Hof Arnhem-Leeuwarden, 04-05-2021, nr. 200.273.821
ECLI:NL:GHARL:2021:4339
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
04-05-2021
- Zaaknummer
200.273.821
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2021:4339, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 04‑05‑2021; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2020:10322, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 10‑12‑2020; (Hoger beroep, Tussenbeschikking)
- Vindplaatsen
JERF Actueel 2021/229
Uitspraak 04‑05‑2021
Inhoudsindicatie
Partneralimentatie in vorm eenmalig bedrag? Zijn de huwelijkse voorwaarden (‘koude uitsluiting’) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Artikel 1:156 BW; artikel 6:248 BW en artikel 3:12 BW.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.273.821/01 en 200.273.867
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 475182)
beschikking van 4 mei 2021
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [A] ,
verzoeker in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.821/01,
verweerder in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.867,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. H.J. de Raadt te Bussum,
en
[de vrouw] ,
wonende te [B] ,
verzoekster in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.867,
verweerster in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.821/01,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 10 december 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- -
een journaalbericht van mr. De Raadt van 21 januari 2021 met producties;
- -
een journaalbericht van mr. Du Bois van 11 maart 2021 met productie.
2. De motivering van de beslissing
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 10 december 2020, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
Partneralimentatie
2.2
In de tussenbeschikking van 10 december 2020 heeft het hof de aanvullende behoefte van de vrouw aan door de man te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 2.161,- netto per maand of € 3.418,- bruto per maand. De ingangsdatum van de partneralimentatie is 19 februari 2020. Het hof heeft overwogen dat het nog onvoldoende informatie heeft om de draagkracht van de man te kunnen vaststellen. Het hof heeft de man daarom bevolen om te overleggen:
- -
een gedocumenteerd overzicht van de onroerende goederen die de man in eigendom heeft, met vermelding van de WOZ-waarde van deze goederen, de huurstaat, de werkelijke huurinkomsten en de daaraan verbonden kosten in 2019 en 2020;
- -
een nadere toelichting van de betekenis van (de verhuur van) deze onroerende goederen voor de draagkracht van de man; en
- -
de jaarrekeningen van [C] B.V. over 2017, 2018 en 2019;
en om antwoord te geven op de vraag in hoeverre de reserves in [C] B.V. redelijkerwijs voor uitkering vatbaar zijn, rekening houdend met artikel 2:216 BW en de daarin vervatte balans- en uitkeringstest. Het hof heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de door de man overgelegde stukken en toelichting.
2.3
De man heeft wel een aantal stukken overgelegd, maar heeft niet aan de opdracht voldaan. Zo ontbreken een voldoende gedocumenteerd overzicht van de huurinkomsten en daaraan verbonden kosten en een antwoord op de vraag naar de (on)mogelijkheid reserves in [C] B.V. uit te keren. Daarmee heeft de man het hof nog altijd niet voldoende inzicht geboden in zijn inkomens- en vermogenspositie om zijn draagkracht voor partneralimentatie te kunnen vaststellen.
De vrouw heeft gesteld dat de man voldoende draagkracht heeft om in haar aanvullende behoefte te voorzien. Die stelling heeft zij onder meer onderbouwd door te wijzen op de mogelijkheden van de man om vermogen te gelde te maken en om geld uit de BV op te nemen, waarvoor op het eerste oog voldoende liquide middelen aanwezig lijken te zijn. Het lag op de weg van de man om deze onderbouwde stelling gemotiveerd te betwisten. Dat heeft hij gelet op het voorgaande niet gedaan. Het hof moet daarom aannemen dat de man voldoende draagkracht heeft om een partneralimentatie van € 3.418,- per maand aan de vrouw te voldoen.
Partneralimentatie als som ineens
2.4
De vrouw verzoekt het hof primair om de door de man te betalen partneralimentatie vast te stellen in de vorm van een eenmalig bedrag van € 720.000,-. Naar het oordeel van het hof is niet uitgesloten dat de rechter die een uitkering tot levensonderhoud in de zin van artikel 1:156 lid 1 BW toekent dat doet in de vorm van een som ineens. Met het begrip ‘uitkering’ in deze bepaling zal vooral een periodieke uitkering zijn bedoeld, maar de tekst van deze bepaling sluit niet uit dat de uitkering ook als som ineens kan worden toegekend. De wet kent in artikel 4:35 BW ook een andere onderhoudsregeling waarin een som ineens kan worden toegekend. Ook de rechtsgeleerde literatuur sluit die mogelijkheid niet uit (Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/664 en S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:156 BW, aant. 2). Of toekenning van een uitkering in de vorm van een som ineens passend en geboden is zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Voor een dergelijke toekenning zou bijvoorbeeld aanleiding kunnen zijn in geval de draagkracht van een onderhoudsplichtige hoofdzakelijk is gebaseerd op de omvang van zijn vermogen en niet op periodieke inkomsten uit arbeid of een andere activiteit. Bij de vraag of uitkering in een som ineens passend en geboden is moet ook in aanmerking worden genomen dat een som ineens achteraf met toepassing van artikel 1:401 BW ingetrokken of gewijzigd kan worden. De rechter die een som ineens vaststelt zal dat heel goed moeten toelichten.
2.5
De vrouw is bij haar berekening uitgegaan van een alimentatieverplichting voor de duur van 12 jaren, die in één termijn wordt uitbetaald. Zij heeft dat bedrag berekend als volgt: de uitkering is per maand € 5.000. De man moet die uitkering gedurende 12 jaar betalen, zodat in totaal is verschuldigd 12 x 12 x € 5.000 = € 720.000. De man heeft terecht aangevoerd dat onzeker is of de man voor de volledige duur van 12 jaren dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, nu deze verplichting eindigt bij zijn overlijden en hij 80 jaar oud is. Het hof zoekt om die onzekerheid te verdisconteren aansluiting bij de tabel van artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 voor berekening van de contante waarde van een periodieke uitkering in geld die afhankelijk is van het leven van een persoon. Gelet op die tabel en uitgaande van een bruto partneralimentatie van (€ 3.418,- per maand x 12 maanden =) € 41.016,- per jaar, berekent het hof de contante waarde van de door de man als som ineens te betalen partneralimentatie als volgt:
€ 41.016 x 5 jaren x 0,75 = € 153.810,-
€ 41.016 x 5 jaren x 0,40 = € 82.032,-
€ 41.016 x 2 jaren x 0,15 = € 12.304,-
totaal € 248.146,-
Dit bedrag is aanzienlijk lager dan het door de vrouw verzochte bedrag van € 720.000,-, zodat het hof al om die reden niet aan toewijzing toekomt. Niet is gebleken dat de vrouw ook met een lagere som ineens dan het verzochte bedrag instemt. Gelet hierop kan in het midden blijven of vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud als som ineens in dit geval is aangewezen. Het hof zal de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie dan ook vaststellen op het hiervoor genoemde maandelijkse bedrag van € 3.418,-. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze partneralimentatie met ingang van 1 januari 2021 afgerond € 3.521,- per maand.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
2.6
De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat tussen partijen zal worden afgerekend als ware er sprake van algehele gemeenschap van goederen. In de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden is opgenomen:
‘ARTIKEL EEN.
De wettelijke algehele gemeenschap van goederen, die van winst en verlies en van vruchten en inkomsten worden door hen uitdrukkelijk uitgesloten, zodat de aanstaande echtgenoten zullen huwen buiten alle gemeenschap.’
De vrouw voert aan dat deze krachtens overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet van toepassing is, omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Uit de stellingen van de vrouw leidt het hof af dat zij kennelijk wel de goederenrechtelijke uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen respecteert, maar vindt dat partijen in weerwil van de huwelijkse voorwaarden verbintenisrechtelijk met elkaar moeten afrekenen als ware er een gemeenschap van goederen. In de praktijk staat een dergelijke figuur bekend als finaal verrekenbeding bij echtscheiding (zie ook het opschrift van § 3 van afdeling 2 van titel 8 Boek 1 BW).
De omstandigheden die de vrouw daarvoor aanvoert zijn:
- -
de man heeft tijdens het huwelijk een groot vermogen opgebouwd;
- -
de man heeft dit vermogen in wezen samen met de vrouw opgebouwd. Zij heeft hem door de zorg voor het huishouden en de kinderen op zich te nemen daartoe in staat gesteld;
- -
tijdens het huwelijk was sprake van een klassieke rolverdeling;
- -
partijen hebben anders geleefd dan aan de hand van de huwelijkse voorwaarden;
- -
de vrouw was niet op de hoogte van de huwelijkse voorwaarden en de gevolgen daarvan;
- -
partijen hebben een langdurig huwelijk gehad en zijn thans op leeftijd.
2.7
Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen, en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW). In het debat van partijen is niet naar voren gebracht welke algemeen erkende rechtsbeginselen of in Nederland levende rechtsovertuigingen in dit geval een rol kunnen spelen. Ook is geen aandacht besteed aan maatschappelijk belangen die bij dit geval zijn betrokken. Het is voor het hof wel duidelijk wat de persoonlijke belangen van partijen zijn. Het belang van de man is dat de gemaakte afspraken nagekomen worden; het belang van de vrouw is dat zij ondanks de (koude) uitsluiting deelt in het vermogen van de man en een vordering op hem krijgt ter grootte van de helft van het saldo van dat vermogen.
2.8
Het hof is van oordeel dat de door de vrouw gestelde omstandigheden voor een groot deel niet zijn komen vast te staan. De man betwist haar stellingen en de vrouw doet geen bewijsaanbod.
Was de vrouw op de hoogte van de huwelijkse voorwaarden en de gevolgen daarvan?
De tekst van de huwelijkse voorwaarden is duidelijk. Partijen hebben die voorwaarden ten overstaan van een notaris ondertekend. Gelet hierop kon de man erop vertrouwen dat tussen hem en de vrouw geen gemeenschap van goederen is ontstaan en evenmin een verplichting met haar af te rekenen als ware er een gemeenschap van goederen. Dat de vrouw niet op de hoogte was van de huwelijkse voorwaarden staat niet vast. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij en de man het wel over de huwelijkse voorwaarden hebben gehad en dat die voorwaarden belangrijk waren omdat de man een eigen zaak had. De vrouw heeft verklaard dat zij dacht dat het huwelijk voor het leven was en dat zij er niet veel verstand van heeft, maar gewoon heeft getekend omdat zij dacht dat de man het wel zou weten. Het hof leidt hieruit af dat de vrouw wel wist wat de uitsluiting van iedere gemeenschap in de huwelijkse voorwaarden betekende.
Hebben partijen anders geleefd dan de huwelijkse voorwaarden inhielden?
In hoeverre partijen anders hebben geleefd dan aan de hand van de huwelijkse voorwaarden heeft de vrouw niet toegelicht. Het hof constateert dat de uitsluiting van iedere gemeenschap die zij in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen zijn werking heeft gehad. Iedere partij had en heeft zijn eigen vermogen. Niet is gebleken dat partijen ervan uitgingen dat het vermogen gemeenschappelijk was of dat de vrouw vanwege gedragingen van partijen erop mocht vertrouwen dat dit zo was.
Heeft de man het aan de vrouw te danken dat hij vermogen heeft opgebouwd?
De man betwist dat de vrouw hem door de klassieke rolverdeling binnen het huwelijk in staat heeft gesteld een aanzienlijk vermogen op te bouwen, terwijl zij die mogelijkheid niet heeft gehad. De vrouw heeft geen voldoende specifiek bewijsaanbod op dit punt gedaan. Die omstandigheid is dan ook niet komen vast te staan.
2.9
De overige omstandigheden (langdurig huwelijk en de gevorderde leeftijd van partijen) rechtvaardigen mede gelet op de persoonlijke belangen van partijen niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen buiten toepassing te laten. Zou dat wel het geval zijn, dan zouden de duur van een huwelijk en de leeftijd van de echtgenoten afbreuk doen aan de afspraken die echtgenoten in huwelijkse voorwaarden maken en zouden die afspraken anders dan bedoeld slechts een voorwaardelijke gelding hebben. Dat staat haaks op de bevoegdheid die de wet echtgenoten biedt om bij huwelijkse voorwaarden afspraken te maken die afwijken van de wettelijke gemeenschap.
3. De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Op grond van wat hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft, bekrachtigen voor zover het de afwijzing van de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de afrekening als ware er sprake van algehele gemeenschap van goederen en de opgave en waardering van het vermogen betreft en beslissen als volgt.
4. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 november 2019 voor zover het de partneralimentatie betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen:
- -
met ingang van 19 februari 2020: € 3.418,- per maand;
- -
met ingang van 1 januari 2021: € 3.521,- per maand;
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 november 2019 voor zover het de afwijzing van de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de afrekening als ware er sprake van algehele gemeenschap van goederen en de opgave en waardering van het vermogen betreft;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 4 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 10‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Tussenbeschikking partneralimentatie, behoeftelijst, bevel 22 Rv.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.273.821/01 en 200.273.867
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 475182)
beschikking van 10 december 2020
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [A] ,
verzoeker in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.821/01,
verweerder in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.867,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. H.J. de Raadt te [B] ,
en
[verweerster] ,
wonende te [B] ,
verzoekster in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.867,
verweerster in het hoger beroep met zaaknummer 200.273.821/01,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 november 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2. De procedure in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
in de zaak met zaaknummer 200.273.821/01:
- -
het beroepschrift van de man tevens houdende verzoeken tot schorsing en tot zekerheidstelling met producties, ingekomen op 6 februari 2020;
- -
het verweerschrift van de vrouw met producties;
in de zaak met zaaknummer 200.273.867:
- -
het beroepschrift van de vrouw, ingekomen op 7 februari 2020;
- -
het verweerschrift van de man met producties;
- -
een journaalbericht van mr. Du Bois van 25 september 2020 met producties;
en in beide zaken:
- -
een journaalbericht van mr. Du Bois van 5 oktober 2020 met producties;
- -
de spreekaantekeningen van mr. Du Bois.
2.2
Bij beschikking van 12 mei 2020 met zaaknummer 200.273.821/02 heeft het hof de verzoeken van de man tot schorsing en tot zekerheidstelling afgewezen.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 13 oktober 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3. De feiten
3.1
Partijen zijn [in] 1970 te [B] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden sluiten iedere gemeenschap van goederen tussen partijen uit.
3.2
De man heeft op 6 februari 2019 een verzoek tot echtscheiding ingediend.
3.3
Bij beschikking van 20 juni 2019 heeft de rechtbank de man bij wijze van voorlopige voorziening voorlopig veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 327,- bruto per maand te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
4. Het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de man veroordeeld om met ingang van de datum van echtscheiding aan de vrouw een bedrag van € 3.606,- bruto per maand te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De man is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de partneralimentatie.
De man verzoekt het hof, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 8 november 2019 op nihil wordt gesteld, dan wel op een bedrag dat het hof juist acht.
4.3
De vrouw voert verweer tegen het hoger beroep van de man en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en zijn verzoeken af te wijzen. De vrouw heeft in haar verweerschrift verder de hierna genoemde verzoeken opgenomen onder ‘zelfstandig tegenverzoek’.
4.4
De vrouw is zelf met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de afwijzing van het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot het verstrekken van stukken en het doen van opgave van zijn vermogen (grieven 1 en 6), de partneralimentatie (grieven 2, 3 en 4) en de afwijzing van het verzoek van de vrouw te bepalen dat tussen partijen wordt afgerekend alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen (grief 5).
De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen op de in haar grieven genoemde onderdelen en, opnieuw beschikkende, haar verzoeken toe te wijzen, kosten rechtens. Het hof begrijpt het door de vrouw in haar verweerschrift tegen het hoger beroep van de man geformuleerde ‘zelfstandig tegenverzoek’ als een nadere uitwerking van dit verzoek. Zij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- 1.
te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw door betaling van primair € 720.000,- ineens of subsidiair € 5.000,- netto per maand met ingang 1 mei 2019;
- 2.
te bepalen dat tussen partijen zal worden afgerekend als ware er sprake van algehele gemeenschap van goederen en de man te veroordelen tot het doen van opgave van de omvang van het volledig te verrekenen vermogen, met inbegrip van de vermogensbestanddelen in het buitenland, een en ander aan de hand van verificatoire bescheiden;
- 3.
te bepalen dat partijen zich mogen uitlaten over de waardering van het vermogen;
kosten rechtens.
4.5
De man voert verweer tegen het hoger beroep van de vrouw en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar grieven, althans deze af te wijzen.
5. De overwegingen voor de beslissing
Partneralimentatie
Ingangsdatum
5.1
Tussen partijen is niet langer in geschil dat 19 februari 2020, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, als ingangsdatum moet worden gehanteerd.
Hoogte behoefte vrouw
5.2
De behoefte van de vrouw is in geschil. De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat het hof in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest en daarnaast een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon en de aard van die uitgaven in dezelfde periode. Daarnaast zijn de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van belang.
5.3
Partijen hebben het hof onvoldoende inzicht verschaft in de inkomsten en uitgaven (omvang en aard) gedurende het huwelijk om de huwelijkse welstand te kunnen vaststellen. Wel hebben beide partijen behoeftelijsten overgelegd. De vrouw heeft bij journaalbericht van 5 oktober 2020 een aangepaste behoeftelijst overgelegd die tijdens de mondelinge behandeling is besproken. De man heeft een deel van de (hoogte van de) daarop vermelde posten betwist. Het hof neemt deze behoeftelijst als uitgangspunt bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw en brengt een aantal correcties aan wegens dubbeltellingen en vanwege de betwisting van de hoogte van de posten door de man. De door de vrouw op haar behoeftelijst vermelde eenmalige uitgaven laat het hof buiten beschouwing omdat de vrouw onvoldoende heeft toegelicht in hoeverre deze uitgaven doorwerken in haar maandelijkse behoefte aan partneralimentatie. Dat geldt ook voor de vermelde jaarlijkse kosten voor de fiets. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat dit een eenmalig bedrag betreft.
5.4
Het hof stelt de behoefte van de vrouw in redelijkheid vast op € 3.751,- netto per maand. Daarbij gaat het hof uit van de volgende bedragen:
- -
€ 1.250,- woonlasten;
- -
€ 151,- gas- en elektriciteitskosten;
- -
€ 52,- televisie en internet;
- -
€ 12,- WA- en inboedelverzekering;
- -
€ 14,- CV-onderhoud;
- -
€ 14,- waterschapslasten;
- -
€ 15,- afvalstoffenheffing;
- -
€ 175,- premie ziektekostenverzekering en eigen risico;
- -
€ 63,- lidmaatschap golfvereniging;
- -
€ 25,- contributie tennisclub;
- -
€ 42,- dagbladabonnement;
- -
€ 15,- maandbladabonnement;
- -
€ 22,- telefoonabonnement;
- -
€ 40,- kapper;
- -
€ 33,- nagels;
- -
€ 38,- medicatie en middelen, inclusief lenzen;
- -
€ 300,- boodschappen;
- -
€ 300,- kleding;
- -
€ 150,- uitgaan, cadeaus en activiteiten kleinkinderen;
- -
€ 350,- vakantie en reizen, inclusief verzekering;
- -
€ 40,- dierenarts en dierenopvang;
- -
€ 400,- autokosten, inclusief verzekering;
- -
€ 50,- benzinekosten;
- -
€ 50,- kosten openbaar vervoer;
- -
€ 150,- overig, inclusief reservering onvoorziene kosten.
Behoeftigheid
5.5
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven, om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien.
5.6
De rechtbank heeft het netto besteedbare inkomen van de vrouw berekend op € 1.288,- per maand gelet op haar AOW-uitkering met toepassing van de algemene heffingskorting en (alleenstaande) ouderenkorting. Gebleken is dat de vrouw daarnaast € 302,- per maand aan netto pensioen ontvangt, zodat het hof het netto besteedbare inkomen van de vrouw vaststelt op € 1.590,- per maand. Daarmee beschikt de vrouw over onvoldoende inkomsten om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt € 2.161,- netto per maand of, gelet op de aangehechte berekening, € 3.418,- bruto per maand.
Draagkracht van de man
5.7
De draagkracht van de man is in geschil.
De man heeft een aangifte inkomstenbelasting 2019 overgelegd, waaruit volgt dat de man een pensioenuitkering (€ 1.005,-), een lijfrente-uitkering (€ 7.599,-) en een AOW-uitkering (€ 15.519,-) ontvangt. De vrouw stelt dat de man daarnaast inkomsten uit verhuur van onroerende goederen heeft en over aanzienlijk vermogen beschikt dat hij liquide kan maken om te kunnen voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw. De man betwist vermogen te hebben dat hij kan liquideren en voert aan dat de kosten verbonden aan de door hem verhuurde panden de huurinkomsten overstijgen. De man heeft ter onderbouwing hiervan een aantal stukken overgelegd, waaronder een vermogensopstelling en huurovereenkomsten, waarvan de vrouw de juistheid en volledigheid gemotiveerd betwist.
Het hof acht zich gelet hierop onvoldoende voorgelicht om de draagkracht van de man voor partneralimentatie te kunnen vaststellen. Om deze draagkracht op de juiste wijze te kunnen vaststellen, heeft het hof behoefte aan:
- -
een gedocumenteerd overzicht van de onroerende goederen die de man in eigendom heeft, met vermelding van de WOZ-waarde van deze goederen, de huurstaat, de werkelijke huurinkomsten en de daaraan verbonden kosten in 2019 en 2020;
- -
een nadere toelichting van de betekenis van (de verhuur van) deze onroerende goederen voor de draagkracht van de man;
- -
de jaarrekeningen van [C] B.V. over 2017, 2018 en 2019;
- -
een antwoord op de vraag in hoeverre de reserves in [C] B.V. redelijkerwijs voor uitkering vatbaar zijn, rekening houdend met artikel 2:216 BW en de daarin vervatte balans- en uitkeringstest.
Het hof zal de man bevelen deze stukken en toelichting over te leggen overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en een antwoord te geven op de vraag over de uitkering en zal de vrouw in de gelegenheid stellen hierop te reageren.
5.8
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
6. Aanhechten berekening
Het hof heeft een berekening gemaakt van de aanvullende behoefte van de vrouw. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
beveelt de man uiterlijk op 25 januari 2021 de hiervoor onder 5.7 genoemde stukken en toelichting aan het hof te overleggen en een antwoord te geven op de vraag over de uitkering;
stelt de vrouw in de gelegenheid uiterlijk op 25 februari 2021 schriftelijk te reageren op de door de man overgelegde stukken en toelichting;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 10 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
