke woning. De vrouw is in hoger beroep zowel opgekomen tegen de toedeling van de woning aan de man als tegen de beslissing van de rechtbank omtrent de waardering van de woning. Met betrekking tot de toedeling heeft het hof de grieven van de vrouw verworpen (zie rechtsoverweging 3.7.4 van de beschikking van 10 juli 2014). Ter zake van de waardering van de woning heeft het hof een deskundige benoemd. Door de deskundige is de woning per datum 10 maart 2015 getaxeerd, zijnde de datum van zijn rapportage. Het hof heeft bij zijn beschikking van 4 juni 2015 de bezwaren van partijen tegen die taxatie verworpen en het bedrag dat de man ter zake van de toedeling van de woning aan hem dient te vergoeden, berekend op € 167.416,—. Het dictum van de eindbeschikking van 15 september 2016 is hiermee in overeenstemming.
2.17.
De vrouw richt hiertegen een rechtsklacht. Die klacht berust op de opvatting dat indien de verdelingsrechter niet de verdeling zelf vaststelt, maar slechts de wijze van verdeling, het tijdstip van de feitelijke verdeling de peildatum is, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum behoort te worden aanvaard.
2.18.
Wat de steller van het onderdeel onder de feitelijke verdeling verstaat, maakt hij niet duidelijk. Mogelijk bedoelt hij het tijdstip waarop ter uitvoering van de verdeling overeenkomstig art. 3:186 BW levering van de voormalige echtelijke woning aan de man zal plaatsvinden. In dat geval faalt de klacht omdat zij ten onrechte de effectuering van de verdeling aan de verdeling gelijkstelt.
2.19.
Mogelijk ook bedoelt de steller van het middel een overeenkomst van verdeling door partijen met inachtneming van hetgeen door het hof omtrent de wijze van verdeling is bepaald. Op zichzelf is juist dat indien de rechter de verdeling niet zelf vaststelt maar alleen de wijze van verdeling gelast (een onderscheid dat door art. 3:185 lid 1 BW wordt gemaakt), de verdeling een erop volgende overeenkomst van verdeling door partijen veronderstelt.9.Ervan uitgaande dat de opvatting van het middel is dat voor de peildatum deze op de beslissing van de rechter volgende overeenkomst van verdeling bepalend is, dient de klacht mijns inziens eveneens te worden verworpen.
2.20.
De juistheid van de veronderstelde opvatting volgt niet uit de door het onderdeel genoemde beschikking HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7205, NJ 2000/643. Die beschikking formuleert de regel dat bij vaststelling van de verdeling door de rechter als peildatum de datum van de uitspraak van de rechter het meest in aanmerking komt. Uit die regel kan niet a contrario worden afgeleid dat indien de rechter de wijze van verdeling bepaalt, iets anders geldt. De reden die genoemde beschikking voor de regel geeft, namelijk dat op de dag van de uitspraak wordt vastgesteld wat aan een ieder toekomt, is integendeel óók geldig ingeval de rechter, zoals in een geval als het onderhavige, de wijze van verdeling nauwkeurig heeft vastgesteld, met inbegrip van het bedrag van de eventuele overbedelingsaanspraak. Daarom komt ook in een geval als het onderhavige, als peildatum de datum van de uitspraak van de rechter het meest in aanmerking.
2.21.
Ook diverse overwegingen van praktische aard pleiten hiervoor. In de eerste plaats is het maar de vraag of de praktijk zich van het onderscheid tussen het geval dat de rechter zelf de verdeling vaststelt en het geval dat hij slechts de wijze van verdeling gelast, wel steeds bewust is.10.Naar mijn waarneming gaat het om een onderscheid dat in gevallen als het onderhavige uitsluitend van theoretisch belang is. De overeenkomst van verdeling die volgt op de beslissing van de rechter waarbij hij tot in detail de wijze van verdeling heeft gelast, zal doorgaans niet met uitdrukkelijke wilsverklaringen tot stand komen, maar stilzwijgend volgen uit door partijen verrichte uitvoeringshandelingen. Aldus bestaat er in praktisch opzicht geen verschil met het geval waarin de rechter de verdeling heeft vastgesteld.11.In de tweede plaats kan de rechter de waarde van een te verdelen goed uiteraard niet bepalen met ingang van een datum die ten tijde van zijn uitspraak nog in de toekomst ligt. Een consequent doordenken van de opvatting van het onderdeel leidt tot de gevolgtrekking dat de rechter die de wijze van verdeling gelast, de waarde van het te verdelen goed op het moment van verdeling niet zou kunnen vaststellen en dus ook niet het bedrag van de overbedelingsaanspraak in verband met de door hem bevolen toedeling. Een nieuwe procedure zou nodig zijn om de bedoelde waarde en het bedoelde bedrag vast te stellen. Dat is uiteraard hopeloos onpraktisch. Ten slotte nog, uitgaande van de opvatting van het onderdeel liggen manipulaties voor de hand. Bij een stijgende markt neemt de overbedelingsaanspraak toe en bij een dalende markt neemt zij af. Het loont dus gemakkelijk voor een van partijen om de overeenkomst van verdeling uit te stellen. Ook daarom behoort de opvatting waarvan het onderdeel uitgaat, niet te worden aanvaard.
2.22.
Onderdeel 5 betreft de verdeling van de inboedel. Het onderdeel komt op tegen rechtsoverweging 3.8.3 van de beschikking van 10 juli 2014. Deze rechtsoverweging luidt:
‘3.8.3. Het hof is van oordeel dat aan de vrouw dienen te worden toegedeeld de door de vrouw in productie 28 genoemde “spullen van de overleden moeder van de vrouw” (pagina 1), “persoonlijke spullen van de vrouw” (pagina 2 tot en met 4), alsmede de wieg, de keukentafel met laatjes, het antieke bordenrek, de piano met kruk en lamp. In hetgeen de man te dien aanzien heeft gesteld ziet het hof onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Nu de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans partijen daarover te weinig hebben gesteld en onderbouwd, en partijen ieder beschikken over een volledig ingerichte woning, zal het hof beslissen dat daarmee de inboedel is verdeeld en partijen over en weer niets meer van elkaar hebben te vorderen.’
2.23.
De vrouw klaagt dat zij in grief 11, waarin zij is opgekomen tegen de verdeling van de inboedel door de rechtbank, heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met verknochtheid, persoonlijke spullen en met het buiten de boedel vallen van spullen van de moeder van de vrouw, welke stelling de vrouw heeft uitgewerkt op de als productie 28 overgelegde lijsten. Ook tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw aan de verknochtheid en de spullen van de overleden moeder gerefereerd, aldus de vrouw. Het hof is volgens de vrouw ten onrechte niet op deze essentiële stellingen ingegaan.
2.24.
Het onderdeel faalt. Alle goederen waarvan de vrouw had gesteld dat ze aan haar verknocht waren, zijn door het hof aan haar toebedeeld. Daarvan uitgaande kan de vrouw bij haar klacht slechts belang hebben voor zover het hof aan die goederen een waarde heeft toegekend en in verband met de toedeling aan de vrouw, aan de man een aanspraak wegens overbedeling heeft toegekend (dan wel verrekend), dan wel ten onrechte aan de vrouw niet zo’n aanspraak heeft toegekend.12.Dat doet zich niet voor. Het hof heeft aan de inboedelgoederen geen waarde toegekend. Daarover klaagt het middel niet. Overigens vermelden ook de lijsten die de vrouw als productie 28 heeft overgelegd, geen waardes.
2.25.
Ten overvloede nog het volgende. Zoals de steller van het middel (onder 29) ook zelf aanduidt, kan verknochtheid in diverse gradaties bestaan. Het is niet noodzakelijk zo dat verknochte goederen ook in economische zin niet van de gemeenschap deel uitmaken. Uitgaande van de hoofdregel dat de huwelijksgemeenschap alle goederen van de echtgenoten omvat, lag het niet alleen op de weg van de vrouw om de feiten en omstandigheden te stellen en eventueel te bewijzen waaruit volgt dat de bedoelde goederen in juridische zin wegens verknochtheid buiten de gemeenschap behoorden te blijven, maar ook dat die verknochtheid zo ver gaat dat dit ook in economische zin diende te geschieden. Eventueel valt het oordeel van het hof aldus te verstaan, dat de vrouw wel voldoende voor het eerste had gesteld, maar onvoldoende voor het laatste. Het onderdeel duidt ten onrechte niet aan op grond van welke stellingen van de vrouw het hof tot een nadere motivering gehouden was. Dat onderdeel duidt zelfs ook geen vindplaatsen aan waaruit zich laat afleiden dat in de feitelijke instanties de vrouw op het standpunt stond dat de economische waarde van de door haar als verknocht aangemerkte goederen buiten de gemeenschap viel (anders dan de waarde van de aan de man toe te delen inboedelgoederen) en dat in verband daarmee de man ter zake van de inboedel zou worden overbedeeld.
3. Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
3.1.
Het incidentele cassatieberoep van de man bestaat uit één onderdeel en betreft de ontslagvergoeding van TomTom. Het onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 3.9.2 van de beschikking van 10 juli 2014 en het dictum van de beschikking van 15 september 2016, voor zover dit betrekking heeft op de ontslagvergoeding van TomTom. Rechtsoverweging 3.9.2 luidt als volgt:
‘3.9.2. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat dat goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In zijn arrest van 22 maart 1996, NJ 1996/640 oordeelde de Hoge Raad over de verknochtheid van een ontslagvergoeding dat wanneer in verband met de beëindiging van een dienstbetrekking aan de werknemer een schadeloosstelling wordt toegekend en uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, dit geen reden is om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van echtgenoten omvat.
De Hoge Raad zag in zijn arrest van 17 oktober 2008, NJ 2009/41 echter wel aanleiding een uitzondering op die regel te maken. In dat geval ging het om aanspraken voortvloeiende uit een tussen de werknemer en diens werkgever in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gesloten overeenkomst, op grond waarvan de werkgever bij die beëindiging een koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij had gestort en waaruit de werknemer tot de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen periodieke uitkeringen zou ontvangen, waardoor zijn inkomen zou worden aangevuld tot 70% van zijn laatstgenoten salaris. In die situatie vallen de aanspraken die zien op de periode na de ontbinding van het huwelijk niet in de gemeenschap, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de werknemer, bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding, zou hebben genoten als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon, aldus de Hoge Raad.
Nu de man een geldbedrag ineens heeft ontvangen, welk geldbedrag niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering, geldt de door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel dat deze ontslagvergoeding niet verknocht is. De man heeft de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst van TomTom niet overgelegd, zodat door het hof ook niet kan worden vastgesteld of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris. In het geheel is niet duidelijk geworden welke bestemming de door de man ontvangen gelden hebben gekregen.
De door de rechtbank en de man aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2012 (LJN: BY0957) maakt dat niet anders. Immers, de uitspraak in die zaak ziet op een geval van schadevergoeding bij letselschade, hetgeen een geheel andere situatie is dan in de onderhavige zaak aan de orde.
De grief van de man faalt dan ook.’
3.2.
Het middel analyseert dat het oordeel van het hof op een viertal gronden berust en formuleert tegen elk van die gronden klachten: a) de ontslagvergoeding is ineens ontvangen en is daarom niet verknocht; b) de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst is niet overgelegd, zodat het doel niet vastgesteld kan worden; c) niet duidelijk is welke bestemming de gelden hebben gekregen; en d) de uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2012 is niet van toepassing, omdat het in die zaak niet om een ontslagvergoeding maar om een letselschadevergoeding ging. Ten aanzien van grond a) en d) stelt de man, onder verwijzing naar de hiervoor reeds besproken uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2016, dat de strekking van de ontslagvergoeding van belang is en dat wanner de ontslagvergoeding is verstrekt door de werkgever tot vervanging van toekomstig gederfd loon, zij verknocht is voor zover de vergoeding ziet op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Ten aanzien van grond b) klaagt de man dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, nu hij wel degelijk stukken heeft overgelegd waaruit de strekking van de ontslagvergoeding blijkt. De man heeft zijn arbeidsovereenkomst met TomTom in het geding gebracht, die de grondslag vormt voor de ontslagvergoeding. Voorts heeft de man de uitspraken in de gerechtelijke procedure tussen TomTom en hemzelf over de ontslagvergoeding overgelegd. Met betrekking tot grond c) stelt de man dat het hof heeft miskend dat de strekking ten tijde van de verkrijging van het goed doorslaggevend is en die strekking niet later gewijzigd kan worden.
3.3.
De vrouw heeft naar aanleiding van het incidentele cassatieberoep (onder meer) aangevoerd dat de man daarbij geen belang heeft. Zij grondt dit verweer op de omstandigheid dat de man in het incidenteel appel niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de bestemming van de ontslagvergoeding niet vast is komen te staan, in samenhang bezien met de erkenning van de man in het verweerschrift in appel, randnummer 22, dat de vrouw recht heeft op de helft van de ontslagvergoedingen.
3.4.
Aldus leest de vrouw de beschikking van de rechtbank van 2 juli 2013 mijns inziens onjuist. In die beschikking spreekt de rechtbank inderdaad van een bestemming die is komen vast te staan, maar de context daarvan is als volgt (p. 13):
‘Anders dan in de vorengenoemde zaak die door de Hoge Raad is beslist, zijn de onderhavige ontslagvergoedingen van TomTom niet gestort in een stamrechtverzekering waaruit de man periodieke uitkeringen ontvangt waardoor zijn inkomen wordt aangevuld tot een bepaald percentage van zijn laatstgenoten salaris. De bestemming van de gelden is door de man niet nader geduid. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de bedragen als liquide middelen beschikbaar zijn en dat het aan de man is te beslissen op welke wijze hij daarover wil beschikken: in de vorm van een periodieke uitkering of als bedrag in één.’
3.5.
De man is in het incidenteel beroep met grief V tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de ontslagvergoedingen van TomTom opgekomen. Hij heeft, kort gezegd, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ontslagvergoedingen niet verknocht zijn omdat niet blijkt dat de ontvangen ontslagvergoeding nog altijd aanwezig is. De man heeft in dat kader bankafschriften overgelegd waaruit blijkt op welke betaalrekening de ontslagvergoeding is ontvangen, heeft beargumenteerd waarom een groot deel van dit bedrag zich onder de vrouw moet bevinden en heeft voor het overige aangekondigd nadere stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat de vergoeding nog altijd aanwezig is.
3.6.
Uit een en ander blijkt dat de man de overwegingen van de rechtbank aldus heeft opgevat dat volgens haar geen sprake is van verknochtheid omdat niet is gebleken dat de ontslagvergoeding nog is te identificeren, en niet (tevens) omdat de strekking van de aanspraak op de vergoeding niet zou zijn gebleken. Gelet op de context, zoals hiervoor weergegeven, heeft de man het oordeel van de rechtbank inderdaad in die zin mogen opvatten.
3.7.
Hiervoor in 3.3 kwam al aan de orde dat de vrouw zich ook op het standpunt stelt dat de man zou hebben erkend dat de ontslagvergoedingen bij helfte moeten worden verdeeld. Ook in zoverre is haar verweer ondeugdelijk. De door de vrouw aangeduide passage uit het verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift, onder 22 ziet op de omvang van het (gemiddelde) inkomen van de man in het kader van de vaststelling van de alimentatie. In dát verband lijkt de man te zeggen dat mede de ontbindingsvergoedingen bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld. Uit grief V in het incidenteel beroep blijkt echter dat dit zo niet kan zijn bedoeld, hetgeen voor de vrouw redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest.
3.8.
Vervolgens kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van de klachten in het incidenteel beroep. Uit de beschikking van uw Raad van 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292 volgt dat indien een ontslagvergoeding de vorm krijgt van hetzij een stamrechtverzekering hetzij een stamrecht-BV, voor de mate waarin die voorziening verknocht is beslissend is in hoeverre de aanspraak op het stamrecht ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Tussen partijen is in confesso dat wat betreft de van TomTom ontvangen vergoeding van een stamrechtvoorziening geen sprake is. Uit rechtsoverweging 3.9.2 van de beschikking van 10 juli 2014 blijkt dat het hof uit is gegaan van de opvatting dat een ontvangen ontslagvergoeding die niet in een stamrechtverzekering is ondergebracht, niet verknocht is, omdat niet-verknochtheid de ‘hoofdregel’ zou zijn. De beschikking van uw Raad van 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 maakt dit volgens het hof niet anders, omdat het daar ging om schadevergoeding bij letselschade, wat volgens het hof een geheel andere situatie is.
3.9.
Het dunkt mij betwistbaar dat nog steeds als hoofdregel zou gelden dat een ontslagvergoeding niet verknocht is.13.Mijns inziens blijkt uit de beschikking van 24 juni 2016 dat uw Raad van maatwerk uitgaat, zonder een hoofdregel.14.Reeds op die grond treft de rechtsklacht van het middel doel. Ook zie ik geen reden voor het onderscheid dat het hof meent te moeten maken tussen een ontslagvergoeding en schadevergoeding in geval van letselschade. Volgens de kennelijke opvatting van het hof kunnen liquide middelen die het resultaat zijn van een ontvangen vergoeding voor letselschade verknocht zijn, maar geldt dit niet voor een ontslagvergoeding. De logica van die opvatting ontgaat mij. Mij dunkt dat in beide gevallen doorslaggevend is of de vergoeding betrekking heeft op nadeel dat de betrokken echtgenoot geheel of gedeeltelijk na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal leiden of niet. Of de ontslagvergoeding in een stamrechtvoorziening is ondergebracht of niet, is niet bepalend. Ook in zoverre slaagt het middel.
3.10.
Ook de overige klachten van het middel slagen. De man heeft artikel 15 van de arbeidsovereenkomst met TomTom overgelegd, welke bepaling onder meer inhoudt:
‘In case the employment agreement is terminated by of on the initiative of TomTom, then the CFO shall as a compensation for loss of future income be entitled to a fixed amount of 12 base salaries, (including holiday allowance, and bonuspayment) unless the employment agreement is terminated for an “urgent reason” within the meaning of the articles 7:677 sub 1 and 7:678 of the Dutch Civil Code, in which situation the CFO is not entitled to any severance.’
Mede in het licht van de omstandigheid dat tussen partijen vaststond dat over de aan de man toekomende ontslagvergoeding tussen TomTom en de man was geprocedeerd, is onvoldoende gemotiveerd de beslissing van het hof dat waar de man ‘de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst van TomTom niet [heeft] overgelegd’, door het hof niet kon worden vastgesteld of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris en dat de bestemming van de door de man ontvangen gelden in het geheel niet duidelijk is geworden.15.
3.11.
Het middel in het incidenteel cassatieberoep slaagt.
4. Conclusie
De conclusie strekt zowel in het principaal als in het incidenteel beroep tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑11‑2017
HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 m.nt. L.C.A. Verstappen.
HR 27 november 1981, ECLI:NL:1981:AG4271, NJ 1982/503 m.nt. E.A. Luijten (Boon/Van Loon). Vergelijk ook de maatschappelijke opvatting zoals die ten grondslag ligt aan de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
De verwijzing naar artikel 2 van de stamrechtsovereenkomst lijkt hiermee echter in strijd.
HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295, NJ 2009/40. Vergelijk Asser/De Boer, Kolkman & Salomons, 1-II 2016/271.
Naar aanleiding van de beschikking van 26 september 2008 zijn bij de behandeling van wetsvoorstel 28867 vanuit de Eerste Kamer vragen gesteld. In reactie daarop heeft de regering gezegd dat geen wijziging wordt beoogd ten opzichte van de bestaande rechtspraak. Zie MvA I, Kamerstukken II, 28867, C, p. 3.
Proces-verbaal d.d. 30 mei 2014, p. 6, vijfde alinea.
Verweerschrift in cassatie, tevens bevattende incidenteel cassatieberoep, onder 2.12.
Het is in dit verband kenmerkend dat de rechtbank in haar beschikking van 2 juli 2013 op blad 6 het verzoek van de man aldus weergeeft dat het inhoudt dat de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap zal vaststellen, maar vervolgens door de rechtbank naar luid van het dictum de wijze van verdeling is vastgesteld, zonder dat de rechtbank motiveert waarom het in afwijking van het verzoek daarvoor kiest. Ook het hof besteedt geen aandacht aan het onderscheid. Voor zover ik kan overzien, deden ook partijen dit in de gedingstukken in de feitelijke instanties niet.
Uiteraard zijn er ook gevallen te bedenken waarin het onderscheid wel ook in praktische zin wat om het lijf heeft, bijvoorbeeld wanneer de rechter bepaalt dat de verdeling ten overstaan van een boedelnotaris zal plaatsvinden en daarbij onder leiding van de notaris een nadere invulling van de voorwaarden van de verdeling plaatsvindt, waaronder mogelijk ook het bedrag van de overbedelingsaanspraak. In een dergelijk geval is het juiste peilmoment uiteraard de verdeling ten overstaan van de boedelnotaris.
Omdat de aan de man toebedeelde goederen, anders dan een of meer goederen die aan de vrouw zijn toebedeeld, niet verknocht zijn en wel een waarde hebben.
Die hoofdregel kon worden afgeleid uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640 m.nt. W.M. Kleijn. Volgens L.C.A. Verstappen in zijn NJ-annotatie bij HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41, nrs. 7-9 en 15 was (reeds) met die beschikking de oude hoofdregel achterhaald en geldt als nieuwe hoofdregel dat een ontslagvergoeding verknocht is. Anderen bleven uitgaan van niet-verknochtheid als hoofdregel. Zie bijv. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/285 en A-G Langemeijer onder 2.9 vóór HR 24 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:291. Met de beschikking van 24 juni 2016 staat de discussie in een nieuw licht. De genoemde auteurs spraken zich voorafgaand aan die beschikking uit.
Zie met name de eerste alinea van rechtsoverweging 3.3.3 van die beschikking.
Uit hetgeen ik hiervoor onder 2.7 heb gezegd, volgt dat ik niet deel de opvatting van de steller van het middel in het incidenteel beroep (p. 48) als zou voor de bestemming van een ontslagvergoeding het moment van verkrijging beslissend zijn, met als gevolg dat niet mede van belang zou kunnen zijn wat de desbetreffende echtgenoot met die vergoeding vervolgens heeft gedaan.
Beroepschrift 14‑02‑2017
Hoge Raad der Nederlanden
VERWEERSCHRIFT IN CASSATIE TEVENS BEVATTENDE INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
Inzake
[de man]
Wonende te [woonplaats],
Verweerder in het principaal cassatieberoep, tevens verzoeker in het incidenteel cassatieberoep,
Cassatieadvocaat: mr. M.A.J.G. Janssen
tegen
[de vrouw]
Wonende te [woonplaats],
Verzoekster in het principaal cassatieberoep, tevens verweerster in het incidenteel cassatieberoep,
Cassatieadvocaat: mr. C.G.A. van Stratum
Edelhoogachtbaar College,
1. Inleiding
1.1.
Verweerder in het principaal cassatieberoep tevens verzoeker in het incidenteel cassatieberoep (hierna: ‘[de man] of de man’) kiest te dezer zake woonplaats aan de Statenlaan 55, 5223 LA te 's‑Hertogenbosch ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. M.A.J.G. Janssen (BANNING N.V.) die dit verweerschrift tevens bevattende een incidenteel cassatieberoep ondertekent en indient. Mr. T.M. Subelack en mr. T.J. Backx hebben mr. Janssen bijgestaan bij het opstellen van het onderhavige verweerschrift.
1.2.
Middels een verzoekschrift tot cassatie heeft verzoekster in het principaal cassatieberoep (hierna: ‘[de vrouw]’ of ‘de vrouw’) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikkingen van het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 10 juli 2014, 8 oktober 2015, 31 maart 2016 en 15 september 2016 onder de zaaknummers F.200.134.690 en F.200.134.691, gewezen tussen de vrouw als appellante in het principaal appel tevens geïntimeerde in het incidenteel appel en de man als geïntimeerde in het principaal appel tevens appellant in het incidenteel appel.
1.3.
De man wenst middels het onderhavige verweerschrift verweer te voeren tegen het door de vrouw ingestelde cassatieberoep en incidenteel cassatieberoep in te stellen tegen de sub 2 bedoelde beschikkingen.
1.4.
Onderstrepingen in citaten, vermeld in dit verweerschrift, zijn steeds toegevoegd door de cassatieadvocaat van de man.
2. Principale cassatieklachten van de vrouw
Klacht 1: verknochtheid stamrechtvoorziening
2.1. Inhoud klacht
De klacht van de vrouw ten aanzien van het oordeel over de stamrechtvoorziening is onderverdeeld in twee subklachten. Subklacht 1a klaagt erover dat het hof ten onrechte een essentiële stelling van de vrouw, namelijk dat de ontslagvergoeding altijd bedoeld is geweest als oudedagsvoorziening, onbehandeld heeft gelaten en/of impliciet ongemotiveerd heeft verworpen. Deze stelling van de vrouw hield volgens haar in dat er sprake zou zijn geweest van een bestemmingswijziging van de ontslagvergoeding. Middels subklacht 1b klaagt de vrouw erover dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof zou jurisprudentie van uw Raad hebben miskend. Volgens de vrouw had het hof moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak van de man ziet op de periode voor respectievelijk na de ontbinding van de gemeenschap. Zij verwijst hiervoor naar de uitspraak van uw Raad van 24 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1293). Zonder nadere toelichting is, gelet op deze jurisprudentie, volgens de vrouw het oordeel van het hof dat de aanspraak van de man op de stamrecht-BV verknocht is, onjuist, althans onbegrijpelijk. Beide klachten falen. Ter toelichting dient het navolgende.
2.2. Juridisch kader verknochtheid stamrecht/ontslagvergoeding
2.2.1. Algemene opmerkingen
Artikel 1:94 lid 3 BW bepaalt dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
Verknochtheid is een objectief criterium. Echtgenoten kunnen niet zelf invulling geven aan de verknochtheid. Zij kunnen de goederenrechtelijke gevolgen van de boedelmenging bij een huwelijksgemeenschap niet veranderen door overeen te komen dat een goed vanwege verknochtheid niet in de gemeenschap valt, uitgezonderd de vaststellingsovereenkomst.1.
De invulling van de vraag wanneer een goed of schuld verknocht is, is door de wetgever overgelaten aan de rechtspraak.2. In de uitspraak van 23 december 1988 (NJ 1989/700) heeft uw Raad geoordeeld dat voor de vraag of een goed of schuld verknocht is, bepalend is ‘de aard van het goed, zoals deze aard mede door maatschappelijke opvattingen wordt bepaald’.
2.2.2. Bestemmingswijziging?
Wat betreft de mogelijkheid en gevolgen van een bestemmingswijziging wordt het volgende opgemerkt.
Relevant in dit kader is de uitspraak van uw Raad van 3 november 2006, NJ 2008/257. In de betreffende zaak had de vrouw ten gevolge van een verkeersongeval een schadevergoeding ontvangen van fl. 270.000 waarvan een gedeelte van fl. 32.500 voor immateriële schade. De vrouw had van de schadevergoeding voor materiële schade een bedrag van fl. 147.500 in een woning geïnvesteerd. In geschil is of het betreffende bedrag in de gemeenschap is gevallen of vanwege verknochtheid buiten de gemeenschap is gevallen. Het hof overwoog als volgt:
‘De man betoogt dat de vrouw na het einde van het huwelijk geen schade meer lijdt. Anders dan de man blijkbaar meent, is niet doorslaggevend of de vrouw ook na de ontbinding van het huwelijk nog schade ondervindt van het verkeersongeval, maar of de vrouw en de verzekeraar bij de vaststelling van de hoogte van de materiële schadevergoeding daarvan uitgingen. Aangenomen kan worden dat de vrouw en de verzekeraar bij hun onderhandelingen ervan uitgingen dat de vrouw van het ongeval blijvende medische beperkingen zou ondervinden en dat de schade als gevolg daarvan door de verzekeraar vergoed diende te worden. Dat leidt ertoe dat het gedeelte van de materiële schadevergoeding dat strekt tot vergoeding van de vóór de ontbinding van het huwelijk geleden schade, in de gemeenschap is gevallen, in tegenstelling tot het gedeelte van de schadevergoeding dat betrekking heeft op de daarna geleden schade. Op zijn minst kan ervan worden uitgegaan dat de schadevergoeding is verstrekt tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, zodat van de uitgekeerde materiële schadevergoeding van ƒ 237 500 een gedeelte van ƒ 167 500 buiten de gemeenschap is gevallen. (rov. 4.6–4.7)’
Uw Raad oordeelt (r.o. 3.3.2):
‘Anders dan het onderdeel betoogt, is er geen grond bij de beantwoording van de hiervoor bedoelde vragen telkens te betrekken of de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de deelgenoten beheerst, in een andere richting wijzen. Ten aanzien van die vragen is namelijk de redelijkheid en billijkheid reeds in de maatstaf verdisconteerd door de invloed die wordt toegekend aan de maatschappelijke opvattingen. Deze objectieve maatstaf dient de rechtszekerheid welke ten aanzien van de omvang van de huwelijksgemeenschap haar gewicht in de schaal werpt in verband met de mogelijke rechten van derden. Het voorgaande brengt mee dat het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting en daarom faalt.’
Uw Raad laat het oordeel van het hof in stand. Hieruit volgt dat, voor de bepaling van de vraag of een goed verknocht is, bepalend is de bestemming die er aan gegeven is op het moment van verkrijging van het goed (in casu de bestemming in de rechtsverhouding tussen de vrouw en de verzekeraar). Dit kan ook afgeleid worden uit het oordeel van uw Raad van 24 juni 2016(ECLI:NL:HR:2016:1293), daar waar uw Raad overweegt (r.o. 3.3.3):
‘Nu het gaat om de strekking van de aanspraak, is niet van belang in hoeverre de gerechtigde deze daadwerkelijk heeft verzilverd.’
In gelijke zin oordeelt Breederveld, die terecht meent dat het in strijd is met het goederenrechtelijke karakter van de gemeenschap van goederen, dat echtgenoten na de verkrijging van een goed zouden kunnen bepalen welke goederen wél, en welke goederen niet de gemeenschap vallen, bijvoorbeeld door deze als verknocht aan te merken. Hieruit volgt ook dat echtgenoten niet zelf de bestemming van een verknocht goed kunnen wijzigen, met het oogmerk dit bijzonder verknochte goed tóch in de gemeenschap van goederen te laten vallen.
Zie in dit verband B. Breederveld (diss. 2008), p. pag. 121 :
‘[…] Evenmin kunnen naar mijn mening de echtgenoten zelf invulling geven aan de verknochtheid. Zij kunnen de goederengerechtelijke gevolgen van de boedelmenging bij een huwelijksgemeenschap niet veranderen door overeen te komen dat een goed vanwege verknochtheid niet in de huwelijksgemeenschap valt, uitgezonderd de vaststellingsovereenkomst. Verknochtheid is een objectief criterium.’
Zie ook pag. 142:
‘[…] Naar mijn mening moet de verknochtheid van dit goed — als geheel — beoordeeld worden naar het moment dat de aanspraak ontstaat.’
Zie verder pag. 143:
‘Indien een geschil over de verknochtheid van een goed eerst ten tijde van de echtscheiding of bij geschillen over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap aan de rechter wordt voorgelegd zal naar mijn mening de echtscheiding en de ontbinding van de huwelijksgemeenschap geen omstandigheid kunnen zijn die de beoordeling daarvan kunnen en mogen beïnvloeden. Verknochtheid van een goed is geen vraag van verdelen maar een vraag over de omvang van de gemeenschap. Een beroep op de verknochtheid van de aanspraak en de uit hoofde daarvan (ontvangen) uitkering zal dus beoordeeld moeten worden alsof dit geschil aan de rechter wordt voorgelegd op het moment dat de aanspraak is ontstaan en de uitkering is ontvangen.’
Zie tevens B. Breederveld, ‘De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding’, Kluwer (2011), pag. 37–38:
‘Echtgenoten kunnen niet zelf invulling geven aan de verknochtheid, aldus dat zij zelf kunnen bepalen dat zij een goed zodanig verknocht vinden dat het niet in de gemeenschap valt. Zij kunnen dus niet de goederenrechtelijke gevolgen van de aanzuigende werking van de gemeenschap inperken. Het zij duidelijk dat voor verknochtheid de (rechts) betrekking tussen de echtgenoot en de zaak niet relevant is.
Verknochtheid is geen emotie, zoals een bepaalde gehechtheid aan de zaak (sieraad) of de historie van de zaak (erfstuk). Verknochtheid is gebaseerd op een in de rechtspraak ontwikkeld objectief criterium.’
Zie verder pag. 52:
‘Is vastgesteld dat een goed niet verknocht is en in de gemeenschap is gevallen, kan met een beroep op de redelijkheid en billijkheid vervolgens niet de conclusie worden getrokken dat de gedragingen van partijen of de lotsverbondenheid ertoe aanleiding geven dat het goed geheel of ten dele alsnog (bij echtscheiding) buiten de verdeling dient te blijven, althans niet bij de verdeling te betrekken. Of omgekeerd indien moet worden vastgesteld dat een goed op grond van verknochtheid niet in de gemeenschap is gevallen kan dat niet tot gevolg hebben dat het goed nadien alsnog bij echtscheiding geheel of ten dele moet worden verdeeld. Door de verknochtheid van het goed — als geheel — blijft het goed buiten de gemeenschap. Achteraf, in verband met echtscheiding, kan vervolgens niet nog eens bepaald worden dat het deels in de huwelijksgemeenschap valt omdat dit anders onredelijke gevolgen heeft voor de andere echtgenoot.’
Zie in dit verband ook T.F.H. Reijnen, Verknochtheid en de omvang van de huwelijksgemeenschap, WPNR 2011 (6903) (II, slot):
‘[…] Hoe deze indelingen onderling ook verschillen, zij hebben gemeen dat er ook acht geslagen wordt op de obligatoire aspecten van de bijzondere verknochtheid. Ook de memorie van toelichting Invoeringswet 1, lijkt te suggereren dat verknochtheid gradaties kent en ruimte laat voor differentiatie. Het goederenrechtelijk aspect van gemeenschap, brengt echter met zich dat een goed óf in de huwelijksgemeenschap valt, óf niet in de huwelijksgemeenschap valt. Gemeenschap, als goederenrechtelijk verschijnsel, maakt dat voor obligatoire aspecten geen plaats. Zo versta ik ook Breederveld, als hij opmerkt dat volgens hem vanuit goederenrechtelijk opzicht een goed of krachtens boedelmenging in de gemeenschap valt of dat dit er juist vanwege de bijzondere verknochtheid buiten valt. Als ik hem goed begrijp, is dit ook de mening van Kraan. Ik sluit mij aan bij deze mening.’
En:
‘Het gesloten stelsel van het goederenrecht heeft verder tot gevolg, dat het echtgenoten niet vrijstaat in onderling overleg te bepalen of een goed verknocht is.’.
2.3. Het in deze relevante procesverloop
De vrouw is in beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank d.d. 2 juli 2013 bij beroepschrift van 2 oktober 2013. Ten aanzien van de stamrechtvoorziening heeft zij de volgende grief naar voren gebracht.
‘Grief 10
- 41.
Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de aanspraken van de man op de in [A] B.V. opgenomen stamrechtvoorziening volledig buiten de verdeling dienen te blijven, nu deze stamrechtvoorziening aan de man verknocht is.
Toelichting
- 42.
De rechtbank baseert haar standpunt op de door de vrouw (!) overgelegde stamrechtovereenkomst — een overeenkomst die door de man zélf is opgesteld en is gesloten met de B.V. waarvan hij DGA is. De man heeft echter verzuimd documenten over te leggen waaruit blijkt wat de aard van de ontslagvergoeding was. Het oordeel van de rechtbank dat uit de overgelegde stamrechtovereenkomst blijkt dat Tele Atlas N.V. aan de man in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon heeft toegekend, en dat dit bedrag als koopsom voor een recht op periodieke uitkeringen kan worden gestort bij [A], is dan ook niet correct.
- 43.
De vrouw benadrukt dat een ontslagvergoeding in beginsel in de huwelijkse gemeenschap valt, en dat voor een uitzondering daarop slechts sprake kan zijn indien een ontslagvergoeding strekt tot vervanging dan wel suppletie van inkomen. Dat daarvan sprake zou zijn, is in het geheel niet gebleken. Mogelijk dat een aanzienlijk deel van de vergoeding bestond uit een terugbetaling van een schuld in verband met een aandelentransactie tussen de man en Tele Atlas N.V. De vrouw herinnert zich dat daarover indertijd discussie was.
Ook was er indertijd discussie over een optieregeling, zoals die daarna ook met TomTom ontstond. Wellicht zijn in dat verband ook bedragen verrekend. In ieder geval bestaat de uitkering voor een deel uit vergoeding van vakantiedagen en een of meer bonusbetalingen. De man dient hierover helderheid te verschaffen.
- 44.
Dat de ontslagvergoeding ter vervanging c.q. suppletie van inkomen diende, verdient voorts geen geloof omdat de man tijdens de onderhandelingen over de beëindiging van zijn dienstverband een hoge positie bij Bosch (Robert Bosch GmbH, grootaandeelhouder van Tele Atlas) werd aangeboden. Deze baan is door de man indertijd geweigerd. Dit maakt het dan ook onaannemelijk dat de aan de man uitbetaalde vergoeding zag op inkomenssuppletie — immers, waarom zou Tele Atlas een vergoeding uitbetalen wegens gederfd inkomen als de man zelf een mogelijkheid tot aanvulling van zijn inkomen had verworpen?
- 45.
Uit het arrest van het Gerechtshof 's‑Gravenhage van 18 september 2012 (LJN: BY4761) blijkt dat dergelijke uitspraken o.a. verknocht kunnen zijn indien deze voortvloeien uit een tussen de werknemer en diens werkgever — in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking — gesloten overeenkomst op grond waarvan de werkgever bij die beëindiging een koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij heeft gestort en die dient als inkomenssuppletie. In de betreffende zaak had de vrouw gesteld dat de ontslagvergoeding strekte tot suppletie van haar inkomen, hetgeen echter niet uit de correspondentie tussen haar en haar voormalig werkgever bleek.
- 46.
Ook in de onderhavige kwestie is, zoals hiervoor reeds opgemerkt, niet vast komen te staan wat de aard was van de aan de man verstrekte ontslagvergoeding. De man heeft geen stukken overgelegd die betrekking hebben op de beëindiging van zijn dienstverband. De vrouw benadrukt dat er géén uitkeringen hebben plaatsgevonden ná ontbinding van het dienstverband bij Tele Atlas N.V., hetgeen de stelling van de vrouw onderstreept dat de vergoeding niet tot doel had om periodieke uitkeringen te verschaffen die strekten tot inkomenssuppletie. Dit wordt overigens ook versterkt door de omstandigheid dat de man als ingangsdatum zijn pensioengerechtigde leeftijd heeft opgenomen. Dit staat in geen enkel verband met het eventueel inkomensverlies aan de zijde van de man ten gevolge van de beëindiging van zijn dienstverband bij Tele Atlas N.V. De man heeft tijdens zijn carrière weinig pensioen opgebouwd, zodat de vrouw vermoedt dat hij deze datum in de stamrechtovereenkomst heeft opgenomen teneinde zijn oudedagsvoorzieningen te verstevigen. In dit kader wijst de vrouw op de beschikking van Uw hof d.d. 20 september 2011 (LJN: BT6249), in welke kwestie de conclusie luidde dat partijen een andere bestemming aan de ontslagvergoeding hadden gegeven, te weten een pensioenvoorziening in plaats van een suppletie op een lager inkomen, waardoor deze gemeenschappelijk was.
- 47.
[…]
- 48.
Nu de man geen enkel document heeft overgelegd waaruit blijkt wat de aard was van de aan hem uitgekeerde ontslagvergoeding, noch anderszins gebleken is dat deze diende als suppletie op een lager inkomen ten gevolge van beëindiging van het dienstverband, dient te worden aangenomen dat deze vergoeding in de gemeenschap van goederen valt.’
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 april 2014 hebben partijen het volgende verklaard met betrekking tot de stamrechtvoorziening.
‘Mr. De Bruijn:
Ik ben onbekend met een overeenkomst van geldlening. Er kan niet zomaar geld uit een stamrecht bv worden gehaald. Het geld van de ontslagvergoeding staat niet meer op de rekening van de vrouw. Er stond 34 cent op de rekening op 1 januari 2013 en is gestegen naar €3,- op 31 december 2013. Ik ben het met mr. Zonnenberg eens dat het identificeren niet bepalend is voor de vraag of iets verknocht is. Het primaire standpunt is dat het niet verknocht is. Ik verwijs naar een uitspraak van uw hof van 20 december 2011 LJN BJ6249. Door er zelf op enig moment een bestemming aan te geven, kun je niet de oorspronkelijke bestemming wijzigen. Ik verwijs naar de e-mail van [de man] van 10 maart 2012, overgelegd als productie 27. De bestemming verhoudt zich ook met de feitelijk gang van zaken: dat het pensioen is. Daar is van geconsumeerd. Er is nooit 1 cent aan suppletie geweest. Het geld is verbruikt/vermengd.
Er is niet gesuppleerd. Ik betwist met klem dat er in 2003 en 2004 is uitgekeerd. Dat staat ook niet in zijn stukken en is niet onderbouwd. Het is juist dat het geld rechtstreeks van de werkgever in de stamrecht bv is gestort. Daarna is het onmiddellijk gesplitst.
(…)’
2.4. Conclusie ten aanzien van subklacht 1a
De vrouw stelt in cassatie dat het hof op een essentiële stelling van haar (bestemmingswijziging) niet zou zijn ingegaan, maar uit de stukken in feitelijke instantie blijkt niet, althans niet (voldoende) kenbaar, dat de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat de man aan de door hem ontvangen ontslagvergoeding een andere (met haar overeengekomen c.q. aan haar toegezegde) bestemming heeft gegeven. De vrouw heeft aangegeven dat in de verhoudingtussen de werkgever en de man de aard van de ontvangen ontslagvergoeding niet duidelijk zou zijn. Behalve naar het hiervoor sub 2.3 weergegeven partijdebat in appèl verwijst de man in dit verband naar de volgende passages uit de processtukken in eerste aanleg:
Pleitaantekeningen van (de advocaat van) de vrouw voor de mondelinge behandeling van 21 mei 2013:
‘Ontslagvergoeding
- 25.
De man kondigt in zijn schrijven aan uw rechtbank van 1 mei 2013 aan dat hij zich op het standpunt zal stellen dat de door hem ontvangen ontslagvergoedingen op grond van verknochtheid aan hem verknocht buiten de verdeling van de gemeenschap van goederen vallen. De vrouw is het daarmee oneens en meent dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat sprake is van verknochtheid. Ik licht dat als volgt toe.
- 26.
In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 (NJ 2009, 41) ging het om een beëindigingsovereenkomst op grond waarvan de werkgever een koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij had gestort, zodat de man tot de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen periodieke uitkeringen ontving. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat onderscheid wordt gemaakt tussen aanspraken die zien op de periode vóór en op de periode ná de ontbinding van die huwelijksgemeenschap. Deze laatste vallen naar het oordeel van de Hoge Raad niet in de gemeenschap, de eerste wel.
- 27.
In deze zaak is echter geen sprake van periodieke uitkeringen uit een stamrechtverzekering, maar van een betaling van een ontslagvergoeding ineens. Dit betekent dat moet worden teruggevallen op de uitspraak van de Hoge Raad van 22 maart 1996 (NJ 1996, 640). In die kwestie overwoog de Hoge Raad dat voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat, slechts plaats is in uitzonderlijke gevallen. De Hoge Raad oordeelde dat zo'n uitzonderlijk geval zich niet voordoet in die kwestie aan de orde zijnde geval, waarin het ging om een schadeloosstelling aan een werknemer in verband met beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
- 28.
Dat teruggevallen moet worden op het arrest uit 1996 volgt overigens ook uit de tekst van het arrest van 17 oktober 2008, waarin de Hoge Raad duidelijk aangeeft dat het verschil uitmaakt of de som ineens wordt uitbetaald of niet. Dit wordt herhaald door het Hof Amsterdam in zijn uitspraak van 22 januari 2013 (LJN:BZ4094).
- 29.
De ontslagvergoeding is dus niet aan de man verknocht en valt dan ook in de gemeenschap van goederen.’
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 mei 2013 hebben partijen het volgende naar voren gebracht met betrekking tot de stamrechtvoorziening:
‘Advocaat van de vrouw:
Het verbaast mij dat nu ook het stamrecht verknocht zou zijn. Ik heb me daar niet op voorbereid, maar ik meen dat het niet verknocht kan zijn. Ik constateer dat de man van gedachten is veranderd en het was fijn geweest als ik dat ook op 1 mei had geweten.
Mr. Wakker:
Het standpunt dat de ontslagvergoeding buiten de verdeling dient te blijven was al bekend. Dat heeft betrekking op de hele ontslagvergoeding, Ik verwijs naar de betreffende productie want het betreft een ontslagvergoeding van Tele Atlas. Zie die overeenkomst.
Advocaat van de vrouw:
Ik vervolg mijn pleitnota.
We zijn het niet eens met de visie van de advocaat van de man. Ik licht dat toe. De man zegt subsidiair dat het moet worden uitgesmeerd en dergelijke. Wij staan een splitsing voor. Dan is er geen IB latentie aan de orde, dan kan ieder voor zijn/haar helft een gesprek met de fiscus voeren.
Mr. Wakker:
Het gaat om het doel waarvoor het bedoeld is. Dat zegt de Hoge Raad ook in de jurisprudentie die de advocaat van de vrouw noemt. In hoeverre heeft die vergoeding betrekking op de periode voor ontbinding en in hoeverre op de periode daarna. De gederfde inkomsten zijn van na de datum van ontbinding. (…)
Advocaat van de vrouw:
Het is een zak geld die in een keer is gestort. Dat is weggezet voor de oude dag van beiden. Het is een gemeenschappelijk verhaal, dus ik ben het niet eens met de visie van de advocaat van de man.
Mr. Wakker:
In de stamrechtovereenkomst staat waar het voor bedoeld is geweest. Voor het overige staat het in de stukken, ook van TomTom. Het is niet zo maar een som geld die de man zo maar heeft ontvangen, maar het gaat om gederfde inkomsten.
Advocaat van de vrouw:
De man werkte een blauwe maandag bij TomTom en nu werkt hij parttime. Wat zou het inkomen zijn wat hij kon verdienen en wat zou hij ter suppletie uit het stamrecht moeten aanwenden. Het is voor de oude dag, dat toont dat al aan. Het is ontvangen in 2004, maar het is nooit aangesproken, terwijl er wel inkomen is gederfd.’
Uit de hierboven en de hiervoor sub 2.3 geciteerde passages uit de stukken in feitelijke instanties blijkt bovendien, dat (juist) de vrouw zich (ook) op het standpunt heeft gesteld dat partijen de oorspronkelijke bestemming van een verknocht goed niet kunnen wijzigen.3. Zo is in het proces-verbaal van de zitting van het Hof d.d. 30 april 2014 vermeld dat de advocaat van de vrouw daartoe heeft aangegeven: ‘[…] Door er zelf op enig moment een bestemming aan te geven, kun je niet de oorspronkelijke bestemming wijzigen. […]’. Anders dan de vrouw in haar subklacht 1a betoogt, is dus géén sprake geweest van een voor het hof (en de man) kenbare essentiële stelling, zodat deze klacht reeds om die reden faalt.
Daarbij merkt de man op dat het hof de essentiële stelling die de vrouw wél heeft aangevoerd — te weten dat de man de aard/strekking van de door hem ontvangen ontslagvergoeding niet (voldoende) heeft aangetoond — terecht (gemotiveerd) heeft verworpen, door te verwijzen naar de relevante passages uit de ontslag- en stamrechtovereenkomst die man in het geding heeft gebracht.4.
Zou uw Raad van oordeel zijn dat de stelling van de vrouw in haar cassatieklacht sub 1a dat zij in feitelijke instantie wél (voldoende) duidelijk en kenbaar zou hebben aangevoerd, kort gezegd, dat de man de door hem ontvangen ontslagvergoeding een andere bestemming heeft gegeven dan de bestemming die deze had in de verhouding tussen hem en zijn werkgever, dan kan deze klacht desondanks toch niet tot vernietiging van de beschikking(en) van het hof leiden, omdat deze klacht, gelet op hetgeen hiervoor sub 2.2.2 is opgemerkt, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting: echtgenoten kunnen zelf de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap niet beïnvloeden door aan goederen die gezien hun aard/strekking als bijzonder verknocht kwalificeren een andere bestemming te geven, waardoor deze toch in de huwelijksgemeenschap vallen.
2.5. Conclusie ten aanzien van subklacht 1b
In subklacht 1b klaagt de vrouw dat het hof met zijn oordeel dat de aanspraken van de man jegens zijn stam recht B.V. bijzonder verknocht aan hem zijn van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Daarbij verwijst de vrouw naar de uitspraak van uw Raad d.d. 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293. Kern van deze uitspraak is het oordeel van uw Raad dat het geval waarbij een ontslagvergoeding, bestemd tot vervanging van toekomstig gederfd loon, is gestort in een stam recht B.V. niet anders beoordeeld dient te worden dan het geval waarin een dergelijke vergoeding als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij is gestort. Ook in het geval er een aanspraak bestaat jegens een stamrecht-B.V., dient onderzocht te worden in hoeverre de aanspraak ziet op de periode vóór dan wel na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap.
Wat er van het betoog van de vrouw in haar cassatieklacht sub 1b ook zij: in feitelijke instantie heeft de vrouw zich niet (gemotiveerd) op het standpunt gesteld dat ook in de onderhavige zaak een dergelijk onderscheid gemaakt zou moeten worden. De vrouw heeft steeds betoogd, dat de man niet aannemelijk gemaakt zou hebben dat de door hem ontvangen ontslagvergoeding de strekking heeft om toekomstig inkomensverlies te compenseren. Aldus heeft het hof terecht niet geoordeeld over de vraag of de door de man ontvangen ontslagvergoeding, nu deze — anders dan de vrouw stelde — wel degelijk ziet op compensatie van verlies aan toekomstig arbeidsinkomen, wellicht toch gedeeltelijk in de huwelijksgemeenschap is gevallen. De vrouw heeft in feitelijke instantie dit standpunt niet (gemotiveerd) ingenomen, ook niet bij wijze van subsidiaire stelling. Het hof hoefde aan deze — voor het eerst in cassatie — door de vrouw opgeworpen stelling dan ook geen aandacht te besteden. Aldus is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Klacht 2: vergoedingsrecht ABN AMRO rekening
2.6. Inhoud klacht
De vrouw klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek van de vrouw heeft afgewezen tot vergoeding van hetgeen zij over de periode vanaf het uiteengaan van partijen (op 18 februari 2012) en de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie (24 juli 2013) en over de periode 1 januari 2012 tot 17 februari 2012 vanaf de ABN-AMRO rekening, waarvan het saldo aan haar is toegedeeld, aan kosten van de huishouding heeft voldaan. De vrouw stelt dat het hof in feite heeft geoordeeld dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Volgens de vrouw heeft de man — kort gezegd — echter erkend dat de vrouw een bedrag van € 1.755,12 per maand, oftewel over 17 maanden een bedrag van € 29.837,04 heeft betaald vanaf de betreffende rekening in verband met kosten van de huishouding.
2.7. Juridisch kader
Zie in deze H.W.B. thoe Schwartzenberg, Civiel bewijsrecht voor rechtspraktijk, Vierde herziene uitgave Apeldoorn-Antwerpen, Maklu 2013, pag. 24 e.v..:
‘De uitleg van de gedingstukken is aan de feitelijke rechter voorbehouden. Daarbij behoort de rechter alle ordentelijk en behoorlijk te zijner kennis gebrachte argumenten en gegevens bij de beoordeling van een zaak te betrekken. De rechter is niet geroepen om omvangrijke stukken waarvan de relevantie voor het ter beoordeling voorgelegde geschil niet of onvoldoende wordt toegelicht, te gaan ‘doorspitten’ om na te gaan of daarin misschien gegevens voorkomen die op de hem voorgelegde vraag betrekking (kunnen) hebben. De rechter mag zulks niet doen, omdat op die manier te zijner kennis gekomen gegevens niet duidelijk aan de andere partij in de procedure zijn voorgehouden, en omdat er mee rekening moet worden gehouden dat die andere partijen daarvan onvoldoende hebben kunnen kennis nemen om die bij hun standpuntbepaling in aanmerking te (kunnen) nemen. Het beginsel van hoor en wederhoor rechtvaardigt daarom niet alleen dat de rechter aan op deze manier ‘ingebrachte’ gegevens voorbij gaat, maar verplicht daar in voorkomend geval zelfs toe. Er is dan niet voldaan aan het kenbaarheidsvereiste.
… Eiser heeft niet alleen stelplicht, maar zal zijn stellingen eveneens voldoende concreet moeten onderbouwen. Veel procedures stranden bij de beoordeling van de door partijen weergegeven feiten. In vonnissen ziet men termen als: ‘de stelling is onvoldoende feitelijk (of nader) onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat’ of ‘de stellingen zijn onvoldoende geconcretiseerd/ missen feitelijke grondslag’, gevolgd door verwerping van een stelling. De gestelde feiten zijn dan niet toereikend voor de door eiser beoogde rechtsgevolgen. Ook deskundigen -of getuigenbewijs dient er niet voor lapidaire stellingen aan te kleden. De rechter zal dan de zaak op de stelplicht kunnen afdoen en de vordering afwijzen.
… Nog voordat bewijslevering aan de orde is, kan de rechter tot een bepaalde feiten-vaststelling komen, die tot resultaat kan hebben dat (dat onderdeel van) de eis onmiddellijk sneuvelt.
… Het adagium ‘Wie niet voldoende stelt, zal ook niet bewijzen’ geldt zowel voor eiser als voor verweerder. Alleen voldoende onderbouwde stellingen behoeven door de rechter te worden onderzocht Bewijs moet men ‘verdienen’: bewijslevering komt pas aan de orde komt wanneer enerzijds voldoende is gesteld en anderzijds voldoende is betwist.
Verweerder: voldoende gemotiveerd betwisten
Wanneer eiser aan zijn stelplicht heeft voldaan en e.e.a. voldoende heeft onderbouwd, weet gedaagde waarop hij zijn verdediging dient af te stemmen. Dan rijst de vraag of gedaagde de naar voren gebrachte feiten voldoende betwist. De bewijslastverdeling op grond van art. 150 Rv komt pas aan de orde nadat enerzijds voldoende is gesteld en anderzijds voldoende is betwist (art. 149 lid 1 Rv).
De stellingen van eiser komen niet vast te staan indien verweerder voldoende gemotiveerd verweer voert. De rechter neemt daarentegen de door de eisende partij gestelde feiten als vaststaand aan indien de verweerder die feiten niet of onvoldoende gemotiveerd betwist (art. 149 lid 1 Rv tweede volzin). De rechter gaat dan uit van de juistheid van die feiten. Er valt dan niets te bewijzen en een bewijsaanbod mag in een zodanig geval worden gepasseerd. Wederom is bewijslevering niet aan de orde. De rechter zal (dat onderdeel van) de vordering meteen kunnen toewijzen.
Van niet of onvoldoende betwisting van stellingen door de wederpartij is sprake bij het achterwege blijven van verweer, het niet voldoende motiveren van verweer, het onvoldoende onderbouwen van een verweer of wanneer een partij zich refereert aan het oordeel van de rechter. In geval van een erkentenis of na verstekverlening is eveneens sprake van een niet-betwisting.
De stelplicht van een procespartij wordt mede bepaald door het verweer van de wederpartij: bij beter tegenspel van de verweerder gaan als vanzelf de eisen gesteld aan de eiser omhoog. Dit houdt ook dat hoe gespecificeerder wordt betwist, hoe gespecificeerder nader moet worden gesteld.
De rechter hoeft niet in te gaan op alle door procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen. Dit geldt met name wanneer het, een min of meer terloopse stelling betreft. De rechter hoeft slechts in te gaan op essentiële stellingen, dat wil zeggen stellingen die — indien juist — waarschijnlijk tot een andere beslissing zouden hebben geleid.
Een bewijsaanbod kan worden gepasseerd in het geval een procespartij een ongeloofwaardige stelling aan zijn vordering ten grondslag legt en de wederpartij daartegenover een gemotiveerd en gedocumenteerd verweer voert. In dat geval kan van de procespartij worden gevergd dat hij, ter voldoening van zijn stelplicht, nadere gegevens aanvoert.
Het oordeel dat een bepaald gegeven onvoldoende gemotiveerd gesteld of betwist is is een feitelijk oordeel.’
2.8. Procesverloop ter zake het vergoedingsrecht van de ABN-AMRO rekening (voor zover relevant)
In haar beroepschrift van 2 oktober 2013 heeft de vrouw middels haar grief 16 haar verzoek vermeerderd, in die zin dat zij heeft verzocht de man te veroordelen tot betaling van een nader door de vrouw te becijferen bedrag ter zake de kosten van de huishouding (in de periode 18 februari 2012 tot 24 juni 2013). In de toelichting op haar grief schrijft zij dat de man over de periode van het uiteengaan van partijen tot de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie geen bijdrage heeft geleverd in de kosten van de huishouding, terwijl hij daartoe op grond van art. 1:84 BW wel verplicht was. Volgens de vrouw dienden de kosten van de huishouding ten laste van het inkomen van de man te komen, nu zij zelf geen inkomen had, dan wel ten laste van het gemene vermogen. De vrouw kondigde aan nog een overzicht van de betreffende kosten in het geding te zullen brengen.
In zijn verweerschrift van 14 november 2013 heeft de man verweer gevoerd tegen dit verzoek van de vrouw. Hij heeft aangevoerd het belang van de vrouw bij haar verzoek niet in te zien nu de rechtbank de vrouw reeds had gevolgd in de door haar aangegeven wijze van verrekening van kosten. De man heeft zelf tegen het oordeel van de rechtbank (incidenteel) appel ingesteld (incidentele grief IV). Hetgeen bij deze grief is gesteld heeft de man als herhaald en ingelast wensen te beschouwen bij zijn verweer op grief 16 van de vrouw. Bij zijn grief IV heeft de man gesteld (punt 90 e.v. van zijn verweerschrift):
‘Ten onrechte volgt de rechtbank het ‘spoorboekje’ van de vrouw. Voor een verrekening tussen partijen op grond van de artikelen 1:81 jo. 1:84 BW is geen plaats, nu partijen als peildatum voor de verdeling van de saldi van de rekeningen hebben gekozen voor 1 januari 2012. Dit brengt nu juist mee dat partijen ervoor hebben gekozen vanaf die datum ieder ‘voor eigen rekening te leven’. (…)
Primair handhaaft de man dan ook dat de vrouw aan de man een bedrag van € 46.964,44 dient te voldoen, te vermeerderen met de helft van datgene dat de vrouw heeft opgenomen van de in de gemeenschap vallende rekening voor 1 januari 2012 ten behoeve van het stofferen en gebruiksklaar maken van de woning.
- 91.
Voor zover uw hof van oordeel zou zijn dat er wel een verrekening dient plaats te vinden met inachtneming van de artikel 1:81 jo. 1:84 BW merkt de man het volgende op. Hoewel de rechtbank wel uiteenzet wat is bepaald in artikel 1:81 en 1:84 BW heeft de rechtbank niet in aanmerking genomen dat het inkomen van partijen (lees: de man) niet voldoende is geweest om de volledige kosten van de huishouding te betalen. Dit betekent in dit geval dat, voor zover de kosten van de huishouding (waaronder tevens vallen de kosten van de kinderen) het netto inkomen te boven zijn gegaan, deze kosten ten laste van het gemeenschappelijk vermogen dienen te komen. Thans komen deze kosten volgens het ‘spoorboekje’ van de vrouw ten onrechte volledig voor rekening van de man.
(…)
- 93.
Als bijlage 15 legt de man een berekening over waaruit het met de vrouw te verrekenen bedrag volgt op basis van het ‘spoorboekje’ van de vrouw, maar rekening houdend met hetgeen hiervoor naar voren is gebracht.’
Bij brief van 18 april 2014 heeft de vrouw als productie 29 een overzicht in het geding gebracht van de kosten ten behoeve van haar levensonderhoud en dat van de bij haar wonende kinderen, voldaan vanaf de ABN-AMRO rekening. Het betreffende overzicht liet een totaalbedrag zien van € 38.531,17.
Bij brief van 14 april 2014 heeft de man als bijlage 15 de reeds in zijn verweerschrift aangekondigde berekening overgelegd van de kosten van de huishouding van partijen.
Tijdens de mondelinge behandeling van 30 april 2014 heeft de advocaat van de man het volgende naar voren gebracht.
In het kader van de partneralimentatie:
‘Op 18 april 2014 zijn deze bankafschriften pas overgelegd. Er is veel zwartgemaakt. De vrouw geeft € 1.755,- per maand uit. Van de eigen rekening ontbreken de bewijsstukken.’
In het kader van de verrekening:
‘De bankrekeningen zijn gesplitst op 1 januari 2012. In 2013 is de beschikking voorlopige voorzieningen afgegeven. In de tussentijd heeft de vrouw geleefd. Moet dat geld wel of niet verrekend worden? Ik meen van wel. De helft komt voor rekening van de vrouw, de helft voor rekening van de man. Het totaal netto inkomen van de man van € 70.000,- is uitgegeven. Vervolgens moet het vermogen van partijen worden aangesproken. Ik wil vaststellen dat de man ook moet leven en dat ook zijn kosten van de huishouding moeten worden betaald uit zijn inkomen. In productie 15 heeft de man uitgerekend wat de kosten van de huishouding van de vrouw zijn geweest. Daarnaast heeft de vrouw ook van een eigen rekening geleefd, daarvan heeft zij ook kosten van de huishouding betaald: € 1755,12 per maand. Samen € 2.884,47 per maand. Het netto loon bedroeg € 77.160,-. De totale uitgaven waren € 147.622,-. Er was dus een tekort van € 70.461,-. Daar komen de kosten die de vrouw zelf heeft gemaakt nog bij. Dan kom je op € 87.404,-. De helft daarvan. € 43.702,- zou de vrouw moeten betalen aan de man.’
In rechtsoverweging 11.16.2 en 11.16.5 van de tussenbeschikking van 4 juni 2015 overweegt het hof:
‘11.16.2.
Voor zover tussen partijen géén overeenstemming bestaat met betrekking tot vergoedingsrechten over en weer, dient het geschil te worden beoordeeld aan de hand van de algemene regels voor de financiële afwikkeling tussen in gemeenschap van goederen gehuwde (voormalige) echtgenoten.
Voor zover de man van zijn aandeel in de per 1 januari 2012 verdeelde banksaldi ‘strikte privé-uitgaven’ van de vrouw heeft voldaan, dient de vrouw deze volledig aan hem te vergoeden.
Voor zover de ‘strikte privé-uitgaven’ voor de vrouw zijn gedaan uit het gemeenschappelijk vermogen van partijen heeft de man een vergoedingsrecht ter grootte van de helft van de uitgaven.
De kosten van levensonderhoud van de vrouw komen op grond van de artikelen 1:81 en 1:84 BW ten laste van het inkomen van de man. Voor zover dat inkomen ontoereikend is, komen die kosten ten laste van het gemeenschappelijk vermogen van partijen. Het is aan de man aan te tonen dat zijn inkomen ontoereikend is. In dat geval heeft de man, indien hij die kosten heeft betaald van zijn aandeel in de per 1 januari 2012 verdeelde banksaldi, een vergoedingsrecht op het gemeenschappelijk vermogen: de helft van die kosten komen ten laste van het aandeel van de vrouw in het vermogen.
Voor zover de vrouw kosten van levensonderhoud heeft voldaan uit haar aandeel in de per 1 januari 2012 verdeelde banksaldi in de periode van 1 januari 2012 tot 24 juli 2013 (de datum waarop de vrouw voorlopige alimentatie is gaan ontvangen) heeft zij op grond van de artikelen 1:81 en 1:84 BW een vergoedingsrecht op de man ter grootte van het volle bedrag indien het inkomen van de man toereikend was om die kosten te voldoen en van de helft indien dat inkomen ontoereikend was (en dus die kosten ten laste komen van het gemeenschappelijk vermogen).
11.16.5.
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om aan de hand van hetgeen hiervóór in rov. 11.16 tot en met 11.16.4 is overwogen een concrete opstelling te maken van de bedragen die over en weer dienen te worden verrekend, waarna het hof het te verrekenen bedrag zal vaststellen.’
Bij brief van 15 juli 2015 heeft de man gesteld:
‘2. Door de man voldane kosten van de huishouding van de vrouw
De man heeft in de periode na de tussen partijen overeengekomen peildatum 1 januari 2012 van de aan hem toegedeelde en/of rekening met nummer [001] een bedrag van in totaal € 23.994,73 betaald aan kosten van de huishouding van de vrouw. Deze kosten zijn dan ook volledig voor rekening van de man gekomen. Zie voor de onderbouwing van deze kosten de stukken die de man als bijlage 15 in hoger beroep heeft overgelegd (nu bijlage 45).
Uit het overzicht dat nu als bijlage 45 B 1/- is overgelegd, blijkt ook dat het inkomen van de man ontoereikend is geweest om de kosten van de huishouding te voldoen.
Gelet hierop dient de vrouw op grond van de overwegingen van uw hof de helft van deze door de man betaalde kosten aan de man te vergoeden.
(…)
Aanvullend verzoek 1
De man verzoekt uw hof, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te bevelen de stukken waaruit de hiervoor onder 5 genoemde kosten blijken, in het geding te brengen.
Op grond van het voorgaande dient de vrouw aan de man het volgende te vergoeden:
17.996,92 | (zie punt 1) | |
11.997,36 | (zie punt 2) | |
1.100,00 | (zie punt 3) | |
5.000,00 | (overeenkomstig rov. 11.16.3) | |
975,50 | (zie punt 4) | |
37.119,78 | + p.m. | (zie punt 5) |
De man wijst er echter op dat volgens 1:81 en 1:84 BW de kosten van de huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, ten laste komen van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens naar evenredigheid daarvan. Voor zover dat ontoereikend is, komen de kosten ten laste van het gemene vermogen. Zoals uit de door de man overgelegde bijlage 45 B 1/- blijkt, bedroegen de totale kosten van de huishouding tot 30 april 2013 € 147.622,41 (= € 49.046,98 + € 74.580,70 + € 23.994,73), terwijl het inkomen van de man in die periode € 77.160,92 bedroeg. Gelet hierop kon een bedrag van € 70.461,49 niet uit het inkomen worden voldaan en dienen deze kosten dus uit het gezamenlijke vermogen voldaan te worden. Gelet hierop is de man van mening dat volgens de artikelen 1:81 en 1:84 BW, de vrouw het volgende aan de man verschuldigd is:
35.230,74 | (te weten de helft van het hiervoor genoemde tekort van € 70.461,49) | |
17.996,92 | (zie het hiervoor genoemde punt 1) | |
1.100,00 | (zie het hiervoor genoemde punt 3) | |
5.000,00 | (overeenkomstig rov. 11.16.3) | |
975,50 | (zie het hiervoor genoemde punt 4) | |
60.303,16 | + p.m. | (zie het hiervoor genoemde onder punt 5)’ |
Aanvullend verzoek 2
De man verzoekt uw hof, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat volgens de artikelen 1.81 en 1.84 BW (zoals uw hof doet in zijn overwegingen 11.16 tot en met 11.16.4 van de beschikking van 4 juni 2015), de vrouw aan de man een bedrag van € 60.303,16 (+ p.m.) dient te betalen.’
Bij brief van 15 juli 2015 heeft de vrouw gesteld:
‘1.
Primair is [de vrouw] van mening dat het inkomen van [de man] afdoende is om alle, in dit schrijven nader aan te duiden kosten van levensonderhoud, gemaakt door [de vrouw], te bekostigen en indien [de man] van mening is dat dit niet het geval is dan is het naar mening van [de vrouw] aan [de man] om dat aan de hand van justificatoire bescheiden aan te tonen.
Het inkomen van [de man] over de periode 1 januari 2012 tot 24 juli 2013 bedraagt naar mening van [de vrouw] in ieder geval, zo is [de vrouw] subsidiair van mening, € 112.048,00 netto, te specificeren als volgt:
- | 18 × € 5.960,00 = | € 107.280,00 |
- | 24: 30 × € 5.960,00 = | € 4.768,00 |
Totaal | € 112.048,00. | |
Deze berekening is in overeenstemming met de vaststelling van het netto inkomen van [de man] door het Gerechtshof, als weergegeven bij 3.5.12 in de tussenbeschikking van 10 juli 2014.
Het inkomen ad € 112.048,00 netto is dus naar mening van [de vrouw] minimaal het inkomen waaruit de kosten van levensonderhoud van mevrouw voldaan behoorde te worden. (…)
2.
De kosten van levensonderhoud voor [de vrouw] over de periode 1 januari 2012 tot 23 juni 2013 zijn (grotendeels) voldaan uit Rabobankrekening [001] en ABN-AMRO rekening [002].
Bij bijlage 15 behorende bij de brief van 14 april 2014 van mr. L.H.M. Zonnenberg aan het Gerechtshof is een opstelling gevoegd met een weergave van de uitgaven over de periode 1 januari 2012 tot 30 april 2013, vanuit bankrekening [003].
De in die periode volgens die opstelling weergegeven kosten van levensonderhoud van [de vrouw] bedragen € 23.994,73.
Alle uitgaven die vanuit de betreffende rekening nr. [001] door of voor [de vrouw] zijn gedaan, dienen te worden beschouwd als kosten voor levensonderhoud, tenzij in dit schrijven uitdrukkelijk een correctie daarop wordt aangegeven.
Bijgaand als bijlage 1 een overzicht met omschrijvingen van de betreffende uitgaven en waaruit ook blijkt dat het gaat om kosten voor levensonderhoud en tevens dat een deel van de uitgaven ten behoeve van de kinderen zijn gedaan (zijn woonden immers tot medio augustus 2012 bij de vrouw).
Het inkomen van de man dient als toereikend voor deze uitgaven te worden geacht. In dat verband is het van belang om het huishoudboekje van de man, als overgelegd bij de brief van mr. Zonnenberg aan het Gerechtshof d.d. 14 april 2014 (bijlage 15) te beoordelen, in ieder geval ook voor wat betreft de posten die vanuit die rekening door, naar hij zelf stelt, [de man] zijn betaald en naar zijn mening kennelijk op zijn inkomen gedurende de periode 1 januari 2012 tot 30 april 2013 in mindering gebracht zouden moeten worden.
In dit verband zijn onder meer ook de door [de man] gestelde uitgaven ten behoeve van de kinderen van belang. (…)
De door [de man] blijkens bijlage 15 behorende bij de brief van mr. Zonnenberg aan het Gerechtshof d.d. 14 april 2014 gedane uitgaven, vanuit rekeningnummer [001] zijn naar mening van [de vrouw] slechts voor een deel relevant.
(…)
5.
[de vrouw] heeft ook aanzienlijke kosten voor de huishouding gedaan vanuit ABN-AMRO bankrekeningnummer [002] (een per 1 januari 2012 uitsluitend op naam van [de vrouw] staande rekening).
Als productie 29, behorende bij de brief van de vorige advocaat van [de vrouw] aan het Gerechtshof d.d. 18 april 2014 is al een opstelling van die kosten weergegeven, vanaf 18 februari 2012.
Het aldaar weergegeven bedrag ad € 38.531, 17 ziet op de periode 27 februari 2012 tot en met 24 juli 2013.
Een overzicht van de kosten voor de huishouding welke vanuit deze rekening in de periode 1 januari 2012 tot 17 februari 2012 zijn gedaan wordt hierbij als bijlage 5 toegezonden en over deze periode gaat het om € 1.943,00.
Vanuit deze rekening van [de vrouw] is in totaal over de periode 1 januari 2012 tot 24 juli 2013 € 40.474,45 betaald voor de kosten van de huishouding.
Uitgangspunt is dat ook dit bedrag uit het inkomen van [de man] voldaan behoort te worden c.q. dat met betrekking tot dit totaalbedrag een verrekening dient plaats te vinden als weergegeven in de beschikking van het Gerechtshof d.d. 4 juni 2015.
11.
In acht genomen al het vorenstaande is [de vrouw] dus van mening dat de navolgende bedragen/kosten verrekend dienen te worden zoals door het Gerechtshof aangegeven:
- •
de € 23.994,73 ter zake de kosten van levensonderhoud als weergegeven in het huishoudboekje van [de man], te corrigeren met het hierboven gestelde omtrent de ziektekosten/verzekering en de belasting IB 2011 (zie punt 4) en te vermeerderen met de kosten voor levensonderhoud van [de vrouw] die vanuit rekening [001] zijn betaald in de periode 1 mei 2013 tot 23 juli 2013;
- •
de kosten voor levensonderhoud van [de vrouw] gedaan vanuit rekeningnummer [002] ad in totaal € 40.474,45;
- •
ter zake de ABN-Amro creditcard € 954,94.
13.
Voorts meent [de vrouw] dat het juist is om nog het navolgende onder de aandacht van het Gerechtshof te brengen.
Inboedel.
[de vrouw] gaat er vanuit dat uit de uitspraken van het Gerechtshof volgt dat de inboedel zoals eerder aanwezig in de woning te [a-plaats] aan [de man] kan toekomen. [de vrouw] acht dat overigens niet redelijk omdat [de man] een groot deel van de betreffende zaken feitelijk niet meer gebruikt en (grotendeels) heeft opgeslagen sinds april 2013 (verbouwing).
Hoe het ook zij, middels productie 28 bij de brief van 18 april 2014 aan het Gerechtshof heeft [de vrouw] echter een aantal goederen opgegeven die zij aan haar verknocht zag.
Naar haar mening dienen die goederen buiten de verdeling te blijven.
Het gaat om de goederen als vermeld op het als bijlage 8 bij deze brief gevoegde overzicht, inclusief de op bladzijde 2 van dat overzicht vermelde Peavy gitaarversterker die aan de broer van [de vrouw] in eigendom toebehoort.
[de vrouw] verzoekt het Gerechtshof om alsnog te bepalen dat deze goederen door [de man] aan haar dienen te worden afgegeven. (…)’
Bij tussenbeschikking van 31 maart 2016 heeft het hof in rov. 15.7.2 de verrekenvordering van de vrouw ten aanzien van de door haar betaalde kosten van de huishouding van de ABN AMRO-rekening afgewezen, nu zij haar vordering onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt.
2.9. Conclusie
De vrouw stelt weliswaar onder punt 15 en 16 van het verzoekschrift tot cassatie dat de man zou hebben erkend dat zij een bedrag van € 29.837,04 zou hebben besteed aan de kosten van de huishouding, maar laat na de volledige context weer te geven. De man heeft immers ook appel ingesteld van de overweging van de rechtbank op dit punt (zie hiervoor sub 2.8, grief IV) en heeft juist het standpunt ingenomen dat de vrouw aan hem een bedrag moet vergoeden nu hij alleen (uit privévermogen) het tekort heeft gedragen, terwijl dat uit gemeenschappelijk vermogen gedragen had moeten worden (zie hiervoor sub 2.8, met name het proces-verbaal van de zitting van 30 april 2014 en de brief van de zijde van de man van 15 juli 2015). Beide partijen hebben middels het overleggen van eigen overzichten een en ander getracht te onderbouwen voor het hof. Uit de context kan aldus worden herleid dat de man niet heeft erkend dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft van € 29.837,04. Nu de vrouw, ondanks de gemotiveerde betwisting door de man (zie onder meer grief IV bij zijn verweerschrift in hoger beroep en de brief van 15 juli 2015) haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, heeft het hof op juiste gronden en voldoende begrijpelijk gemotiveerd de vordering van de vrouw afgewezen. Klacht 2 van de vrouw faalt derhalve.
Tevens kan tegen de cassatieklacht ingebracht worden, hetgeen eerder in het proces-verbaal van de zitting bij het hof op 30 april 2014 is vermeld, te weten:
‘De vrouw geeft € 1.755,- per maand uit. Van de eigen rekening ontbreken de bewijsstukken.’
Uit de laatste toevoeging blijkt dat de man zich op het standpunt heeft gesteld dat de vrouw de door haar gestelde uitgaven van € 1.755,- per maand niet middels stukken heeft onderbouwd. Daaruit kan worden opgemaakt dat de man heeft bestreden dat de vrouw € 1.755,- per maand ter zake de kosten van haar huishouding van haar eigen rekening heeft voldaan.
De vrouw doet in dit kader blijkbaar een beroep op 1:84 BW. Een mogelijke erkenning van de man staat nog los van de vraag of hij de kosten van de vrouw ook moet vergoeden. Dat laatste wordt, zoals blijkt uit de door de man in feitelijke instanties ingenomen standpunten in ieder geval niet door hem erkend. Sterker nog, de man stelt dat hij zijn volledige inkomen reeds aan de kosten van de huishouding heeft gespendeerd en dat een eventueel tekort uit het vermogen van partijen betaald moet worden. De man stelt zich op het standpunt dat hij nog een vordering op de vrouw heeft (omdat enkel met ‘zijn’ vermogen het tekort is voldaan), zie zijn grief IV (hiervoor sub 2.8).
Klacht 3: optelsom te verrekenen bedragen
2.10. Inhoud klacht
De vrouw klaagt erover dat de optelsom van de bedragen die verrekend dienen te worden zoals gemaakt onder rechtsoverweging 18.3 van de eindbeschikking van 15 september 2016 onjuist is. Volgens de vrouw lijkt het hof daarbij vergeten te zijn dat grief IV van de man ongegrond is verklaard, zodat het oordeel van de rechtbank dat de man de helft van de kosten van de vakantie naar New York voor zijn rekening dient te nemen in stand blijft. Volgens de vrouw is de beslissing op dit punt zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
2.11. Procesverloop ter zake de te verrekenen bedragen (voor zover relevant)
De rechtbank heeft in haar beschikking van 2 juli 2013 de wijze van verdeling vastgesteld overeenkomstig haar overwegingen onder ‘Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap’. In deze overwegingen is het volgende opgenomen (pag. 11):
Ten slotte volgt de rechtbank de vrouw in haar standpunt dat de man de helft van de kosten van de vakantie in New York dient te dragen. Uit de overgelegde uitdraai van de ABN AMRO credit card blijkt een totaal bedrag van €6.924,27, zodat een bedrag van €3.462,13 in de verrekening dient te worden betrokken.
De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen tot een bedrag van €1.537,87 te vermeerderen met de overige bedragen, te bepalen op de hierboven vermelde wijze.’
In zijn verweerschrift, tevens incidenteel appelschrift van 14 november 2013 heeft de man een grief (grief IV) gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de man aan de vrouw de helft van de kosten van de vakantie in New York dient te vergoeden.
Het hof heeft in zijn beschikking van 31 maart 2016 de volgende te verrekenen bedragen vastgesteld:
- ‘—
Ad (i)
€17.996,92 door de vrouw aan de man te betalen (zie rov. 15.3.1)
€350 door de vrouw aan de man te betalen (zie rov. 15.3.2)
- —
Ad (ii)
€0 ter zake de Rabo-rekening [001] (zie rov. 18.2.3 p. 4 van de beschikking van 15 september 2016)
€0 ter zake de ABN-AMRO rekening (zie rov. 15.7.2)
- —
Ad (iii)
€5.000 door de vrouw aan de man te betalen ter zake de overboeking van de beleggingsrekening (zie rov. 15.8)
- —
Ad (iv)
In rov. 15.9.4 overweegt het hof dat grief IV van de man faalt.
- —
Ad ‘overige verrekeningskwesties’
€817,21 door de vrouw aan de man te vergoeden ter zake ontvangen kinderbijslag’
2.12. Conclusie
Nu het hof heeft geoordeeld dat grief IV van de man faalt, brengt dit mee dat hij de helft van de kosten van de vakantie in New York dient te dragen, te weten € 3.462,13 en dat dit bedrag in mindering moet komen op het door het hof in rechtsoverweging 18.3 berekende bedrag van € 24.164,13. De klacht van de vrouw tegen dit onderdeel van de uitspraak van het hof is naar de mening van de man dan ook terecht voorgesteld.
Klacht 4: peildatum waardering huis
2.13. Inhoud klacht
De vrouw klaagt in haar vierde klacht dat het hof uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting door bij vaststelling van het overbedelingsbedrag in het kader van de verdeling van de woning uit te gaan van de getaxeerde waarde van de woning per 10 maart 2015.5. Daarmee heeft het hof volgens de vrouw miskend dat de hoofdregel voor de peildatum voor de waardering is de datum van feitelijke verdeling. Deze feitelijke verdeling had volgens de vrouw nog niet plaatsgevonden op het moment van de beslissing van het hof nu het hof bij beschikking van 10 juli 2014 slechts de wijze van verdeling heeft bepaald. Voor zover de beslissing van het hof zo moet worden begrepen dat partijen een andere datum zouden zijn overeengekomen, is die beslissing volgens de vrouw onbegrijpelijk. Voor zover in de beslissing een afwijking op grond van de redelijkheid en billijkheid zou moeten worden gelezen, is de beslissing volgens de vrouw onvoldoende gemotiveerd. Deze klacht faalt. Ter toelichting dient het volgende.
2.14. Bespreking van de klacht
Primair meent de man dat de vrouw met haar klacht miskent dat zij zèlf in hoger beroep nu juist heeft betoogd dat afgeweken diende te worden van de datum van verdeling als peildatum voor de waardering van de woning. De man verwijst hiertoe naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die tussen partijen op 2 juli 2013 is gewezen. In die uitspraak heeft de rechtbank op pag. 7 het volgende overwogen:
‘Voorts dient, zoals hiervoor is overwogen, in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap uit te worden gegaan van de waarde op het moment van feitelijke verdeling. De rechtbank ziet daarom aanleiding te bepalen dat partijen gezamenlijk opdracht dienen te geven aan Abelen makelaars en taxateurs te Rosmalen om de huidige waarde van de woning vast te stellen. De datum waarop het rapport van Abelen wordt opgesteld geldt ais peildatum.’
De rechtbank heeft vervolgens in het dictum van zijn beschikking de woning aan de man toegedeeld.
De vrouw heeft tegen dit oordeel van de rechtbank twee grieven gericht. In grief 3 van haar beroepschrift heeft zij aangevoerd dat de rechtbank naar haar mening de voormalig echtelijke woning ten onrechte aan de man zou hebben toegedeeld. Grief 4 van haar beroepschrift richt zich tegen het oordeel van de rechtbank voor de vaststelling van de waarde van de woning uitgegaan dient te worden van de waarde van de woning op het moment van feitelijke verdeling, en dat er daarom aanleiding is om te bepalen dat partijen gezamenlijk opdracht dienen te geven aan Abelen Makelaars en Taxateurs om de huidige waarde van de woning vast te stellen, waarbij de datum waarop het rapport van Abelen wordt opgesteld als peildatum geldt. Daarbij heeft zij ter toelichting op die grief het volgende aangevoerd:
‘Toelichting
- 18.
Partijen hebben na moeizaam overleg over tijdstip en condities waaronder de taxatie zou plaatsvinden (geen van partijen zou bij de taxatie aanwezig zijn) gezamenlijk aan 'tSas Makelaardij verzocht om de woning te taxeren. Zij hebben ook ieder de helft van de nota van 'tSas Makelaardij voldaan. Het taxatierapport van 'tSas is dus géén partijdig rapport.
- 19.
Het rapport van Ter Mors Makelaars is wél een partijdig rapport: de man heeft dat rapport laten opstellen zonder de vrouw er zelfs maar in te kennen en met het evidente doel om een (zo laag mogelijke) waarde te laten vaststellen, met het oog op zijn (eveneens) in het geniep geplande ingrijpende verbouwing van de woning. Van enige waarborg voor een niet door partijen beïnvloede taxatie, zoals bij de taxatie van 'tSas Makelaardij was overeengekomen, was geen sprake; de waarde kwam dan ook aanzienlijk (€60.000,00!) lager uit.
- 20.
De vrouw is dan ook van mening dat als waarde van de woning in het kader van de verdeling de door 't Sas Makelaardij getaxeerde waarde heeft te gelden, zoals partijen ook hadden afgesproken. Daarbij komt dat partijen niets hebben aan een nieuwe taxatie, nu de man de ingrijpende verbouwing inmiddels heeft gerealiseerd: als de woning aan de vrouw wordt toegedeeld is de man op grond van zijn toezegging tijdens de zitting in kort geding van 15 april 2013 (zie het kort geding vonnis van 15 april 2013) verplicht om de woning (op zijn kosten) in de oude luister terug te brengen en doet de waarde in de huidige staat er niet toe, terwijl als de woning aan hem wordt toegedeeld, de man (zo neemt de vrouw aan) zal betogen dat de waarde positief is beïnvloed door de verbouwing, die (uiteraard) louter op zijn kosten is gerealiseerd, zodat er afwaardering zou dienen plaats te vinden.
- 21.
Ook ter voorkoming van weer een nieuw dispuut tussen partijen als gevolg van een na de verbouwing uit te voeren taxatie, is er naar de mening van de vrouw dan ook goede grond om in casu af te wijken van het in de jurisprudentie ontwikkelde basisprincipe dat als peildatum voor de waarde de datum van feitelijke verdeling geldt en pleit de vrouw voor de door 't Sas Makelaardij vastgestelde waarde als uitgangspunt in het kader van de verdeling, hoé die verdeling ook uitvalt.’
In haar verweerschrift in incidenteel appel van 24 december 2013 heeft de vrouw geschreven:
‘Ad grief II
(…)
- 9.
De vrouw heeft zich tegen de beslissing van de rechtbank om de woning andermaal te laten taxeren door Van Abelen Makelaars gekeerd (haar vierde grief in principaal appel). Zij heeft gepleit om uit te gaan van de in opdracht van beide partijen (en dus onpartijdig) door 'tSas Makelaardij vastgestelde waarde ad €550.000,00 (productie 11 in eerste aanleg), hoé de verdeling ook uitvalt en herhaalt hier haar argumentatie in haar vierde grief in principaal appel.’.
Afgezien van het vorenstaande faalt de klacht gelet op de uitspraak van uw Raad van 27 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AN9689). Uw Raad overweegt:
‘3.8
Onderdeel 2 betreft de vraag of partijen een andere peildatum met betrekking tot de waardering van de woonboerderij zijn overeengekomen dan de datum van verdeling. Het hof heeft dienaangaande in rov. 4.8 als volgt overwogen:
‘Met betrekking tot de waardering van de boerderij is het juist dat in beginsel uitgangspunt dient te zijn de waarde ten tijde van de verdeling tenzij op grond van een partijafspraak dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere peildatum aangehouden dient te worden. Partijen hebben op 7 april 1998 bij gelegenheid van de comparitie van partijen gezamenlijk schriftelijk afgesproken om de boerderij opnieuw te laten taxeren. Het Hot in de rede om, wanneer de rechter partijen tot elkaar heeft gebracht om een dergelijke afspraak te maken, aan te nemen dat partijen de bedoeling hebben zich aan de op grond van die afspraak uit te brengen taxatie te houden. [De man] heeft onvoldoende nadere omstandigheden aangevoerd die dat anders maken.’
3.9
Onderdeel 2.2 — onderdeel 2.1 bevat geen klacht — mist feitelijke grondslag, omdat, zoals het onderdeel zelf al veronderstelt, het hof klaarblijkelijk met ‘partijafspraak’ niet iets anders heeft bedoeld dan ‘een overeenkomst’. Onderdeel 2.3 klaagt dat het in 3.8 weergegeven oordeel van het hof onvoldoende is om tot een andere peildatum te komen. De onderdelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 zijn tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft kennelijk uit hetgeen partijen blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 7 april 1998 hebben verklaard te zijn overeengekomen, afgeleid dat zij de bedoeling hadden dat de door twee taxateurs, ieder in opdracht van één van partijen, tezamen te verrichten waardering per de taxatiedatum bij de verdeling zou worden aangehouden. Dat oordeel berust op de aan het hof voorbehouden uitleg van hetgeen partijen ter comparitie hebben verklaard en kan derhalve in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het behoefde geen nadere motivering en is ook niet onbegrijpelijk, nu blijkens het proces-verbaal partijen niet enigerlei voorbehoud in verband met het verdere tijdsverloop hebben gemaakt of enige voorwaarde aan hun instemming hebben verbonden. Het hof behoefde, uitgaande van de aldus bereikte overeenstemming waarvan de man niet eenzijdig kon terugkomen, niet nader te motiveren dat het alsnog door de man bij antwoord-conclusie na comparitie gemaakte voorbehoud dat binnen een half jaar na die conclusie (van 18 november 1998) een beslissing met betrekking tot de onroerende zaken zou worden genomen, niet tot het aanhouden van een andere peildatum kon leiden. Voor zover in de onderdelen 2.3.6 en 2.3.7 nog wordt verondersteld dat het hof heeft geoordeeld dat de afspraak ter comparitie impliceert dat de eisen van redelijkheid en billijkheid het aanhouden van een andere datum dan de datum van verdeling rechtvaardigen, of dat volgens het hof om enigerlei andere reden een afwijking van de datum van verdeling is gerechtvaardigd, missen die onderdelen feitelijke grondslag, zodat zij niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft immers zijn oordeel niet gegrond op de redelijkheid en billijkheid noch op enige andere grond dan de hiervoor bedoelde partijafspraak.’
Gelet op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de waardepeildatum (uitgaan van de datum van het taxatierapport als invulling van de datum van verdeling), het feit dat de vrouw daartegen niet heeft gegriefd en het gehele debat van partijen in hoger beroep, heeft het hof mogen begrijpen dat tussen partijen overeenstemming bestond over de te hanteren peildatum voor de situatie dat het oordeel van de rechtbank dat uitgegaan dient te worden van de datum van feitelijke verdeling in stand zou blijven6.. Gelet hierop is het oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk.
Klacht 5: inboedel verknocht
2.15. Inhoud klacht
Middels deze klacht klaagt de vrouw erover dat het oordeel van het hof (rov. 3.8.3 in de deelbeschikking van 10 juli 2014) over de verdeling van de inboedel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is in het licht van haar, volgens de vrouw, (essentiële) stellingen ten aanzien van de verknochtheid van specifieke goederen. Gegrondverklaring van de stelling dat bepaalde goederen verknocht (of hoogstpersoonlijk) zijn, kan volgens de vrouw (zie punt 29 van haar verzoekschrift tot cassatie) leiden tot het gevolg dat de goederen noch juridisch noch economisch in de gemeenschap vallen, juridisch buiten de gemeenschap blijven maar economisch niet, wel in de gemeenschap vallen maar aan de rechthebbend echtgenoot worden toebedeeld zonder verrekening van de waarde, en/of wel in de gemeenschap vallen en toebedeeld worden aan de rechthebbend echtgenoot onder verrekening van de waarde. Primair is de man van oordeel dat dat de vrouw geen belang heeft bij deze klacht, nu zij — nìet — tevens klaagt tegen r.o. 15.11.1 in de beschikking van het hof d.d. 31 maart 2016, waarin het hof heeft overwogen:
‘15.11.1
Onder het kopje ‘inboedel’ merkt de vrouw op dat zij ‘middels productie 28 bij de brief van 18 april 2014 aan het Gerechtshof (…) een aantal goederen [heeft] opgegeven die zij aan haar verknocht zag. Naar haar mening dienen die goederen buiten de verdeling te blijven.’ De vrouw verzoekt het hof alsnog te bepalen dat bepaalde inboedelgoederen door de man aan haar worden afgegeven.
Het hof oordeelt als volgt.
Bij beschikking van 4 juni 2015 zijn partijen slechts in de gelegenheid gesteld een concrete opstelling te maken van de bedragen die over en weer verrekend dienen te worden en niet om zich (opnieuw) uit te laten over de inboedel. Het hof heeft in zijn beschikking van 10 juli 2014 ook al beslist over de inboedelgoederen waar het de vrouw thans om te doen is. In hetgeen de vrouw over de verdeling van die goederen aanvoert, ziet het hof geen reden op die beslissing terug te komen. Voor zover de vrouw een verzoek heeft gedaan tot afgifte is dit een vermeerdering van verzoek die in strijd is met de twee-conclusieregel (terwijl van uitzonderingen op die regel niet is gebleken). De slotsom van het voorgaande is dat liet hof het verzoek (de verzoeken) van de vrouw betreffende de inboedel zal afwijzen.’
2.16. Juridisch kader
Zoals eerder vermeld bij het verweer op cassatieklacht 1 van de vrouw, bepaald artikel 1:94 lid 3 BW dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. De invulling van de vraag wanneer een goed of schuld verknocht is, wordt overgelaten aan de rechtspraak.
Verknochtheid vloeit uitsluitend voort uit de objectieve aard van de goederen en schulden en niet (omgekeerd) uit de subjectieve (zakelijke of gevoelsmatige) gehechtheid daaraan van een echtgenoot, aldus Reinhartz7..
Reinhartz schrijft in de Groene Serie dat algemeen wordt aangenomen dat men categorieën kan onderscheiden in voortschrijdende mate van afnemende verknochtheid. Onderscheid wordt gemaakt in de volgende categorieën:
- A.
Het goed valt noch juridisch, noch economisch in de gemeenschap
- B.
Het goed blijft juridisch buiten de huwelijksgemeenschap, maar economisch niet
- C.
Het goed valt in de gemeenschap maar bij de verdeling zal het goed steeds aan de rechthebbende echtgenoot worden toebedeeld zonder waardeverrekening
- D.
Het goed valt in de gemeenschap maar bij de beëindiging daarvan zal de gerechtigde echtgenoot steeds het goed toebedeeld krijgen, waarbij de waarde van het goed in beginsel moet worden verrekend
- E.
Het goed valt in de gemeenschap terwijl een echtgenoot op grond van de redelijkheid en billijkheid aanspraak kan maken op toedeling bij verdeling
Volgens Breederveld is ‘Verknochtheid is geen emotie, zoals een bepaalde gehechtheid aan de zaak (sieraad) of de historie van de zaak (erfstuk)’.8.
Van Mourik en Verstappen merken op ten aanzien van dergelijke goederen ‘Blijkens de parlementaire geschiedenis wordt in het spraakgebruik met bijzondere verknochtheid vooral gedoeld op familiesieraden en dergelijke. Deze goederen vallen nu juist wel in de gemeenschap ondanks de bijzondere affectiewaarde die de goederen voor een echtgenoot kunnen hebben.9.
Voorts menen Van Mourik en Verstappen dat toedeling van bepaalde goederen aan een bepaalde echtgenoot niet steunt op art. 1:94 lid 3 BW, maar op toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 BW jo. Art. 6:2 BW). Voor het antwoord op de vraag wat de beginselen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen, kan enigerlei bijzondere verknochtheid een rol spelen.
2.17. Het procesverloop (voor zover relevant) met betrekking tot het onderwerp ‘inboedel"
Zoals de rechtbank ook in haar beschikking van 2 juli 2013 heeft overwogen, heeft alleen de man in eerste aanleg bij brief van 6 mei 2013 een overzicht van inboedelbestanddelen in het geding gebracht. De vrouw heeft slechts lijsten van de deurwaarder overgelegd die zijn opgemaakt naar aanleiding van het door de vrouw gelegde maritaal beslag. De vrouw heeft de betreffende lijsten overgelegd als productie 7g bij brief van haar advocaat van 8 mei 2013. Ter zitting van 21 mei 2013 is blijkens het proces-verbaal wel over de inboedel gesproken, maar is in het bijzonder alleen gesproken over foto's en video's. Dat sprake zou zijn van aan de vrouw verknochte goederen of hoogstpersoonlijke goederen heeft de vrouw volgens het proces-verbaal niet gesteld.
De rechtbank heeft vervolgens in haar beschikking (zie pag. 17) geoordeeld dat de door de man overgelegde lijst niet volledig is en de inboedel derhalve verdeeld dient te worden aan de hand van de lijsten van de deurwaarder, in die zin dat het eerste op de lijst vermelde bestanddeel aan de man wordt toegedeeld, het tweede aan de vrouw, enzovoort. Ook de inboedel die zich bevindt aan de [a-straat] diende volgens de beslissing van de rechtbank dienovereenkomstig verdeeld te worden.
In haar beroepschrift van 2 oktober 2013 richt de vrouw grief 11 tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de inboedel:
- ‘50.
Deze door de rechtbank bepaalde verdeling van de inboedel is volstrekt willekeurig en acht de vrouw buitengewoon onredelijk, want zij gaat voorbij aan het feit dat de vrouw door tegenwerking van de man op geen enkele wijze haar wensen duidelijk heeft kunnen maken en er wordt geen rekening gehouden met verknochtheid, met persoonlijk karakter van goederen en het sowieso buiten de boedel vallen van spullen van de moeder van de vrouw. Bij zijn bezoek aan het appartement aan de [a-straat] in november 3012 zag de man voorts af van de zich daarin bevindende inboedelgoederen. Bovendien is ook de lijst van de deurwaarder allerminst compleet.
(…)
- 53.
Omdat de man zelfs weigert om aan de vrouw haar persoonlijke goederen, de aan haar verknochte goederen en de niet in de gemeenschap van goederen vallende goederen van haar moeder af te geven, verzoekt de vrouw uw Hof voorts om de man te verplichten om binnen 7 dagen na de te wijzen beschikking haar persoonlijke goederen, de aan haar verknochte goederen en de niet in de gemeenschap van goederen vallende goederen van de moeder van de vrouw, opgesomd op de door de vrouw nog in het geding te brengen lijst, aan haar af te geven.’
Bij verweerschrift van de man van 14 november 2013 brengt de man hierover het volgende naar voren:
- ‘48.
(…)
De man merkt in dat verband op dat over de verdeling van de inboedelgoederen, zoals blijkt uit de processtukken, geen overeenstemming bestaat en de man ten aanzien van bepaalde goederen bestrijdt dat deze verknocht zouden zijn dan wel niet zouden vallen in de gemeenschap. De man heeft dat reeds van aanvang af aangegeven. De vrouw heeft nooit aangetoond dat sprake zou zijn van verknochte dan wel buiten de gemeenschap vallende goederen. (…) Evenmin onderbouwt de vrouw welke goederen en waarom deze goederen verknocht zouden zijn dan wel buiten de gemeenschap zouden vallen. (…) Voor afgifte van verknochte dan wel niet in de gemeenschap vallende goederen bestaat evenmin sprake nu de man bestrijdt dat van dergelijke goederen sprake is.’
Bij brief van de advocaat van de vrouw van 18 april 2014 legt de vrouw als productie 28 inboedellijsten over onder de volgende vermeldingen.
- ‘—
de lijst van spullen van de overleden moeder van de vrouw die buiten de te verdelen inboedel vallen en door de man aan de vrouw dienen te worden overhandigd;
- —
de lijst van persoonlijke spullen van de vrouw, waarvan op 19 december 2013 een klein deel en ook nog deels beschimmeld en kapot door de man aan de vrouw werd overhandigd;
- —
de lijst van inboedelgoederen van de woning aan de [b-straat] te [a-plaats];
- —
de lijst van inboedelgoederen van het appartement aan de [a-straat] te [b-plaats];’
De vrouw heeft bij bepaalde inboedelgoederen opmerkingen geplaatst als ‘verknocht’, met als reden onder meer: ‘verjaardagscadeau, geschenk bij huwelijk, cadeau vriendin, cadeau overleden zus vrouw’ etc. Klaarblijkelijk verstaat de vrouw onder ‘verknocht’ iets anders (namelijk goederen waar zij aan gehecht is) dan de juridische betekenis die daaraan op grond van art 1:94 lid 3 BW wordt toegekend en op grond waarvan goederen buiten de gemeenschap vallen.
Als productie 38 bij dezelfde brief heeft de vrouw het vonnis in kort geding over gelegd van 17 december 2013 ‘met betrekking tot onder meer de afgifte door de man van persoonlijke goederen van de vrouw, de aan haar verknochte goederen en de niet in de gemeenschap van goederen vallende goederen van de moeder van de vrouw, en met betrekking tot de door haar gewenste omgang van [naam 1], de hond van partijen.’
Blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 30 april 2014 hebben partijen (voor zover relevant) het volgende over de inboedel verklaard (pag. 3–4):
‘Advocaat vrouw:
Ik heb drie inboedellijsten ingediend: waaronder een lijst van verknochte zaken, misschien zijn die spullen er al niet meer. Partijen regelen niets zelf. Van de hoogst persoonlijke zaken is het merendeel nog niet teruggekomen. De vrouw heeft nog steeds geen spullen van haar overleden moeder. Als deze weg zijn, dan is er een groot probleem want ze zijn in beslag genomen. De vrouw heeft de lijst moeten maken uit herinnering. De deurwaarder heeft de vliering overgeslagen. Ik ben er bij geweest; er was geen beginnen aan. De vrouw zal straks het appartement verlaten, dan moet ze wel allemaal nieuwe stukken kopen.’
En op pag. 6–7:
‘Advocaat man:
De vrouw is in de woning geweest. De deurwaarder is er drie keer geweest. Alles wat er is, is gedetailleerd vastgelegd: door de deurwaarder en door de vrouw, mede door middel van foto's. Alles staat in een droge opslag. In december is geprobeerd het te overhandigen. De piano is aan [kind 1] gegeven, de vrouw speelt geen noot. De keukentafel met lades en antieke bordenrek kunnen naar de vrouw. Volgens de lijst is er geen sprake van over of onderbedeling.
Wat betreft de wieg, piano, kruk met lamp stelt de man voor dat deze toekomen aan [kind 1]. Ze was 8 toen ze pianolessen nam.
Ik verzoek u de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft het hoger beroep tegen de wijze van verdeling van de inboedel. De kortgedingrechter heeft die vorderingen al afgewezen. De vrouw is alle gelegenheid gegeven. De lijst moet gewoon worden gevolgd.’
(…)’
En op pag. 8:
‘De vrouw:
Ik wil nog steeds mijn persoonlijke stukken. Van mijn overleden moeder, verknochte spullen. De man liegt, hij is me continu aan het treiteren. Ik mocht uiteindelijk een klein aantal spullen hebben. De verknochte zaken stonden in dozen op zolder. De man heeft de spullen klaar staan om weg te gooien. De piano is gekocht voor mij. De wieg is iets heels speciaals. [kind 1] heeft niets met die wieg. Deze is bij de jongste pas gekocht. [kind 1] zat nog in de kinderwagen of de buggy. Het is een groot huis, 600 kuub. Heb 5 stukjes heb ik aangekruist. En daar wordt nu nog moeilijk over gedaan.’
Het hof heeft vervolgens bij beschikking van 10 juli 2014 ten aanzien van de inboedel het volgende geoordeeld.
‘3.8.3.
Het hof is van oordeel dat aan de vrouw dienen te worden toegedeeld de door de vrouw in productie 28 genoemde ‘spullen van de overleden moeder van de vrouw’ (pagina 1), ‘persoonlijke spullen van de vrouw’(pagina 2 tot en met 4), alsmede de wieg, de keukentafel met laatjes, het antieke bordenrek, de piano met kruk en lamp. In hetgeen de man te dien aanzien heeft gesteld ziet het hof onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Nu de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans partijen daarover te weinig hebben gesteld en onderbouwd, en partijen ieder beschikken over een volledig ingerichte woning, zal het hof beslissen dat daarmee de inboedel is verdeeld en partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.’
2.18. Conclusie
Uit het hiervoor uiteengezette verloop van de procedure (sub 2.17) op het punt van de inboedel blijkt dat de vrouw zich er op heeft beroepen dat bepaalde inboedelgoederen verknocht zouden zijn. Zij heeft daartoe in de overgelegde lijsten achter bepaalde goederen (slechts) de vermelding ‘VERKNOCHT’ geplaatst.
Zij heeft evenwel nagelaten te onderbouwen op grond waarvan de genoemde goederen verknocht zouden zijn en welk gevolg daaraan verbonden zou moeten worden. De man heeft bestreden dat er van verknochte goederen sprake zou zijn (zie onder meer punt 48 van zijn verweerschrift in hoger beroep). Zoals in het cassatieberoep (punt 29) naar voren wordt gebracht, kan de vaststelling van de verknochtheid van een goed tot gevolg hebben ‘dat de goederen noch juridisch noch economisch in de gemeenschap vallen, juridisch buiten de gemeenschap vallen maar economisch niet, wel in de gemeenschap vallen maar aan de rechthebbend echtgenoot worden toebedeeld zonder verrekening van de waarde, en/of wel in de gemeenschap vallen en toebedeeld worden aan de rechthebbende echtgenoot onder verrekening van de waarde.’
Ook in appel staat de motiveringsplicht van de rechter echter tegenover de stellingen van partijen. Nu de stelling van de vrouw slechts inhoudt de mededeling dat bepaalde goederen verknocht zouden zijn, is de eindconclusie dat het hof zijn oordeel wel degelijk voldoende toereikend heeft gemotiveerd. In de optiek van de man heeft de vrouw zelfs niet voldaan aan haar stelplicht.
3. Incidenteel cassatieberoep zijdens de man
3.1.
De man stelt hierbij incidenteel cassatieberoep in tegen de hiervoor sub 1.2 vermelde beschikkingen van het hof en specifiek tegen rechtsoverweging 3.9.2 van de deelbeschikking van het hof van 10 juli 2014 en rechtsoverweging 19 (dictum) van de eindbeschikking van 15 september 2016 waar het de verknochtheid van de door de man ontvangen contractuele ontslagvergoeding van TomTom betreft.
3.2.
Naar het oordeel van de man is er sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat het hof in de hiervoor sub 1.2 bedoelde beschikkingen op de daarin vermelde gronden heeft recht gedaan als in de beschikkingen is aangegeven, zulks om de navolgende, zo nodig in onderlinge samenhang te beschouwen, redenen:
Verknochtheid contractuele ontslagvergoeding TomTom
3.2.1. De relevante feiten en het procesverloop in hoger beroep
Grief V van de man heeft betrekking op de verknochtheid van de vergoedingen die de man van TomTom heeft ontvangen. De man stelt in zijn verweerschrift tevens incidenteel beroepschrift (specifiek punt 96 tot en met 98) dat de door hem ontvangen vergoedingen wel verknocht zijn en een bedrag van € 144.332,- buiten de verdeling dient te blijven, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank in haar beschikking van 2 juli 2013 heeft geoordeeld (pag. 12 en 13).
De man heeft gesteld dat de gelden nog wel identificeerbaar en aanwezig zijn, en heeft daartoe bijlage 16 bij zijn verweerschrift overgelegd. Uit het bankafschrift dat als bijlage 16 is overgelegd blijkt een betaling van TomTom aan de man op 14 april 2010 van € 194.554,67 met als omschrijving: ‘Severance payment and interest’.
Bij haar verweerschrift op incidenteel appel stelt de vrouw dat de gelden wel zijn vermengd en het door de man overgelegde bankafschrift (bijlage 16) onvoldoende duidelijkheid verschaft. De vrouw merkt niets op over dat de gelden niet bedoeld zouden zijn voor toekomstige inkomensderving aan de zijde van de man.
Bij brief van 18 april 2014 heeft de man als bijlage 39 een passage uit zijn arbeidsovereenkomst met TomTom overgelegd, waarin in artikel 15 is opgenomen het doel waarvoor een vergoeding in verband met een mogelijk toekomstig ontslag zal worden betaald:
‘In case the employment agreement is terminated by or on the initiative of TomTom, then the CFO shall as a compensation for loss of future income be entitled to a fixed amount of (12) base salaries, (including holiday allowance, and bonus payment) …’
De man schrijft daarbij als toelichting:
‘Bijlage 39: passage uit de arbeidsovereenkomst van de man met TomTom, waarin in artikel 15 is opgenomen het doel waarvoor de vergoeding in verband met een mogelijk toekomstig ontslag zal worden betaald. Hieruit blijkt dat de door de man ontvangen ontslagvergoeding is bestemd om toekomstig inkomensverlies te compenseren. Daarmee heeft de man alsnog de bestemming van de gelden nader geduid (zie grief V incidenteel appel).’
Als bijlage 40 tot en met 42 legt de man vervolgens bankafschriften over, waaruit volgt dat de gelden nog wel te identificeren zijn. Ter toelichting op die bijlagen schrijft de man:
‘Bijlage 40: financieel jaaroverzicht 2010 van de bankrekeningen van de vrouw, waaruit blijkt dat haar spaarrekening met rekeningnummer [004] in 2010 is toegenomen van een bedrag van € 407.281,-- naar een bedrag van € 578.052,--. Hieruit blijkt dat de toename van het saldo van de spaarrekening in 2010 louter is toe te schrijven aan het door haar van de door de man verkregen ontslagvergoeding overgeschreven deel van € 160.000,--. Dit bedrag is dan ook in volle omvang aanwezig op haar spaarrekening en dient ook in volle omvang op haar spaarrekening aanwezig te worden geacht op de peildatum (zie daarvoor onder andere bijlage 16).
Bijlage 41: transactie overzicht van de Rabo Internet Spaarrekening [005] van de man waaruit blijkt dat het door de vrouw gelegde beslag op 13 februari 2013 op voornoemde bankrekening voor een bedrag van € 217.333,22 doel heeft getroffen in welk bedrag het door de man naar deze rekening overgeboekte bedrag van € 33.000,-- van de door hem ontvangen ontslagvergoeding is begrepen. Aangezien het beslag op deze bankrekening nog steeds ligt, is ook het deel van de ontslagvergoeding van € 33.000,-- nog steeds aanwezig, zoals het op de peildatum ook aanwezig was. Aangezien het grootste deel van het door de man ontvangen totaalbedrag van € 194.554,67 ziet op de periode na de peildatum, dient dat deel van het bedrag als verknocht aan de man buiten de verdeling te blijven. Verwezen zij daarbij naar nrs. 96 t/m 98 (grief V) van het verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift van de man.
Bijlage 42: e-mail van de man aan de vrouw van 2 april 2010, waaruit blijkt dat de man de vrouw op dezelfde dag als dat hij door zijn advocaat op de hoogte wordt gesteld van het uitbetalen door TomTom van de ontslagvergoeding, de vrouw daarover informeert. Zoals uit de stukken blijkt, vormt deze aankondiging van de betaling door TomTom voor de vrouw de aanleiding om op dezelfde dag als de betaling geschiedt, een bedrag van € 160.000,-- naar haar eigen rekening weg te sluizen.’
Bij brief van 18 april 2014 van de vrouw stelt zij onder verwijzing naar productie 35 (bankafschriften) dat daaruit onder meer de vermenging van TomTom ‘geld’ en Teleatlas ‘geld’ blijkt (pagina 6 van de brief).
Uit het proces-verbaal van de zitting van 30 april 2014 blijkt dat de man heeft gesteld (pag. 6):
‘Voor wat betreft de ontvangen ontslagvergoedingen van TeleAtlas en TomTom verwijs ik naar de uitspraken van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 en 7 november 2012. Het komt er op neer dat het bedrag een ontslagvergoeding is, het maakt niet uit waar het geld terecht komt, zelfs niet als het op een en/of rekening terecht komt of als het zich vermengd. Als het maar kan worden gebruikt voor het doel waarvoor het geld is gegeven.
De vraag is of sprake is van zaaksvervanging van een vordering naar geld. De Hoge Raad zegt dat ook als een vordering wordt uitgekeerd, het geld wat daarvoor in de plaats komt, verknocht is. Het geld komt terecht op een en/of rekening en wordt overgeboekt naar een rekening van de vrouw, waar het geld nog steeds staat. De verknochtheid is niet verbroken. De bestemming van het geld bepaal ie niet zelf, die wordt bepaald door de werkgever en de werknemer. Als er onvoldoende inkomen zou zijn geweest, dan had de man gesuppleerd. Het geld dat in de stamrecht bv is gestort, is naar privé overgemaakt om meer rente te ontvangen.’
Bij beschikking van 10 juli 2014 heeft het hof in rechtsoverweging 3.9.2. de grief van de man afgewezen:
‘Nu de man een geldbedrag ineens heeft ontvangen, welk geldbedrag niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering, geldt de door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel dat deze ontslagvergoeding niet verknocht is. De man heeft de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst van TomTom niet overgelegd, zodat door het hof ook niet kan worden vastgesteld of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris. In het geheel is niet duidelijk geworden welke bestemming de door de man ontvangen gelden hebben gekregen.
De door de rechtbank en de man aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2012 (LJN:BY0957) maakt dat niet anders. Immers, de uitspraak in die zaak ziet op een geval van schadevergoeding bij letselschade, hetgeen een geheel andere situatie is dan in de onderhavige zaak aan de orde. De grief van de man faalt dan ook.’
3.2.2. Eerste aanleg
Bij brief van 1 mei 2013 heeft de man als bijlage 16 de uitspraken in de zaak tussen hem en TomTom overgelegd, In de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2005 wordt in rechtsoverweging 1.10 artikel 15.1 van de concept arbeidsovereenkomst geciteerd waarin de ontslagvergoeding is opgenomen en in rechtsoverweging 1.18 wordt artikel 15.2 van de aangepaste concept arbeidsovereenkomst geciteerd. In rechtsoverweging 1.30 is de vordering van de man samengevat, die onder meer inhoudt een verklaring voor recht dat hij recht heeft op een severance payment (ontslagvergoeding) van € 482.000,- althans EUR 262.000,-. In rechtsoverweging 7 wijst de rechter deze vordering af en wijst enkel een vergoeding toe van € 30.000,- bruto ‘een en ander strekkende tot aanvulling van door verweerder te ontvangen uitkeringen dan wel elders verdiend loon’.
De man heeft beroep van onder meer deze beschikking van de kantonrechter ingesteld bij het Hof Amsterdam. Bij arrest van 16 maart 2010 heeft het hof grief III van de man (ten aanzien van de contractuele ontslagvergoeding) laten slagen (zie rechtsoverwegingen 4.15 tot en met 4.26) en de door hem te ontvangen contractuele vergoeding (gebaseerd op 12 maandsalaris, vakantiegeld en bonus) vastgesteld op € 262.000,- bruto, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 juni 2005.
Bij uitspraak van uw Raad van 9 december 2011 heeft uw Raad het oordeel van het hof ten aanzien van de contractuele ontslagvergoeding in stand gelaten (rechtsoverweging 3.6.1 en 3.6.2 (p. 22 en 23 van het arrest), waarin wordt overwogen dat klacht 3b van TomTom dat was ingesteld tegen rechtsoverweging 4.19 van het hof, faalt).
De man heeft voorts als bijlage 18 bij zijn brief van 1 mei 2013 de ‘Termsheet for contract’ overgelegd waarin op pagina 2 ook de ontslagvergoeding is opgenomen inclusief berekeningswijze. Als bijlage 19 heeft de man vervolgens een betaaloverzicht verstrekt van de betalingen die hij van TomTom ontvangen heeft. Bij de betaling van € 194.554,67 schrijft de man: ‘Bovenstaand bedrag is de contractuele ontslagvergoeding van 262.000 minus inhouding + interest’ .
Tot de processtukken in eerste aanleg behoren pagina's 9 tot en met 13 van de pleitaantekeningen van de man (zie expliciet ter zake pag. 18, twee na laatste alinea, van het proces-verbaal van de zitting van 21 mei 2013):
- ‘19.
Uit de uitspraak van het Hof Amsterdam van 16 maart 2010 (rov. 4.26) in het kader van de procedure tegen TomTom blijkt, dat de man een contractuele ontslagvergoeding heeft ontvangen van € 262.000 bruto. Daarnaast heeft de man bij uitspraak van 15 juni 2005 een ontslagvergoeding toegekend gekregen van € 30.000 bruto, strekkende tot aanvulling van door de man te ontvangen uitkeringen, dan wel elders te verdienen loon. Op grond van de jurisprudentie zijn deze vergoedingen bijzonder aan de man verknocht en dienen deze daarom buiten de verdeling te blijven voor zover zij zien op inkomenssuppletie over de periode na de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. De man heeft (inclusief rente) een bedrag van € 194,555 respectievelijk € 43.485 netto ontvangen. In totaal derhalve € 238.040. Deze vergoedingen zien op te derven inkomsten over de periode vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst (15 juni 2005) tot de pensioengerechtigde leeftijd van de man (9 november 2023). Gelet hierop dient, anders dan in de vermogensverdelingsstaat abusievelijk is aangegeven, buiten de verdeling te blijven een bedrag van € 144.332. Dit is als volgt berekend: de periode vanaf de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot de datum van de pensioengerechtigde leeftijd van de man (9 november 2023) beslaat (afgerond) 221 maanden. De periode vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap tot de datum waarop de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, beslaat 134 maanden. Een bedrag van 134/221 × 238.040 = 144.332 dient dan ook buiten de verdeling te blijven.
- 20.
De man wijst op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 (RFR 2008/131), in een zaak waarbij de man in kwestie in verband met de beëindiging van zijn dienstverband een koopsom had ontvangen die ertoe strekte zijn inkomen aan te vullen vanaf het moment van ontslag tot de pensioengerechtigde leeftijd van de man.(…)
- 21.
Ook het hof Arnhem oordeelde in de zaak, die heeft geleid tot de uitspraak van 25 oktober 2011 (LJN BU 9491) in dezelfde zin. De man had een ontslagvergoeding ontvangen die bestond uit twee delen. Eén deel was bedoeld ter aanvulling op zijn inkomen. Deze vergoeding had de man gestort in een lijfrentepolis bij Nationale Nederlanden. Het tweede deel zag op aanvulling van in de toekomst gederfde pensioenopbouw. Deze vergoeding was gestort in een koopsompolis waarmee tijdens het huwelijk eveneens een lijfrente was gekocht. Het hof overwoog:
‘De uitkering betreft naar het oordeel van het hof het deel van de ontslagvergoeding dat (mede) bedoeld is als aanvulling van in de toekomst gederfde pensioenopbouw en in zoverre een inkomenssuppletie is, zij het met ingang van de datum van (pre-)pensioen. Niet valt in te zien waarom er verschil zou zijn tussen het deel van de ontslagvergoeding dat is aangewend voor inkomenssuppletie tot aan de ingangsdatum van het prepensioen én het deel van de ontslagvergoeding dat is aangewend voor inkomenssuppletie vanaf de ingangsdatum van het prepensioen. Beide inkomenssuppleties hebben een toekomstig schade-element in zich. (…) Het hof is met de rechtbank van oordeel dat zowel de (aanspraak uit de) koopsompolis bij De Amersfoortse als de (aanspraak uit de) lijfrentepolis bij Nationale Nederlanden naar hun aard, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald, kunnen worden beschouwd als een goed dat op bijzondere wijze is verknocht aan de echtgenoot die deze aanspraak ontvangt, zodanig dat het goed — voor zover het gaat om inkomenssuppletie na de ontbinding van het huwelijk — bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling moet blijven en daarom in zoverre niet in de gemeenschap valt.
4.19
De maandelijkse uitkeringen die — als inkomenssuppletie — voor de ontbinding van het huwelijk zijn gedaan, vallen naar vaste rechtspraak in de gemeenschap zoals ook inkomen staande huwelijk in de gemeenschap valt.’
- 22.
Gelet op onder meer voorgaande jurisprudentie dienen de door de man ontvangen ontslagvergoedingen tot een bedrag van € 144.332 buiten de verdeling te blijven.’
Uit de spreekaantekeningen van de vrouw ten behoeve van de mondelinge behandeling op 21 mei 2013 blijkt:
‘Ontslagvergoeding
- 25.
De man kondigt in zijn schrijven aan uw rechtbank van 1 mei 2013 aan dat hij zich op het standpunt zal stellen dat de door hem ontvangen ontslagvergoedingen op grond van verknochtheid aan hem verknocht buiten de verdeling van de gemeenschap van goederen vallen. De vrouw is het daarmee oneens en meent dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat sprake is van verknochtheid. Ik licht dat als volgt toe.
- 26.
In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 (NJ 2009, 41) ging het om een beëindigingsovereenkomst op grond waarvan de werkgever een koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij had gestort, zodat de man tot de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen periodieke uitkeringen ontving. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat onderscheid worden gemaakt tussen aanspraken die zien op de periode vóór en op de periode ná de ontbinding van die huwelijksgemeenschap. Deze laatste vallen naar het oordeel van de Hoge Raad niet in de gemeenschap, de eerste wel.
- 27.
In deze zaak is echter geen sprake van periodieke uitkeringen uit een stamrechtverzekering, maar van een betaling van een ontslagvergoeding ineens. Dit betekent dat moet worden teruggevallen op de uitspraak van de Hoge Raad van 22 maart 1996 (NJ 1996, 640). In die kwestie overwoog de Hoge Raad dat voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat, slechts plaats is in uitzonderlijke gevallen. De Hoge Raad oordeelde dat zo'n uitzonderlijk geval zich niet voordoet in die kwestie aan de orde zijnde geval, waarin het ging om een schadeloosstelling aan een werknemer in verband met beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
- 28.
Dat teruggevallen moet worden op het arrest uit 1996 volgt overigens ook uit de tekst van het arrest van 17 oktober 2008, waarin de Hoge Raad duidelijk aangeeft dat het verschil uitmaakt of de som ineens wordt uitbetaald of niet. Dit wordt herhaald door het Hof Amsterdam in zijn uitspraak van 22 januari 2013 (LJN:BZ4094).
- 29.
De ontslagvergoeding is dus niet aan de man verknocht en valt dan ook in de gemeenschap van goederen.’
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 mei 2013 hebben partijen het volgende naar voren gebracht onder het kopje ‘Ten aanzien van de vordering op TomTom minus advocaatkosten’ (pag. 19):
‘Advocaat van de vrouw:
Het verbaast mij dat nu ook het stamrecht verknocht zou zijn. Ik heb me daar niet op voorbereid, maar ik meen dat het niet verknocht kan zijn. Ik constateer dat de man van gedachten is veranderd en het was fijn geweest als ik dat ook op 1 mei had geweten.
Mr. Wakker:
Het standpunt dat de ontslagvergoeding buiten de verdeling dient te blijven was al bekend. Dat heeft betrekking op de hele ontslagvergoeding. Ik verwijs naar de betreffende productie want het betreft een ontslagvergoeding van Tele Atlas. Zie die overeenkomst.
Advocaat van de vrouw:
Ik vervolg mijn pleitnota.
We zijn het niet eens met de visie van de advocaat van de man. Ik licht dat toe. De man zegt subsidiair dat het moet worden uitgesmeerd en dergelijke. Wij staan een splitsing voor. Dan is er geen IB latentie aan de orde, dan kan ieder voor zijn/haar helft een gesprek met de fiscus voeren.
Mr. Wakker:
Het gaat om het doel waarvoor het bedoeld is. Dat zegt de Hoge Raad ook in de jurisprudentie die de advocaat van de vrouw noemt. In hoeverre heeft die vergoeding betrekking op de periode voor ontbinding en in hoeverre op de periode daarna. De gederfde inkomsten zijn van na de datum van ontbinding. (…)
Advocaat van de vrouw:
Het is een zak geld die in een keer is gestort. Dat is weggezet voor de oude dag van beiden. Het is een gemeenschappelijk verhaal, dus ik ben het niet eens met de visie van de advocaat van de man.
Mr. Wakker:
In de stamrechtovereenkomst staat waar het voor bedoeld is geweest. Voor het overige staat het in de stukken, ook van TomTom. Het is niet zo maar een som geld die de man zo maar heeft ontvangen, maar het gaat om gederfde inkomsten.
Advocaat van de vrouw:
De man werkte een blauwe maandag bij TomTom en nu werkt hij parttime. Wat zou het inkomen zijn wat hij kon verdienen en wat zou hij ter suppletie uit het stamrecht moeten aanwenden. Het is voor de oude dag, dat toont dat al aan. Het is ontvangen in 2004, maar het is nooit aangesproken, terwijl er wel inkomen is gederfd.’
3.2.3. Cassatieklachten
Het hof verwerpt grief V van de man in rechtsoverweging 3.9.2. van zijn beschikking van 10 juli 2014 door, samengevat, te overwegen dat:
- a.
De man de ontslagvergoeding ineens heeft ontvangen, en dat daardoor de hoofdregel van de Hoge Raad is dat deze ontslagvergoedingniet verknocht is;
- b.
De man de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende overeenkomst van TomTom niet heeft overgelegd, zodat het doel van de ontvangen gelden (aanvulling inkomen) niet vastgesteld kan worden;
- c.
In het geheel niet duidelijk is geworden welke bestemming de door de man ontvangen gelden hebben gekregen;
- d.
De uitspraak van uw Raad van 7 december 2012 in casu niet van toepassing is, nu het in die zaak om een letselschade-uitkering ging, en niet om een ontslagvergoeding zoals in de onderhavige zaak.
Deze argumenten/rechtsgronden van het hof kunnen zijn onderhavige oordeel niet dragen. Rechtsgrond A die aan het oordeel van het hof ten grondslag ligt, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Waar uw Raad eerder oordeelde dat een ontslagvergoeding die is ontvangen in de vorm van een bedrag ineens niet als bijzonder verknocht geheel of gedeeltelijk buiten de huwelijksgemeenschap kan vallen, is deze eerdere rechtsopvatting inmiddels achterhaald door de uitspraken van uw Raad van 17 oktober 2008, NJ 2009/41 en Hoge Raad 24 juni 2016, NJ 2016/292.
De maatstaf ter beantwoording van de vragen of een goed op de voet van art. 1:94 lid 3 BW op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt volgens vaste rechtspraak van uw Raad af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Bij de beantwoording van de vraag of een door een van de echtgenoten ontvangen ontslagvergoeding bijzonder verknocht is (in vorenbedoelde zin), is de strekking van de verkregen ontslagvergoeding van doorslaggevend belang. Indien en voor zover de ontslagvergoeding door de werkgever is verstrekt tot vervanging van toekomstig gederfd loon, dan dient een onderscheid gemaakt te worden in dat deel van de ontslagvergoeding die ziet op de periode vóór ontbinding van de gemeenschap, en dat deel van de ontslagvergoeding die ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Dat deel van de ontslagvergoeding dat ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap valt niet in de gemeenschap, nu dat deel strekt tot vervanging van inkomen dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zou hebben genoten. Laatst genoemde inkomsten zouden ook niet in de gemeenschap vallen, als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon.
In uw uitspraak van 24 juni 2016, NJ 2016/292 heeft uw Raad geoordeeld dat deze rechtsregel niet alleen geldt voor een ontslagvergoeding die is ondergebracht in een stamrechtverzekering (vgl. Hoge Raad 17 oktober 2008, NJ 2009/41 maar ook voor een ontslagvergoeding die is ondergebracht in een stamrecht B.V. Volgens uw Raad is immers de strekking van de ontslagvergoeding bepalend. Gaat het om vergoeding die is verstrekt ter vervanging van inkomen dat de betrokken echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten, dan dient onderzocht te worden in hoeverre die ontslagvergoeding ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Daarbij is volgens uw Raad bovendien niet van belang of de aanspraak (in geval van een stamrecht B.V.) daadwerkelijk is verzilverd, nu het gaat om de strekking van de aanspraak.
Nu volgens uw Raad de strekking van de ontslagvergoeding bepalend is voor het antwoord op de vragen of een ontslagvergoeding verknocht is, en zo ja, welk deel van die ontslagvergoeding dan buiten de huwelijksgemeenschap valt, geldt de door uw Raad uitgezette lijn ook voor ontslagvergoedingen die zijn ontvangen in de vorm van een bedrag ineens. Ook in geval van een bedrag ineens, kan de strekking immers zijn compensatie voor te derven arbeidsinkomen, in welk geval — gelet op de strekking van de aanspraak — tot geheel of gedeeltelijke verknochtheid moet worden geconcludeerd. Van verknochtheid van een ontslagvergoeding die is ontvangen in de vorm van een bedrag ineens, is dan sprake voor zover dat bedrag ziet op inkomensschade die wordt geleden na ontbinding van de huwelijksgemeenschap.10. Het hof heeft dit in zijn bestreden beschikking miskend, en is aldus van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, althans heeft zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd Indien en voor zover het hof met zijn oordeel bedoeld zou hebben dat een ontslagvergoeding die is ontvangen in de vorm van een bedrag ineens niet verknocht kan zijn, omdat een geldbedrag nimmer als bijzonder verknocht kan kwalificeren, is het hof eveneens van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. De man verwijst naar de uitspraak van uw Raad van 7 december 2012, NJ 2013/141 waarin uw Raad heeft geoordeeld dat ook een geldbedrag bijzonder verknocht kan zijn, en dat bij beantwoording van de vraag of daar in een specifiek geval sprake van is, gekeken zal moeten worden naar de maatschappelijke opvattingen, waaronder met name die over de aard van het betrokken goed (in dit geval de ontslagvergoeding).
Rechtsgrond B die aan het oordeel van het hof ten grondslag ligt is zonder nadere (begrijpelijke) motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De man heeft in feitelijke instantie verschillende malen gemotiveerd gesteld dat de door hem van TomTom ontvangen ontslagvergoeding de strekking had om verlies aan (toekomstig) arbeidsinkomen te compenseren.11. De vrouw heeft deze door de man gestelde strekking in feitelijke instantie niet, althans onvoldoende duidelijk, betwist. De man verwijst naar de schets van het procesverloop zoals hij dat hierboven onder de punten 3.2.1 en 3.2.2 uiteen heeft gezet. Aldus had het hof het er voor moeten houden dat de vrouw de door de man gestelde strekking van de door hem ontvangen ontslagvergoeding — compensatie voor verlies aan (toekomstig) arbeidsinkomen — onvoldoende heeft betwist, zodat het hof de door de man gestelde strekking tot uitgangspunt had moeten nemen.
De man heeft in feitelijke instantie tal van documenten overgelegd waaruit de (door hem gestelde) strekking van de ontvangen ontslagvergoeding blijkt.12. Daarbij heeft de man aangevoerd dat sprake was van een contractuele ontslagvergoeding, die zijn basis vond in zijn arbeidsovereenkomst met TomTom, welke contractuele basis blijkt uit zijn arbeidsovereenkomst en de verschillende gerechtelijke uitspraken die de man heeft overgelegd van procedures tussen hem en TomTom.13. Anders dan het hof in de bestreden overweging heeft geoordeeld, heeft de man dus wel degelijk de aan de ontslagvergoeding ten grondslag liggende (arbeids-)overeenkomst, althans de daaraan ten grondslag liggende documenten (gerechtelijke uitspraken), in geding gebracht, waaruit de door de man gestelde strekking van de ontslagvergoeding afgeleid kan worden, zodat het oordeel van het hof (ook) om die reden onbegrijpelijk is.
Rechtsgrond C die het hof aan zijn oordeel ten grondslag legt, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans is — gelet op hetgeen de man in feitelijke instantie naar voren heeft gebracht — onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De rechtsgrond die het hof aanvoert, slaat gedeeltelijk terug op de eerste cassatieklacht van de vrouw, is het voor een partij mogelijk om zelf een andere bestemming aan een (verknochte) ontslagvergoeding te geven, waardoor deze alsnog in de huwelijksgemeenschap valt. Naar de mening van de man, is dat niet mogelijk. De man verwijst uw Raad naar al hetgeen hij hiervoor ter verweer op de eerste cassatieklacht van de vrouw naar voren heeft gebracht (met name cassatieklacht sub 1a).. Hetgeen de man daar naar voren heeft gebracht, dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Het goederenrechtelijk karakter van de huwelijksgemeenschap, en het objectieve karakter van de figuur van de bijzondere verknochtheid, brengen met zich mee dat voor het antwoord op de vraag of een goed vanwege bijzondere verknochtheid buiten de gemeenschap is gevallen, de strekking van het goed bepalend is op het moment van verkrijging daarvan. Voor een ontslagvergoeding betekent zulks, dat vastgesteld zal moeten worden wat de strekking van deze vergoeding was in de verhouding tussen de werkgever en de werknemer (in deze zaak TomTom en de man), Dat de ontvangende partij (i.c. de man) na ontvangst van de ontslagvergoeding daar een andere bestemming aan geeft, maakt niet dat de vergoeding vervolgens alsnog in de huwelijksgemeenschap valt. De bestemming die de man na ontvangst van de ontslagvergoeding daarvan gegeven heeft (of gegeven zou hebben), is dus om die reden dus niet relevant. Doordat het hof hieraan wel een doorslaggevende betekenis heeft toegekend, is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.
Zou het hof wél van een juiste rechtsopvatting zijn uitgegaan, dan is het oordeel van het hof dat in het geheel niet duidelijk is geworden welke bestemming de door de man ontvangen gelden hebben gekregen onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, gelet op hetgeen de man daarover in feitelijke instantie heeft aangevoerd, De man heeft in feitelijke instantie herhaaldelijk gemotiveerd aangegeven dat de door hem ontvangen gelden nog steeds aanwezig waren in de huwelijksgemeenschap toen deze werd ontbonden, en dat hij deze gelden zou aanwenden in geval hij onvoldoende inkomen zou hebben.14.
In het licht van deze stellingen van de man is, zonder nadere motivering (die ontbreekt), onbegrijpelijk op welke gronden het hof oordeelt dat in het geheel niet duidelijk is geworden welke bestemming de door de man ontvangen gelden hebben gekregen.
De laatste rechtsgrond die het hof aan zijn oordeel ten grondslag legt, rechtsgrond D, gaat eveneens uit van een onjuiste rechtsopvatting. De man verwijst uw Raad naar hetgeen hij hierboven reeds heeft aangevoerd ter toelichting op zijn klacht tegen rechtsgrond A, die het hof aan zijn bestreden oordeel ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen de man ter toelichting daarop naar voren heeft gebracht, dient als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Net zoals bij de beantwoording van de vraag of een door een van de echtgenoten ontvangen letselschadeuitkering bijzonder verknocht is,15. is ook bij een ontslagvergoeding de strekking van de verkregen ontslagvergoeding van doorslaggevend belang. Indien en voor zover de ontslagvergoeding door de werkgever is verstrekt tot vervanging van toekomstig gederfd loon, dan dient een onderscheid gemaakt te worden in dat deel van de ontslagvergoeding die ziet op de periode vóór ontbinding van de gemeenschap, en dat deel van de ontslagvergoeding die ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Dat deel van de ontslagvergoeding dat ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap valt niet in de gemeenschap, nu dat deel strekt tot vervanging van inkomen dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zou hebben genoten. Laatst genoemde inkomsten zouden ook niet in de gemeenschap vallen, als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon. Zoals de man hiervoor in de toelichting op zijn klacht tegen rechtsgrond A reeds naar voren heeft gebracht, maakt het daarbij niet uit in welke vorm de ontslagvergoeding is verstrekt.
Zoals in de toelichting op de klachten van de man tegen rechtsgrond B en C reeds naar voren is gebracht, heeft de man in feitelijke instantie gemotiveerd uiteen gezet dat hij de ontslagvergoeding van TomTom heeft ontvangen ter compensatie van (toekomstig) te derven inkomsten en dat de ontvangen gelden nog steeds aanwezig/identificeerbaar waren op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Het hof is dan ook van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door te oordelen dat de verknochtheid van een letselschadeuitkering anders zou moeten worden behandeld dan de verknochtheid van een ontslagvergoeding, althans zijn oordeel is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd gegeven de stellingen die de man in feitelijke instantie ten aanzien van de strekking en de identificeerbaarheid van de door hem ontvangen ontslagvergoeding heeft ingenomen.
3.2.4.
Een en ander betekent dat niet alleen r.o. 3.9 — r.o. 3.9.2 van 's Hofs beschikking d.d. 10 juli 2014 niet in stand kan blijven, maar evenmin r.o. 19 van de eindbeschikking van het hof d.d. 15 september 2016.
4. Conclusie
In het principaal cassatieberoep
De man verzoekt uw Raad het cassatieberoep te verwerpen, kosten rechtens.
In het incidenteel cassatieberoep
De man verzoekt uw Raad de bestreden beschikkingen te vernietigen, met zodanige verdere beslissing, ook omtrent de kosten, als uw Raad juist zal oordelen.
's‑Hertogenbosch, 14 februari 2017
mr. M.A.J.G. Janssen
Advocaat
Deze zaak is in behandeling bij:
Banning N.V.
mr. M.A.J.G. Janssen,
mr. T.M. Subelack en mr. T.J. Backx
Postbus 1714
5200 BT 's‑Hertogenbosch
T: +31 73 692 77 77
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑02‑2017
Zie B. Breederveld, ‘De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding’, Boom Juridische uitgevers: Den Haag, 2008, p. 120/121
Zie B. Breederveld, ‘Hoe ver reikt de verknochtheid?, EB 2015/66
Weliswaar heeft de vrouw in de toelichting op grief 10 in haar beroepschrift gewezen op de uitspraak van het hof 's‑Hertogenbosch d.d. 20 september 2011 (ECLI:NL:GSHE:BT6249), maar terecht heeft het hof hier geen zelfstandige betekenis aan toegekend, omdat deze verwijzing is gemaakt ais onderbouwing van haar centrale stelling in hoger beroep dat de man de aard/strekking van de door hem ontvangen ontslagvergoeding in de verhouding met zijn werkgever niet zou hebben onderbouwd. Bovendien heeft de advocaat van de vrouw in zijn pleitaantekeningen voor de mondelinge behandeling d.d. 30 april 2014 zelf betoogd dat echtgenoten de bestemming van een verknocht goed zelf niet kunnen wijzigen in die zin dat dit goed alsnog in de huwelijksgemeenschap valt.
Zie rov. 3.11.2.van de beschikking van het Hof 's‑Hertogenbosch d.d. 10 juli 2014.
De vrouw verwijst in haar verzoekschrift tot cassatie per abuis naar rechtsoverweging 3.5.7. van de tussenbeschikking van 10 juli 2014 in plaats van naar rechtsoverweging 3.7.5.
Hoofdregel is dat als peildatum voor de waardering van gemeenschappelijke goederen de datum van (feitelijke) verdeling geldt, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid anders gebiedt (zie uw Raad 8 februari 2013, NJ 2013/201 en uw Raad 22 september 2001, NJ 2001/643. In dit geval heeft de vrouw zelf bepleit dat van deze hoofdregel moet worden afgeweken, waarna partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt dat als waardepeildatum 10 maart 2015 gold, althans is het hof er begrijpelijkerwijs van uitgegaan dat hierover overeenstemming bestond.
Reinhartz, Groene Serie Personen- en Familierecht, art. 1:94 BW aant. 22
B. Breederveld, ‘De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding’, Boom Juridische uitgevers: Den Haag, 2008, p. 121/122
Mourik en Verstappen, ‘Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Deventer: Kluwer, 2014, p. 118
De man heeft in feitelijke instantie op verschillende momenten aangevoerd dat onderscheid gemaakt dient te worden tussen dat deel van de door hem ontvangen ontslagvergoeding die ziet op de periode voor ontbinding van de huwelijksgemeenschap, en dat deel van de ontslagvergoeding dat ziet op de periode er na, waarbij hij concreet heeft aangegeven welk deel van de door hem ontvangen ontslagvergoeding aldus als bijzonder verknocht buiten de gemeenschap is gevallen. Zie sub 3.2.1 van dit verweerschrift, met name de aldaar geciteerde passages uit de pleitaantekeningen van de man in eerste aanleg, pag. 9 – pag. 13, juncto het proces-verbaal van de zitting d.d. 21 mei 2013 pag. 18, alsmede het verweerschrift tevens incidenteel beroepschrift van de man d.d. 14 november 2013, sub 98, pag. 46.
De man verwijst met name naar de pagina's 9 tot en met 13 van de pleitaantekeningen van zijn advocaat in eerste aanleg, zie pagina 18, twee na laatste alinea, van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 mei 2013, in welke passages de man (onder meer) letterlijk naar voren heeft gebracht: ‘Uit de uitspraak van het Hof Amsterdam van 16 maart 2010 (rov. 4.26) in het kader van de procedure tegen TomTom blijkt, dat de man een contractuele ontslagvergoeding heeft ontvangen van € 262.000 bruto. Daarnaast heeft de man bij uitspraak van 15 juni 2005 een ontslagvergoeding toegekend gekregen van € 30.000 bruto, strekkende tot aanvulling van door de man te ontvangen uitkeringen, dan wel elders te verdienen loon. Op grond van de jurisprudentie zijn deze vergoedingen bijzonder aan de man verknocht en dienen deze daarom buiten de verdeling te blijven voor zover zij zien op inkomenssuppletie over de periode na de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap.’.Zie verder de toelichtende tekst bij bijlage 39 in de brief van de man aan het hof d.d. 18 april 2014, waar hij schrijft: ‘bijlage 39: passage uit de arbeidsovereenkomst van de man met TomTom, waarin in artikel 15 is opgenomen get doel waarvoor de vergoeding in verband met een mogelijk toekomstig ontslag zal worden betaald. Hieruit blijkt dat de door de man ontvangen ontslagvergoeding is bestemd om toekomstig inkomensverlies te compenseren. Daarmee heeft de man alsnog de bestemming van de gelden nader geduid (zie grief V incidenteel appel).’.
De man verwijst naar de inhoud van de arbeidsovereenkomst zoals die blijkt uit de diverse uitspraken tussen hem en TomTom, die hij in eerste aanleg heeft overgelegd bij van brief 1 mei 2013, bijlage 16 e.v., in hoger beroep aangevuld met bijlage 39 bij brief van 18 april 2014 in hoger beroep.
Zie met name de punten 9 tot en met 13 van de pleitaantekeningen van de man ten behoeve van de mondelinge behandeling bij de rechtbank d.d. 21 mei 2013 (zie het p-v van de mondelinge behandeling d.d. 21 mei 2013), en de toelichtende tekst bij bijlage 39 in de brief van de man aan het hof d.d. 18 april 2014. De man heeft de diverse uitspraken tussen hem en TomTom in eerste aanleg overgelegd bij van brief 1 mei 2013, bijlage 16 e.v., terwijl in hij in hoger beroep als bijlage 39 bij zijn brief aan het hof van 18 april 2014 de relevante passage uit zijn arbeidsovereenkomst heeft overgelegd.
Zie met name punt 98 van het verweerschrift van de man in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel, waar de man stelt: ‘Als bijlage 16 legt de afschriften over waaruit blijkt op welke betaalrekening één van de ontslagvergoedingen is ontvangen. Dit betrof een netto bedrag (inclusief rente) van € 194.554,67, welk bedrag ontvangen is op de en/of rekening van de man en de vrouw. De vrouw heeft daarvan dezelfde dag nog in vier fases (€ 50.000,- is de limiet per transactie via internetbankieren) in totaal een bedrag van € 160.000,- overgemaakt naar een enkel op haar naam staande rekening. Daar de vrouw stelt een vermogen onder zich te hebben van € 750.000,- moet het er voor gehouden worden dat deze gelden nog steeds aanwezig zijn en afkomstig zijn uit vorenstaande overboekingen. De man heeft van het bedrag van € 194.554,57 een bedrag van € 33.000,- overgeboekt naar de spaarrekening [006]. Op deze rekening stond per 1 januari 2012 nog een bedrag van € 367.408,- en per 31 december 2012 nog een bedrag van € 222.027,- (zie eveneens bijlage 16). De rekening is door het door de vrouw gelegde beslag getroffen en het saldo is door de bank afgezonderd en dus nog altijd aanwezig. De man zal nog nadere stukken in het geding brengen, waaruit blijkt dat ook het resterende deel van de ontslagvergoeding nog altijd aanwezig is. Gelet hierop heeft de rechtbank dan ook ten onrechte niet bepaald dat een bedrag van € 144.332 als verknocht aan de man buiten de verdeling dient te blijven’Zie verder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 30 april 2014, waaruit blijkt dat de advocaat van de man heeft gesteld (zie pagina 6): ‘[…]. De vraag is of sprake is van zaaksvervanging van een vordering naar geld. De Hoge Raad zegt dat ook als een vordering wordt uitgekeerd, het geld wat daarvoor in de plaats komt, verknocht is. Het geld komt terecht op een en/of rekening en wordt overgeboekt naar een rekening van de vrouw, waar het geld nog steeds staat. De verknochtheid is niet verbroken. De bestemming van het geld bepaal je niet zelf, die wordt bepaald door de werkgever en de werknemer. Als er onvoldoende inkomen zou zijn geweest, dan had de man gesuppleerd. Het geld dat in de stamrecht bv is gestort, is naar privé overgemaakt om meer rente te ontvangen.’.
Zie Hoge Raad 24 oktober 1997, NJ 1998/693 en Hoge Raad 3 november 2006, NJ 2008/257.
Beroepschrift 14‑12‑2016
De Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH 's‑GRAVENHAGE
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE
Inzake: [de vrouw]/[de man]
Rekestnummer hof: 200.0134.690/01 en F 200.134.691/01
Geeft eerbiedig te kennen
[de vrouw], wonende te [woonplaats], verzoekster in cassatie, hierna te noemen ‘de vrouw’, te dezer zake domicilie kiezende te (2566LB) 's‑Gravenhage aan de Sportlaan 40 ten kantore van mr C.G.A. van Stratum (Delissen Martens Advocaten belastingadviseurs mediation), advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die verzoekster te dezer zake als advocaat zal vertegenwoordigen en namens haar dit verzoekschrift indient en ondertekent.
Verweerder in cassatie is [de man], wonende te [woonplaats], hierna te noemen ‘de man’, die werd bijgestaan door mr L.H.M. Zonnenberg, aan wie een exemplaar van dit verzoekschrift wordt toegezonden.
1.
De vrouw tekent tijdig cassatieberoep aan tegen de beschikking van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 15 september 2016 met zaaknummers F 200.134.690 en F200.134.691 en de daaraan voorafgaande tussenbeschikkingen d.d. 31 maart 2016, 8 oktober 2015 en 10 juli 2014 gewezen tussen de vrouw als appellante in principaal appèl, geïntimeerde in incidenteel appèl en de man als geïntimeerde in principaal appèl, appellant in incidenteel appèl.
Middelen van cassatie
Schending van recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, doordat het Gerechtshof heeft overwogen en beslist zoals het gedaan heeft in zijn beschikking voornoemd, en als zodanig blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn beslissingen onvoldoende met redenen heeft omkleed en een onbegrijpelijke beslissing gegeven heeft, dit alles ten onrechte om één of meer van de navolgende, zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen.
Inleiding
2.
De onderhavige procedure betreft een hoger beroep van een echtscheidingsbeschikking. Partijen zijn op 3 oktober 1986 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli 2013 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn nevenvoorzieningen getroffen. De echtscheiding is op 2 oktober 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.
De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking, welk beroep gericht was tegen een aantal beslissingen die samenhingen met de vermogensrechtelijke afwikkeling en de partneralimentatie. Ook van de zijde van de man is incidenteel geappelleerd.
4.
Bij deelbeschikking van 10 juli 2014 heeft het Gerechtshof de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant voor wat betreft de kinder- en partneralimentatie vernietigd en opnieuw rechtdoende een andersluidende beslissing gegeven. Van dat oordeel heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, welk cassatieberoep heeft geleid tot een beschikking van 10 juli 2015 (zaaknummer 14/05072), waarbij de beschikking van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 10 juli 2014 is vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing is verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
5.
Het onderhavige cassatieberoep richt zich tegen specifieke onderdelen van de beschikking die zien op de vermogensrechtelijke afwikkeling.
Klacht 1.
6.
Deze klacht richt zich tegen het oordeel van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch in de deelbeschikking van 10 juli 2014, rechtsoverweging 3.11.2, alwaar het hof ten aanzien van de verknochtheid van de stamrechtvoorziening overweegt:
‘Het hof verwijst voor wat betreft de heersende jurisprudentie op het punt van verknochtheid van ontslagvergoedingen naar rov. 3.9.2. van deze beschiking. De man heeft de door hem van Tele Atlas N.V. ontvangen ontslagvergoeding ondergebracht in een stamrecht-B.V., te weten [A] B.V. De man heeft als productie 8d bij het verweerschrift de onderliggende overeenkomst tussen Tele Atlas N.V. en de man overgelegd. In artikel 2 van die overeenkomst staat:
‘Tele Atlas will in its petition offer [de man] a termination lump sum compensation of € 720.800,-- gross, a a compensation for loss of (future) income and as a supplement to any unemployment or any benefits of any lower salary which [de man] may receive elsewhere. This amount may be adapted in accordance with article 5 hereof.
The methods of payment shall be at [de man]'s discretion, provided that from a tax perspective it remains within acceptable and legal limits. [de man] will in this defense accept this compensation as reasonable.
In the event that [de man] wishes to receive the payment for a future right to periodical payments (‘stamrecht’) within the meaning of Article 11 (i) (g) of the Dutch 1964 Wages and Salary Tax Act (‘Wet op de loonbelasting 1964) he will provide Tele Atlas timely with the articles of incorporation of this ‘standing right’ company and with the ‘standing right agreement’ in order to enable Tele Atlas to determine — prior to payment — that such a payment without any deduction of taxes is in accordance with Dutch tax law. Payment will take place after the share transfer as mentioned in article 5 has taken place’
Artikel 2 van de stamrechtovereenkomst luidt:
‘Het recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon voorziet in aan ondergetekende sub 1 toekomende:
- a)
Periodieke uitkeringen die ingaan in het jaar waarin ondergetekende sub 1 de leeftijd van 65 jaar bereikt.
- b)
Aanvullende periodieke uitkeringen, ingaande per 1 januari 2005, als aanvulling op het inkomen uit tegenwoordige arbeid, indien het inkomen uit tegenwoordige arbeid van ondergetekende usb 1 niet hoger is dan € 75.000,- (Zegge: vijfenzeventigduizend euro) gemeten per ultimo van ieder kalenderjaar gedurende de periode voor het bereiken van de 65jarige leeftijd van ondergetekende sub 1. De totale aanvullende uitkering plus het inkomen uit tegenwoordige arbeid van ondergetekende sub 1 bedraagt per jaar maximaal € 75.000.(…)’
Gelet op de vaste jurisprudentie en voornoemde bepaling in de stamrechtovereenkomst tussen Tele Atlas N.V. en de man alsmede artikel 2 van de stamrechtovereenkomst is het hof van oordeel dat de stamrechtvoorziening van Tele Atlas N.V. als verknocht moet worden beschouwd. […]’
7.
De rechtbank Oost-Brabant had bij beschikking van 2 juli 2013 geoordeeld dat de stamrecht-
voorziening was verknocht aan de man zodat deze buiten de huwelijksgoederengemeenschap valt en niet in de verdeling hoeft te worden betrokken.1.
8.
Door de vrouw is gegriefd tegen dat oordeel (grief 10). Ter toelichting op haar grief heeft zij aangevoerd dat (conform de hoofdregel van artikel 1:94 BW) de ontslagvergoeding in beginsel in de gemeenschap valt en dat van een uitzondering daarop slechts sprake kan zijn indien een ontslagvergoeding strekt tot vervanging danwel suppletie van inkomen. Daartoe heeft de vrouw aangevoerd:
- a)
dat dit (het strekken tot vervanging of suppletie van inkomen) niet uit de stukken kon blijken;
- b)
dat zij zich kon herinneren dat er destijds discussie was over de terugbetaling van een schuld in verband met een aandelentransactie en een optieregeling;
c) dat de vergoeding was bedoeld als oudedagsreserve zodat ook om die reden geen sprake kon zijn van verknochtheid.
9.
Ter onderbouwing van haar standpunt zoals hiervoor genoemd onder c. heeft de vrouw bij brief van 18 april 2014 als productie 27 een email tussen partijen in het geding gebracht waar de man aan de vrouw schrijft op 10 maart 2012: ‘De stamrecht bv heb ik altijd gezien als onze pensioenvoorziening want veel aan pensioen heb ik in mijn werkzaam leven bij werkgevers niet opgebouwd.’
Subklacht 1a
10.
De stelling van de vrouw dat de ontslagvergoeding door de man c.q. partijen altijd bedoeld is geweest als oudedagsvoorziening betreft een essentiële stelling. Die stelling houdt immers het standpunt in dat er sprake is geweest van een bestemmingswijziging (vgl. Hof 's‑Hertogenbosch 22 september 2011, LJN BT6249 en Hof Arnhem 6 november 2012, LJN BY3916). In laatstgenoemde uitspraak heeft het hof ondermeer in ogenschouw genomen dat het stamrecht er eveneens toe strekte in een nabestaandenuitkering te voorzien, hetgeen ook in de onderhavige stamrechtovereenkomst aan de orde was.2. Aanvaarding van de stelling dat er sprake is van een bestemmingswijziging brengt met zich dat van verknochtheid geen sprake meer is. Het hof had deze essentiële stelling niet geheel onbehandeld mogen laten en/of impliciet ongemotiveerd mogen verwerpen. Het oordeel van het hof voldoet daarmee niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen.
Subklacht 1 b
11.
Door te oordelen zoals het hof gedaan heeft, is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Het hof heeft miskend dat bij de beantwoording van de vraag of een aanspraak jegens een stamrecht-bv in de huwelijksgoederengemeenschap valt, onderzocht moet worden in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Verwezen wordt naar de recente uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 20163.. In deze uitspraak overwoog de Hoge Raad:
‘Volgens vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op de voet van art. 1:94 lid 3 BW op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In een geval waarin de werkgever een aan de betrokken echtgenoot toegekende ontslagvergoeding, die was bestemd tot vervanging van toekomstig gederfd loon, als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij had gestort, heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld: bij de beantwoording van de vraag of de uit de stamrechtverzekering voortvloeiende aanspraken in de huwelijksgemeenschap vallen, moet onderscheid worden gemaakt tussen aanspraken die zien op de periode vóór en aanspraken die zien op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze laatste vallen, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zou hebben genoten, evenmin in de gemeenschap als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41). Hoewel de aanwending van een ontslagvergoeding voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste BV in die zin verschilt van de aankoop van een stamrechtverzekering bij een verzekeringsmaatschappij, dat de betrokken echtgenoot in het eerste geval binnen de grenzen van de daarvoor geldende fiscale voorwaarden zelf het tijdstip en de hoogte van de periodieke uitkeringen kan bepalen, bestaat er geen aanleiding dat geval anders te beoordelen. In beide gevallen strekt de aanspraak op periodieke uitkeringen (jegens de stamrecht-bv respectievelijk de verzekeringsmaatschappij) tot vervanging van inkomen dat de betrokken echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. Derhalve dient ook bij de beantwoording van de vraag of een aanspraak jegens een stamrecht-bv in de huwelijksgemeenschap valt, te worden onderzocht in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Nu het gaat om de strekking van de aanspraak, is niet van belang in hoeverre de gerechtigde deze daadwerkelijk heeft verzilverd. Uit de tussenbeschikking van het hof, waarvan in cassatie is gekomen, blijkt dat het hof voor zijn oordeel dat de ontslagvergoeding niet in de huwelijksgemeenschap valt van belang heeft geacht dat de man tot op het moment van wijzen van die uitspraak nog geen enkele periodieke uitkering uit de stamrecht-BV had ontvangen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt aan die omstandigheid geen betekenis toe en had het hof moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak van de man jegens de BV ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.
12.
Het hof heeft deze vaste jurisprudentie miskend en het onjuiste criteria aan de dag gelegd bij de beoordeling.
13.
Gezien de omstandigheid dat de ontslagvergoeding reeds in 2003 is ontvangen (zowel de ontbindingsovereenkomst4. alsook de stamrechtovereenkomst5. dateren uit 2003), de huwelijksgoederengemeenschap op 14 september 2012 is ontbonden en het huwelijk eerst op 2 oktober 2013 is ontbonden is de conclusie dat de aanspraak van de man op de stamrecht-bv verknocht is in het licht van voornoemde jurisprudentie zonder nadere toelichting die ontbreekt onbegrijpelijk.
Klacht 2.
14.
Deze tweede klacht richt zich tegen het oordeel van het Gerechtshof in rechtsoverweging 15.7.2. in de tussenbeschikking van 31 maart 2016. Het hof gaat daar in op de stellingen van de vrouw terzake het door haar gevorderde vergoedingsrecht en overweegt daar:
‘De ABN-AMRO rekening is door de rechtbank weliswaar toebedeeld aan de vrouw (zie rov 15.5. hiervoor) maar delen van de door de vrouw overgelegde overzichten van die rekening zijn onleesbaar (gemaakt), waardoor de vrouw haar berekening van de totaalbedragen (van € 38.531,17 + € 1.943) onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Voorts blijkt uit de rekeningoverzichten weliswaar van overboekingen naar een groot aantal begunstigden, maar valt daaruit niet af te leiden op welk product of welke dienst de overboeking betrekking heeft (daartoe hadden kassabonnen; contracten; facturen e.d. in het geding gebracht moeten worden hetgeen de vrouw heeft nagelaten (in die zin ontbreekt ook de concrete opstelling waar het hof partijen om heeft gevraagd in zijn beschikking van 4 juni 2915)), en is voor het hof niet vast te stellen of de overboekingen wel zien op kosten van de huishouding c.q. levensonderhoud. De stelling dat de vrouw terzake van de ABN AMRO rekening een vergoedingsrecht heeft jegens de man kan daarom niet worden aanvaard.’
15.
Het oordeel van het hof komt er in de basis op neer dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Het hof miskent daarmee dat feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (149 lid 1 Rv). Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 30 april 2014 volgt dat de man heeft erkend dat de vrouw van haar privérekening (de ABN AMRO Rekening, toevoeging advocaat) bedragen ten behoeve van de huishouding heeft voldaan:
‘In productie 15 heeft de man uitgerekend wat de kosten van de huishouding van de vrouw zijn geweest. Daarnaast heeft de vrouw ook van een eigen rekening geleefd, daarvan heeft zij ook kosten van de huishouding betaald: € 1.755,12 per maand […].
16.
Die erkenning volgde nadat de vrouw als productie 29 bij brief van 18 april 2014 al die kosten inzichtelijk had gemaakt. Er van uitgaande dat de man reageerde op productie 29 die zag op de periode van 18 februari 2012 tot en met 24 juli 2013, ziet dat op 17 maanden, derhalve een bedrag van 17 * €1.755,12 = € 29.837,04. Het hof had de vordering van de vrouw derhalve tot een bedrag van € 29.837,04 moeten toewijzen nu deze tot dat bedrag door de man was erkend.
Klacht 3.
17.
Deze klacht richt zich tegen rechtsoverweging 18.3 van de eindbeschikking van 15 september 2016 alsook het dictum wat daarop voortborduurt. Het oordeel is onbegrijpelijk in het licht van het passeren van grief IV in incidenteel appèl.
18.
De vrouw heeft in eerste aanleg een beroep gedaan op verrekening van kosten. Ten aanzien van de vakantie met de kinderen naar New York heeft zij gesteld dat deze kosten moeten worden beschouwd als kosten van de huishouding die voor rekening van de man komen. De rechtbank heeft in dat kader op pagina 11 van de bestreden beschikking overwogen:
‘Tenslotte volgt de rechtbank de vrouw in haar standpunt dat de man de helft van de kosten van de vakantie In New York dient te dragen. Uit de overgelegde uitdraai van de ABN AMRO credit card blijkt een totaal bedrag van € 6.924,27, zodat een bedrag van € 3.462,13 in de verrekening dient te worden betrokken.’
19.
De rechtbank had al overwogen dat de vrouw aan de man moest betalen een bedrag van € 5.000,00 wegens een opname van € 10.000,00 van de beleggersrekening en komt na verrekening van die twee bedragen (€ 5.000 — 3.462,13) in het dictum uit op een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 1.537,87.
20.
De man richt daartegen een grief (grief IV in incidenteel appèl) die door het Gerechtshof in de tussenbeschikking van 31 maart 2016 wordt verworpen (r.o. 15.9.5.: de slotsom van het voorgaande is dat grief IV van de man faalt.)
21.
Onder rechtsoverweging 18.3 van de eindbeschikking van 15 september 2016 geeft het Gerechtshof vervolgens een optelsom van de bedragen die verrekend dienen te worden. Het hof lijkt daarbij te vergeten dat grief IV van de man ongegrond is verklaard, zodat het oordeel dat de man de helft van de kosten van de vakantie naar New York voor zijn rekening dient te nemen in stand blijft. Dit bedrag dient in mindering te strekken op de optelsom die het hof maakt. In het dictum vernietigt het hof immers de beschikking van de rechtbank ten aanzien van het bedrag van € 1.537,87, te vermeerderen met strikte privé-uitgaven en opnamen van de vrouw etc. etc. (waarin zowel het bedrag van € 5.000,00 als het bedrag van € 3.462,13 zat verdisconteerd, zodat dit bedrag bij ongegrondverklaring van de grief van de man terug dient te komen in de opsomming van de te verrekenen bedragen in 18.3 en het dictum). Zonder nadere toelichting die ontbreekt is onduidelijk waarom dit bedrag niet terugkomt in de opsomming onder 18.3 en het dictum en dat maakt de beslissing onbegrijpelijk.
Klacht 4.
22.
Deze klacht richt zich tegen de door het Gerechtshof gehanteerde peildatum voor de waardebepaling van de echtelijke woning. In eerste aanleg heeft de rechtbank de wijze van verdeling (dus niet de verdeling zelf) vastgesteld en in dat kader beslist dat de echtelijke woning aan de man zou worden toebedeeld. Tegen dat oordeel is door de vrouw gegriefd, zowel op het punt van de toebedeling aan de man als tegen de waarde (grief 3 en 4 in principaal appèl). Het hof heeft het oordeel van de rechtbank dat de wijze van verdeling aldus zal zijn dat de woning zal worden toebedeeld aan de man bekrachtigd en de grief van de vrouw in dit verband ongegrond verklaard (r.o. 3.7.4. van de tussenbeschikking van 10 juli 2014). Voor wat betreft de waarde waartegen die toebedeling dient te geschieden heeft het hof overwogen:
3.5.7.
Nu partijen het niet eens zijn over de (huidige) waarde van de echtelijke woning, dient deze opnieuw te worden getaxeerd. Partijen zijn het er over eens dat de deskundige de daarbij door of namens de man gedane verbouwingen buiten beschouwing dient te laten. Het hof zal de te benoemen deskundige de volgende vragen voor leggen:
- —
wat is de huidige vrije verkoopwaarde (de datum van het taxatierapport) van de woning staand en gelegen aan de [a-straat 01] te ([001]) [a-plaats] (daarbij de door of namens de man gedane verbouwingen buiten beschouwing latend)?
- —
heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neem.’
23.
Vervolgens wordt een taxatietraject ingezet en wordt de woning per datum 10 maart 2015 getaxeerd. 6. Het hof neemt in de tussenbeschikking van 4 juni 2015 die waardebepaling van de deskundige over en overweegt dat het bedrag dat de man aan de vrouw zal dienen te voldoen voor toebedeling van de woning aan hem € 167.416,00 bedraagt.7. In de eindbeschikking van 15 september 2016 vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank partieel. Deze blijft wat de woning betreft in stand waar het de vaststelling van de wijze van verdeling betreft en wordt vernietigd op het punt van het bedrag van overbedeling en het hof bepaalt opnieuw rechtdoende (in lijn met de tussenbeschikking van 4 juni 2015) dat de man wegens toedeling van de woning aan hem aan de vrouw een bedrag van € 167.416,00 dient te vergoeden.
24.
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De hoofdregel luidt dat als peildatum voor de waardering de datum van feitelijk verdeling geldt. In confesso is dat die verdeling op het moment waarop het Gerechtshof eindbeschikking wees nog niet had plaatsgevonden. De rechtbank had de verdeling niet vastgesteld maar slechts de wijze van verdeling bepaald (twee wezenlijk verschillende dingen) en het hof bekrachtigt voor wat betreft de toebedeling aan de man de beschikking van de rechtbank en vernietigt deze voor wat betreft het overbedelingsbedrag. Dat brengt met zich dat de feitelijke verdeling nog moet plaatsvinden en is gelegen in de toekomst. Door te beslissen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 167.416,00 dient te vergoeden uit hoofde van overbedeling fixeert het Gerechtshof de peildatum op de datum van het taxatierapport (10 maart 2015) en miskent het Gerechtshof voornoemde hoofdregel. Van deze hoofdregel kan slechts worden afgeweken indien partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (HR 22 september 2000, NJ 2000/643). Voor zover de beslissing van het hof aldus moet worden begrepen dat partijen een andere datum zouden zijn overeengekomen (de datum van het taxatierapport) is die beslissing onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat. Partijen waren het er slechts over eens dat (uit pragmatisch oogpunt) de verbouwingen buiten beschouwing zouden blijven bij de taxatie. Voor zover in de beslissing een afwijking op grond van de redelijkheid en billijkheid zou moeten worden gelezen is de beslissing onvoldoende gemotiveerd nu het hof daaraan geen enkele overweging wijdt.
Klacht 5.
25.
De vijfde klacht richt zich tegen de beslissing van het Gerechtshof waar het betreft de verdeling van de inboedel (deelbeschikking 10 juli 2014, ro. 3.8.3.) en klaagt er in de basis over dat dit oordeel zonder nadere motivering die ontbreekt onbegrijpelijk is in het licht van de (essentiële) stellingen van de vrouw ten aanzien van de verknochtheid van specifieke goederen, waar het hof in het geheel niet is ingegaan.
26.
De rechtbank heeft (beschikking 2 juli 2013, pagina 17 onder o) de inboedel aldus verdeeld dat wordt uitgegaan van de door de deurwaarder opgestelde inboedellijst die is overgelegd als productie 7g bij brief van de advocaat van de vrouw d.d. 8 mei 2013 waarbij het eerste bestanddeel aan de man wordt toebedeeld, het volgende aan de vrouw enzovoorts. De vrouw heeft een grief geformuleerd tegen deze wijze van verdeling (grief 11), waarbij zij heeft aangegeven dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met verknochtheid, met persoonlijk karakter en met het buiten de boedel vallen van de spullen van de moeder van de vrouw. Ook van de zijde van de man is geappelleerd tegen dat oordeel en de man heeft verzocht om de inboedel te verdelen op de wijze zoals door hem voorgesteld in bijlage 9 uiteindelijk overgelegd bij brief van 14 april 2014. De vrouw heeft bij brief van 18 april 2014 als productie 28 eveneens inboedellijsten overgelegd, waarbij onderscheid is gemaakt tussen spullen van de overleden moeder van de vrouw, persoonlijke goederen van de vrouw, inboedelgoederen van de woning aan de [a-straat] te [a-plaats] (echtelijke woning) en inboedelgoederen van het door de vrouw bewoonde appartement aan de [b-straat]. Op die lijsten heeft de vrouw de door haar gewenste wijze van verdeling aangegeven en de grondslag voor die wens, waar deze aanwezig was. Bij een aantal goederen heeft de vrouw, in lijn met haar grief, aangegeven dat die goederen verknocht waren. Dat heeft zij gedaan door achter het goed de vermelding ‘VERKNOCHT’ op te nemen. Daar waar de vrouw heeft aangegeven dat de goederen verknocht zijn heeft zij ook een toelichting op het betreffende goed gegeven waaruit de grondslag van de stelling dat het goed verknocht is blijkt.
27.
Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw nog over de inboedelverdeling gesteld:
‘Ik heb drie inboedellijsten ingediend; waaronder een lijst van verknochte zaken, misschien zijn die spullen er al niet meer. Partijen regelen zelf niets. Van de hoogst persoonlijke zaken is het merendeel nog niet teruggekomen. De vrouw heeft nog steeds geen spullen van haar overleden moeder. Als deze weg zijn, dan is er een groot probleem want ze zijn in beslag genomen. De vrouw heeft de lijst moeten maken uit herinnering. De deurwaarder heeft de vliering overgeslagen. Ik ben er bij geweest; er was geen beginnen aan. De vrouw zal straks het appartement verlaten; dan moet ze wel allemaal nieuwe stukken kopen’.8.
28.
Het hof oordeelt vervolgens in rechtsoverweging 3.8.3. als volgt:
‘Het hof is van oordeel dat aan de vrouw dienen te worden toegedeeld de door de vrouw in productie 28 genoemde ‘spullen van de overleden moeder van de vrouw (pagina 1), ‘persoonlijke spullen van de vrouw (pagina 2 tot en met 4), alsmede de wieg, de keukentafel met laatjes, het antieke bordenrek, de piano met kruk en lamp’ en overweegt: ‘In hetgeen de man te dien aanzien heeft gesteld ziet het hof onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Nu de inboedel voor het overige niet van enige waarde is, althans partijen daarover te weinig hebben gesteld en onderbouwd, en partijen ieder beschikken over een volledig ingerichte woning, zal het hof beslissen dat daarmee de inboedel is verdeeld en partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.’
29.
Het hof gaat bij de beoordeling in het geheel niet in op de stellingen van de vrouw terzake de verknochtheid van specifieke goederen. De stellingen dat bepaalde goederen verknocht (of hoogstpersoonlijk) zijn, betreft een essentiële stelling. Gegrondverklaring van die stelling kan leiden tot het gevolg dat de goederen noch juridisch noch economisch in de gemeenschap vallen, juridisch buiten de gemeenschap blijven maar economisch niet, wel in de gemeenschap vallen maar aan de rechthebbend echtgenoot worden toebedeeld zonder verrekening van de waarde, en/of wel in de gemeenschap vallen en toebedeeld worden aan de rechthebbende echtgenoot onder verrekening van de waarde9.. Het hof had deze essentiële stelling niet onbehandeld mogen laten. Het oordeel geeft onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof. Hiermee voldoet het oordeel niet aan de hieraan te stellen motiveringseisen.
Redenen waarom:
De vrouw zich wendt tot Uw Raad, met het eerbiedig verzoek de beschikkingen van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch gewezen tussen partijen op 15 september 2016, 31 maart 2016, 8 oktober 2015, 4 juni 2015 en 10 juli 2014 met zaaknummers 200.134.690 respectievelijk 200.134.691 waartegen de cassatiemiddelen zijn gericht, te vernietigen met zodanige uitspraak als naar het oordeel van Uw Raad behoort te worden gegeven, kosten rechtens.
't welke doende enz.
Advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑12‑2016
Beschikking Rechtbank Oost-Brabant d.d. 2 juli 2013, pagina 15 en 16 onder m.
Artikel 2 sub b eerste alinea op pagina van de stamrechtsovereenkomst, overgelegd als productie 8 in eerste aanleg van de zijde van de vrouw
HR 24 juni 2016, JPF 2016/93, ECLI:NL:HR:2016:1293
Productie 8d bij het verweerschrift van de man in hoger beroep
Productie 8 van de zijde van de vrouw, overgelegd in eerste aanleg
Procesdossier hoger beroep nummer 37: taxatierapport Gloudemans
Beschikking 4 juni 2015, rov 11.10
Proces-verbaal mondelinge behandeling 30 april 2014, pagina 3 onderaan
Groene serie personen- en familierecht, artikel 1:94, aantekening 22