CRvB, 14-04-2010, nr. 08-4652 WIA
ECLI:NL:CRVB:2010:BM1424
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
14-04-2010
- Zaaknummer
08-4652 WIA
- LJN
BM1424
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CRVB:2010:BM1424, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 14‑04‑2010; (Hoger beroep)
Uitspraak 14‑04‑2010
Inhoudsindicatie
Oplegging loonsanctie. De Raad is met appellant van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie-inspanningen bij betrokkene als werkgeefster ligt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen overweegt de Raad als volgt. De Raad wijst op de medische informatie van 24 november 2006 waaruit blijkt dat het laatste spreekuurcontact op 13 april 2006 heeft plaatsgevonden en dat op 22 mei 2006, 23 juni 2006, 24 juli 2006 en 29 september 2006 slechts telefonisch contact is geweest met de werkneemster waarvan verslag is gedaan van klachtbeleving en uitslagen van onderzoeken. De Raad onderschrijft in dit verband de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 15 februari 2008 waarin hij in het licht hiervan stelt dat het in de rede had gelegen voor de werkneemster een tijdpad uit te stippelen dat in een volledige werkhervatting zou voorzien binnen enkele maanden en dat het volstrekt onhelder is waarom de uitbreiding – streven naar volledige werkhervatting begin zomer 2007 – “in zo’n tergend langzaam tempo” zou moeten plaatshebben. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.
Partij(en)
08/4652 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2008, 07/1720 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te Amsterdam (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 14 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A.D. Sunter, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma en mr. B.S. Lindeman. Werkgeefster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.D. Sunter.
II. OVERWEGINGEN
- 1.1.
Bij besluit van 15 januari 2007 heeft appellant het tijdvak waarin [naam werkneemster] (hierna: werkneemster) jegens betrokkene als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken. Die verlenging – ook wel kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de wet WIA.
- 1.2.
Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.
- 2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant door aan te nemen dat betrokkene te allen tijde verantwoordelijk is voor eventuele onvoldoende re-integratie-inspanningen, ook indien de terughoudendheid van betrokkene is gebaseerd op het medisch oordeel van de arbo-arts, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Om te kunnen beoordelen of grond bestaat om aan betrokkene een loonsanctie op te leggen, is naar het oordeel van de rechtbank van belang of het advies van de door betrokkene ingeschakelde arbo-arts, waarop betrokkene mede haar re-integratie-inspanningen heeft gebaseerd, juist was. Is dat niet het geval, dan kan betrokkene uitsluitend worden aangerekend dit advies gevolgd te hebben, indien zij concrete aanwijzingen had om aan de juistheid van dat advies te twijfelen. De rechtbank was vervolgens van oordeel dat appellant, door na te laten deze omstandigheden te onderzoeken en niet na te gaan of er concrete aanwijzingen waren voor betrokkene om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de functionele mogelijkheden van de werkneemster door de arbo-arts en de re-integratiemogelijkheden, onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
- 3.1.
In hoger beroep is door appellant – kort weergegeven – aangevoerd dat re-integratie in de eerste plaats en bovenal de verantwoordelijkheid van de werkgever (en werknemer) is. De werkgever kan zich laten bijstaan door een arbodienst/bedrijfsarts maar dat doet volgens appellant niet af aan zijn wettelijke verantwoordelijkheid. In dat verband rust volgens appellant een risicoaansprakelijkheid bij betrokkene. Deze aansprakelijkheid kan hij afwentelen op zijn arbodienst.
- 3.2.
Betrokkene heeft – samengevat weergegeven – verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
- 4.1.
De Raad overweegt als volgt.
- 4.2.
De Raad is met appellant van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie-inspanningen bij betrokkene als werkgeefster ligt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK 3713. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.
- 5.1.
Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen overweegt de Raad als volgt.
- 5.2.
Gezien de standpunten in hoger beroep staat ter beoordeling de vraag of sprake is van onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgeefster, als bedoeld in artikel 25, negende lid van de Wet WIA.
- 5.3.
Blijkens het bestreden besluit is de conclusie van appellant met betrekking tot de re-integratie-inspanningen van betrokkene neergelegd in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 18 mei 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 mei 2007.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband het volgende aangegeven.
“De beschikbare gegevens van werkgever en arbodienst maken duidelijk dat werkgever/arbodienst een te weinig, actieve, activerende en initiërende rol heeft gespeeld in de periode van aanvang verzuim tot datum actueel oordeel van 24-11-2006. Naar blijkt is in overwegende mate aangehaakt bij de subjectieve klachtbeleving van wn (lees: werkneemster) en de eigen inschatting/verwachting van wn met betrekking tot het verder kunnen uitbreiden in uren. Wn heeft van maart 2006 tot november 2006 uitgebreid van 4x4 naar 4x5 uur per week terwijl in april 2006 de (medicamenteuze) behandeling tot een einde is gekomen en overigens voor de postinfectieuze moeheidsklachten geen verklaring kan worden gegeven. In het bijzonder blijkt dat de bedrijfsarts wn sinds 13-04-2006 niet meer op het spreekuur heeft gezien maar slechts enkele telefonische contacten met wn heeft gehad waarin de klachten zijn aangehoord maar geen tijdcontingente aanpak wordt gebezigd. Gezien de medisch onverklaarbare klachten was deze aanpak de meest geëigende geweest om verdere somatisering en deconditionering tegen te gaan. Door de gepraktiseerde aanpak is m.i. de re-integratie ernstig gestagneerd.”
De bezwaararbeidsdeskundige is in zijn rapportage tot de conclusie gekomen dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat geen deugdelijke grond bestaat voor dit verzuim.
- 5.4.
De Raad ziet in de beschikbare stukken geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. De Raad wijst daarbij in het bijzonder op de medische informatie van 24 november 2006 waaruit blijkt dat het laatste spreekuurcontact op 13 april 2006 heeft plaatsgevonden en dat op 22 mei 2006, 23 juni 2006, 24 juli 2006 en 29 september 2006 slechts telefonisch contact is geweest met de werkneemster waarvan verslag is gedaan van klachtbeleving en uitslagen van onderzoeken. De Raad onderschrijft in dit verband de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 15 februari 2008 waarin hij in het licht hiervan stelt dat het in de rede had gelegen voor de werkneemster een tijdpad uit te stippelen dat in een volledige werkhervatting zou voorzien binnen enkele maanden en dat het volstrekt onhelder is waarom de uitbreiding – streven naar volledige werkhervatting begin zomer 2007 – “in zo’n tergend langzaam tempo” zou moeten plaatshebben.
- 6.
Hetgeen onder 5.2 tot en met 5.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat appellant terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan betrokkene en dat het inleidend beroep van betrokkene ongegrond verklaard moet worden.
- 7.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
EK