Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/1.2
1.2 Onderzoeksvraag en doel van het onderzoek
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS388239:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld (in chronologische volgorde) A.G.H. Klaassen, Bevoegdheden van de algemene vergadering van aandeelhouders, diss. Groningen 2007, IVO-reeks nr. 60, Deventer: Kluwer 2007, A. van der Krans, De virtuele aandeelhoudersvergadering, diss. Utrecht 2009, IVO-reeks nr. 64, Deventer: Kluwer 2009, B.J. de Jong, Schade door misleiding op de effectenmarkt, diss. Nijmegen 2010, Van der Heijden-reeks nr. 103, Deventer: Kluwer 2010, J.B.S. Hijink, Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen, diss. UvA 2010, IVO- reeks nr. 74, Deventer: Kluwer 2010, P.A. van der Schee, Regulation of issuers and investor protection in the U.S. and the EU, diss. Tilburg 2011, CCL-reeks, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2011, M.C. Schouten, The decoupling of voting and economic ownership, diss. UvA 2012, IVO-reeks nr. 88, Deventer: Kluwer 2012, A.J.P. Schild, De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht, diss. Leiden 2012, IVO-reeks nr. 91, Deventer: Kluwer 2012, G.N.H. Kemperink, Vennootschappelijk toezicht op de doelvennootschap bij openbare biedingen, diss. Rotterdam 2013, IVO-reeks nr. 92, Deventer: Kluwer 2013, J.M. de Jongh, Tussen societas en universitas: de beursvennootschap en haar aandeelhouders in historisch perspectief, diss. Rotterdam 2014, IVO-reeks nr. 94, Deventer: Kluwer 2014. en B. Kemp, Aandeelhoudersverantwoordelijkheid: de positie en rol van de aandeelhouder en aandeelhoudersvergadering, diss. Maastricht 2015, Van der Heijden-reeks nr. 129, Deventer: Kluwer 2015.
K.J. Hopt, ‘The European Company Law Action Plan Revisited: an Introduction’, ECGI Working Paper Series in Law No. 140/2010, te raadplegen via
Dit nog daargelaten dat vanwege verschillende ontwikkelingen ook buiten het ondernemingsrecht bepaald geen sprake is van ‘normal times’. Zie §8.2 hierna.
De High Level Group of Company Law Experts was ingesteld door de Europese Commissie in september 2001 en was verantwoordelijk voor de rapporten over Issues Related to Takeover Bids van 10 januari 2002 en A Modern Regulatory Framework for Company Law in Europe van 4 november 2002 (te raadplegen op <https://ec.europa.eu/internal_market/company>).
Deze commissie was verantwoordelijk voor het SER-advies Het functioneren en de toekomst van de structuurregeling van 19 januari 2001 (te raadplegen op
P.J. Bezemer, Diffusion of Corporate Governance Beliefs: Board Independence and the Emergence of a Shareholder Value Orientation in the Netherlands, diss. Rotterdam 2010, Rotterdam: ERIM PhD Series in Research in Management 2010, p. 125.
Aan juridische proefschriften die direct of indirect betrekking hebben op aandeelhouders in beursvennootschappen heeft het ons de afgelopen jaren bepaald niet ontbroken.1 Waarom dan nóg een onderzoek over dit onderwerp? Het antwoord op deze vraag is kort: de enkele constatering dat de maatschappelijke perceptie van het verschijnsel aandeelhouders in beursvennootschappen aan aanzienlijke schommelingen onderhevig is geweest rechtvaardigt nader onderzoek naar de oorzaken van die schommelingen. Dat deze ontwikkelingen zich in een (zeer) korte tijd hebben voorgedaan impliceert ook een zekere mate van tijdgebondenheid van onderzoek over aandeelhouders in beursvennootschappen. Zoals ik in de hiernavolgende hoofdstukken uiteen zal zetten is de stand van zaken over dit onderwerp anno 2017 wezenlijk anders dan die van bijvoorbeeld vijf jaar geleden. De rechtsontwikkeling is nog volop in beweging. Er is dus voldoende ruimte voor nieuw onderzoek om met betrekking tot deze ontwikkeling een tussenbalans op te maken.
Het woord ‘tussenbalans’ is bewust gekozen: de hierboven gesignaleerde tijdgebondenheid geldt noodzakelijkerwijs ook voor deze studie. De rechtsontwikkeling over de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen, in het bijzonder wat betreft hun (rechts)verhouding tot de vennootschap, het bestuur en de raad van commissarissen, zal door blijven gaan. Tijden en omstandigheden zullen ook in de toekomst veranderen op een wijze die thans nog niet voorzienbaar is. Ook de weerslag die deze veranderingen op het recht zullen hebben, of het nu via wetgeving of rechtspraak is, is niet op voorhand te voorspellen. Tegen deze achtergrond is het weinig zinvol om de lijn aan juridische ontwikkelingen en trends uit het verleden naar de toekomst toe te extrapoleren om hiermee aan te duiden hoe de rechtsontwikkeling in de toekomst zal lopen of zou moeten lopen. Dat de toekomst zich in één rechte lijn geredeneerd vanuit het verleden laat kennen, is niet onwaarschijnlijk.
Mijn kritische kanttekening is vooral gericht tegen de in de rechtswetenschap voorkomende opvatting waarin de actualiteit wordt gezien als iets wat afleidt van een zuivere en wetenschappelijk verantwoorde rechtsontwikkeling en dus als iets waaraan een wetenschapper per definitie voorbij kan gaan. Zo schreef Hopt, een sleutelfiguur in de versnelde ontwikkeling van het Europees ondernemingsrecht vanaf de eeuwwisseling, begin 2010 het volgende: “The financial market crisis has opened a new era, not only of financial law, but more generally of rule-making. The problem is twofold: to find adequate rules, including European company law rules, for crisis situations, and to have them confined to these exceptional situations. From case law, we know that “hard cases make bad law.” This is also a danger for the present-day crisis legislation in all our member states. True, the state must intervene in such crises, but it must also step back when the crisis is over. There is a real danger that the progress we have made in curtailing golden shares, subsidies, protectionist measures, and other ways and means not compatible with the internal market may stay on. But sooner or later, the economy will recover and the market will continue to be the better regulator than the state. For normal times, we need less state and more market, and in the market we need less entrenchment of management and less tunnelling by controlling shareholders. The role of the company law academia and prac tice is not to forget this and to work together with the national and European legislators on the future of European company law.”2 Waar Hopt hier waarschuwt voor een reëel en terecht risico (doorschietende crisiswetgeving), miskent hij tegelijkertijd de mogelijkheid dat de financiële crisis wel eens een game changer zou kunnen zijn. Blijkens dit citaat beschouwt Hopt de financiële crisis als iets tijdelijks, een tijdelijke buitengewone situatie (“exceptional situations”) die vroeger of later over zal gaan, waarna we zullen terugkeren naar de “normal times”. Zijn aansporing aan “company law academia and practice” om dit toch vooral niet te vergeten mag getuigen van een standvastig en consequent standpunt, maar zij komt mij wetenschappelijk gezien in het licht van de veranderde omstandigheden onverantwoord voor: van de beloofde “normal times” op het gebied van het ondernemingsrecht is immers nog altijd geen sprake.3 Met het doen van dergelijke stellige beweringen over toekomstige ontwikkelingen zou mijn inziens dus met de nodige terughoudendheid moeten worden omgegaan.
Deze dissertatie ziet op de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen. Centraal staat de vraag welke veranderingen deze positie in de periode tussen 1999 en 2004 heeft doorgemaakt. Daartoe wordt tevens onderzocht wat de drijvende krachten van – en beweegredenen voor deze veranderingen waren, hoe deze veranderingen zich verhielden tot relevante ontwikkelingen op politiek, economisch en maatschappelijk gebied, welke rechtspolitieke keuzes in verband daarmee op nationaal en Europees niveau zijn gemaakt en waardoor deze keuzes telkens waren ingegeven. Het doel van dit onderzoek is om alle relevante ontwikkelingen op een deugdelijke wijze en in de juiste onderlinge samenhang in kaart te brengen om zo te komen tot een afgewogen weergave en verklaring van de veranderingen die zich in de relevante periode voor de positie van beursaandeelhouders hebben voorgedaan. Met andere woorden: inzichtelijk maken wat er is gebeurd en waarom het is gebeurd.
In dit onderzoek nemen de ontwikkelingen in de rechtswetenschap en rechtspraktijk een belangrijke plaats in. Als zodanig komen de relevante ontwikkelingen in wetgeving en jurisprudentie uiteraard aan bod. Daarnaast is in dit onderzoek veel aandacht besteed aan rechtspolitiek. Zowel op Europees- als ook op nationaal niveau hebben juristen afkomstig uit wetenschap en praktijk aan het begin van de 21ste eeuw via verschillende gremia wezenlijke bijdragen geleverd aan de intellectuele ‘business case’ voor het versterken van de positive van aandeelhouders in beursvennootschappen. Te denken valt onder meer aan de High Level Group of Company Law Experts (2001-2002)4 op Europees niveau en de SER-Commissie Structuurregeling (2000-2001)5 en de Commissie Tabaksblat (2002-2003) op nationaal niveau.
Voor een goed begrip van wat er zich in de betreffende periode heeft afgespeeld kan niet worden volstaan met enkel het weergeven van de rechtsontwikkeling. Zo biedt het recht geen verklaring voor het feit dat 74 van de honderd grootste Nederlandse beursondernemingen in hun jaarverslagen over 2006 melding maakten van een op aandeelhouderswaarde gerichte oriëntatie, terwijl in 1992 dit aantal nog 13 van de honderd bedroeg.6 Dergelijke ontwikkelingen kunnen alleen maar worden verklaard aan de hand van een beschrijving en analyse van gebeurtenissen en ideeën. De gebeurtenissen die in het onderzoek voorkomen hebben vooral betrekking op economische, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Zij geven de feitelijke context waarin de versterking van de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen zich heeft afgespeeld. Bij de beschrijving en analyse van ideeën gaat het in het bijzonder om inzichten en concepten over de positie van aandeelhouders die waren ontleend aan de rechtseconomie – in hoofdzaak afkomstig uit de Amerikaanse wetenschappelijke stromingen van law & economics en law & finance. Een deel van de argumenten die destijds in het wetenschappelijk en politiek debat over de wenselijkheid van een versterking van de aandeelhouderspositie naar voren zijn gebracht is direct dan wel indirect op dergelijke rechtseconomische redeneringen, concepten of argumenten terug te voeren. Naast verkapte wetenschappelijke ideeën zijn ook andere ideeën zoals politieke opvattingen en ervaringslessen relevant. Een belangrijk deel van dit onderzoek vormt daarom in feite een ideeëngeschiedenis.