Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/I.7
I.7 Opzet van dit proefschrift
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460326:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo ga ik in het bestuursrechtelijke hoofdstuk in op de wettelijke grondslag voor de toepassing van de uit het strafrecht afkomstige daderschapsfiguren: par. III.4 en III.6.2.
Bijvoorbeeld: in het strafrechtelijke hoofdstuk ga ik uitgebreid in op delictsbestanddelen en de verschillende daderschapsvormen die van toepassing kunnen zijn op leidinggevenden wanneer zij een milieuovertreding begaan, waarbij ik ook aanknopingspunten formuleer voor de beantwoording van de vragen die typisch gezien opkomen in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. In de andere hoofdstukken ga ik alleen in hoofdlijnen in op delictsbestanddelen en de daderschapsvormen, en daarnaast ga ik in op de werking en dogmatische inbedding van deze leerstukken in het betreffende rechtsgebied. Een ander voorbeeld: de adressering van inrichtinggerelateerde voorschriften is voor ieder hoofdstuk relevant. De normadressaat van deze voorschriften komt uitvoerig aan bod in het bestuursrechtelijke hoofdstuk; daar ga ik ook in detail in op de zeggenschapstoets die voor de adressering van deze voorschriften is ontwikkeld en bespreek ik in hoeverre leidinggevenden persoonlijk verplicht zijn tot de naleving van dit voorschrift. In de andere hoofdstukken volsta ik met een samenvatting en enkele rechtsgebiedspecifieke voorbeelden waarin de toets wordt toegepast.
De drie rechtsgebieden die in dit proefschrift aan bod komen hebben elk een eigen hoofdstuk. In hoofdstuk II ga ik eerst in op de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, in hoofdstuk III op de bestuursrechtelijke sanctionering van leidinggevenden voor een milieuovertreding, en in hoofdstuk IV op de privaatrechtelijke mogelijkheden om een leidinggevende aansprakelijk te stellen voor het schenden van een milieunorm. Voor de behandeling van deze verschillende vormen van milieuaansprakelijkheid zijn de onderzoeksvragen uit paragraaf I.4 leidend. Ik zal de deelvragen echter niet allemaal expliciet benoemen, en ook de volgorde waarin ik de vragen beantwoord kan per hoofdstuk verschillen. Welke indeling en accenten logisch zijn, hangt namelijk af van het rechtsgebied. Hierna sta ik kort stil bij de opzet van ieder hoofdstuk.
Het strafrechtelijke Hoofdstuk II is redelijk recht-toe-recht-aan. Na een bespreking van enkele algemene aspecten van strafrechtelijke handhaving van milieunormen – waarbij ik ook inga op de manier waarop bestuursrechtelijke milieuvoorschriften doorwerken in het economische strafrecht – komen de kenmerken en vereisten van de verschillende daderschapsvormen aan bod. Per daderschapsvorm bestudeer ik de toepassing van de daderschapsvereisten in het kader van de aansprakelijkheid van leidinggevenden voor milieudelicten. In dit hoofdstuk sta ik ook stil bij het karakter en de onderlinge verhouding van de daderschapsvormen. Ook schets ik een wegwijzer voor het achterhalen van welke daderschapsvorm in een concreet geval het meest geschikt is voor de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Ten slotte ga ik nog in op de hoogte van de strafrechtelijke aansprakelijkheidsdrempel. Omdat in het strafrecht weinig discussie bestaat over de vereisten die gelden voor de (milieu) aansprakelijkheid van leidinggevenden, is de evaluatieve dimensie van Hoofdstuk II van bescheiden omvang.
Hoofdstuk III gaat over de bestuursrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. In het hoofdstuk sta ik eerst stil bij enkele algemene aspecten van bestuursrechtelijke handhaving, waaronder de vereisten die gelden voor het opleggen van een bestuurlijke sanctie. Ik ga in dat kader ook uitgebreid in op de normadressaat van vergunningsvoorschriften en van algemene regels die de milieubelastende activiteiten van inrichtingen reguleren. Vervolgens analyseer ik op welke manier de bestuursrechtelijke overtrederschapsvormen die relevant zijn voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden (namelijk functioneel plegen, feitelijk leidinggeven en medeplegen) worden toegepast in het bestuursrecht. Deze overtrederschapsvormen zijn recent uit het strafrecht geïmporteerd, en lijken nog geen gemeengoed in het bestuursrecht. In dit hoofdstuk besteed ik daarom ruim aandacht aan wat de overgang naar deze nieuwe invulling van bestuursrechtelijk overtrederschap betekent voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Sommige auteurs betogen dat het bestuursrechtelijke aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders te groot is en pleiten daarom voor aanvullende bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid. Ik reflecteer daarom in Hoofdstuk III ook op de hoogte van de aansprakelijkheidsdrempel voor de bestuursrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, en ik beoordeel op basis van de gebezigde argumenten of aanleiding bestaat om afwijkende aansprakelijkheidsregels toe te passen voor de sanctionering van (bepaalde soorten) leidinggevenden.
Hoofdstuk IV heeft een wat andere indeling dan de vorige twee. Dat komt omdat in het privaatrecht het nog geen uitgemaakte zaak is welk aansprakelijkheidsregime van toepassing is op de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Volgens de heersende leer en vaste jurisprudentie kunnen bestuurders van rechtspersonen pas persoonlijk aansprakelijk worden gehouden op grond van onrechtmatige daad wanneer er sprake is van een ernstig verwijt. Momenteel wordt deze ernstig verwijt-maatstaf toegepast over de gehele linie van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht, dus in principe ook bij milieukwesties. De uitzonderingspositie van bestuurders is echter niet onomstreden: verschillende auteurs menen dat voor onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid de gewone vereisten van artikel 6:162 BW moeten worden toegepast. Om een knoop door te hakken over welk aansprakelijkheidsregime van toepassing is bij bestuurders van rechtspersonen – de ernstig verwijt-doctrine of de gewone aansprakelijkheidsregels – haal ik in dit hoofdstuk de verklarende- en evaluatieve deelvragen naar voren. Eerst analyseer ik het juridische kader van de ernstig verwijt-doctrine en de argumentatieve onderbouwing daarvan, en vervolgens ga ik in op de vraag of de toepassing van dit afwijkende, restrictieve aansprakelijkheidsregime is gerechtvaardigd. Die vraag beantwoord ik ontkennend, en daarom ga ik vervolgens in op de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden aan de hand van de gewone vereisten uit artikel 6:162 BW. Ik bespreek dan per vereiste van de onrechtmatige daad de vragen die opkomen wanneer een leidinggevende aansprakelijk wordt gesteld voor een milieuovertreding, en geef ik handvatten voor de beantwoording van deze vragen. Na deze gedetailleerde bespreking van de vordering tot schadevergoeding, verken ik ook de mogelijkheden om een rechterlijk bevel te vorderen van een bestuurder of andere leidinggevende in het privaatrecht. Met deze preventieve remedie kan bij de civiele rechter worden afgedwongen dat een leidinggevende zijn milieuverplichtingen naleeft.
De inhoud van hoofdstukken II, III en IV overlapt deels. Dat komt omdat de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden in het strafrecht, bestuursrecht en privaatrecht in sommige opzichten op overeenkomstige wijze wordt vastgesteld. Bijvoorbeeld, in ieder hoofdstuk rijst de vraag in hoeverre een leidinggevende verantwoordelijk kan worden gehouden voor milieuovertredingen van ondergeschikten, en in ieder rechtsgebied zijn hierbij vergelijkbare omstandigheden relevant. Ik had overlap kunnen vermijden door in één van de hoofdstukken de aanknopingspunten uit te werken en in de andere hoofdstukken naar dit onderdeel van het andere hoofdstuk terug te verwijzen. Dit komt echter de overzichtelijkheid niet ten goede. Ook zouden de hoofdstukken hiermee aan zelfstandigheid verliezen, omdat het antwoord op de vraag wanneer milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden in een bepaald rechtsgebied kan worden gevestigd niet in het betreffende hoofdstuk te vinden zou zijn. Bovendien vragen bepaalde aanknopingspunten nog een rechtsgebiedspecifieke vertaalslag.1 Om onnodige overlap te voorkomen heb ik de leerstukken die relevant zijn voor alle rechtsgebieden telkens in één hoofdstuk uitvoerig uitgewerkt, en geef ik in de andere hoofdstukken – onder verwijzing naar de paragrafen waarin aanvullende handvatten te vinden zijn – een samenvatting van het leerstuk.2
Na de inhoudelijke hoofdstukken volgt in Hoofdstuk V een conclusie. De conclusie bevat een beknopte weergave van de antwoorden die ik in de verschillende rechtsgebieden heb gegeven op de deelvragen van dit onderzoek. In de conclusie zal ik ook met een meer rechtsgebiedoverstijgend perspectief kijken naar de mogelijkheden om leidinggevenden aansprakelijk te stellen voor een bedrijfsmatige milieuovertreding. Hierbij sta ik bijvoorbeeld stil bij een aantal interessante dwarsverbanden en verschillen tussen de rechtsgebieden. Ook tracht ik in kaart te brengen op welke manier de rechtsgebieden functioneel overlappen, en op welke manier ze elkaar juist aanvullen bij de handhaving van milieuverplichtingen van leidinggevenden. Ten slotte plaats ik daar ook enkele algemene opmerkingen met betrekking tot de hoogte van de aansprakelijkheidsdrempel voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden.