In de cassatieschriftuur is ten onrechte sprake van het adres [b-straat 1], [plaats].
HR, 22-12-2015, nr. 14/01887
ECLI:NL:HR:2015:3686, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-12-2015
- Zaaknummer
14/01887
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:3686, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 22‑12‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2444, Contrair
ECLI:NL:PHR:2015:2444, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑11‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3686, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑07‑2015
- Vindplaatsen
NJ 2016/304 met annotatie van T.M. Schalken
SR-Updates.nl 2016-0025
Uitspraak 22‑12‑2015
Inhoudsindicatie
Verstek. Aanwezigheidsrecht. Het kantooradres van een advocaat dat is vermeld in de akte rechtsmiddel of de door hem verstrekte schriftelijke bijz. volmacht tot het instellen van een rechtsmiddel is niet een opgave van een adres a.b.i. art. 588a.1 onder c Sv, behoudens in een verstekzaak waarin de dagvaarding op de voet van art. 588.1 sub b onder 3° Sv ter griffie is uitgereikt om reden dat verdachte niet is ingeschreven in een GBA/BPR en niet is gedetineerd in NL, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in NL of een adres in het buitenland bekend is. Nu bedoeld specifiek geval zich i.c. niet voordoet geeft ’s Hofs kennelijke oordeel dat de vermelding van het kantooradres van mr. X in de bijzondere schriftelijke volmacht niet kan gelden als de opgave van een adres i.d.z.v. art. 588a.1 onder c Sv niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Partij(en)
22 december 2015
Strafkamer
nr. S 14/01887
ARA/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 januari 2014, nummer 20/000587-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
2.2.1.
De verdachte is door de Politierechter in de Rechtbank Zeeland-West-Brabant bij vonnis van 18 februari 2013 ter zake van diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken. Het Hof heeft bij zijn bij verstek gewezen arrest de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het tegen voormeld vonnis ingestelde hoger beroep.
2.2.2.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
( i) een appelakte van 18 februari 2013 waarin als adres van de verdachte is vermeld: [a-straat 1] , [plaats] ;
(ii) een aan deze akte gehecht - door de griffier als schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in art. 450, eerste lid onder b, Sv aangemerkt - faxbericht van 18 februari 2013 van mr. A.A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg, onder meer inhoudende:
"Cliënte stemt in met uitreiking van de oproeping aan een medewerker van de griffie en kiest voor deze kwestie woonplaats op mijn kantoor, aan de [b-straat 1] , [plaats] . Het afschrift van de appeldagvaarding kan aan dit adres worden gezonden.";
(iii) een akte van uitreiking, betreffende de dagvaarding in hoger beroep, inhoudende dat die dagvaarding
- op 15 november 2013 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] met achterlating van een bericht van aankomst als bedoeld in art. 588, derde lid aanhef en onder b, Sv;
- op 3 december 2013 is uitgereikt aan de Griffier van de Rechtbank Oost-Brabant omdat "de geadresseerde, blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente, op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven", onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar dat adres;
(iv) een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2014 waaruit blijkt dat de verdachte noch een raadsman aldaar is verschenen.
2.3.
Het middel berust op de stelling dat de vermelding van het kantooradres van mr. Nunnikhoven in voormeld faxbericht bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als de opgave van een adres als bedoeld in art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
2.4.1.
Art. 588a Sv luidt:
"1. In de navolgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
2. De verdachte kan in het adres, bedoeld in het eerste lid, wijziging brengen door een verklaring in persoon af te leggen bij het openbaar ministerie bij hetwelk de zaak in behandeling is.
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege worden gelaten indien:
a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 588 moet worden uitgereikt;
b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;
c. de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon dan wel aan een andere persoon als bedoeld in artikel 588, derde lid, onder b, is uitgereikt.
4. Bij de verzending, bedoeld in het eerste lid, wordt de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht genomen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel."
2.4.2.
Art. 590, derde lid, Sv luidt:
"Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 588a niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid."
2.5.1.
Aangenomen moet worden dat art. 588a, eerste lid onder c, Sv niet het oog heeft op het kantooradres van een advocaat dat is vermeld in de akte rechtsmiddel of de door hem verstrekte schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van het rechtsmiddel, waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden (vgl. HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3320).
2.5.2.
Dat neemt niet weg dat - gelet op het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht - in het specifieke geval dat de appeldagvaarding op de voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3°, Sv ter griffie is uitgereikt om reden dat de verdachte niet is ingeschreven in een GBA (thans BRP) en niet is gedetineerd in Nederland, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is, de appelrechter bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling mag nemen dan nadat een afschrift van de appeldagvaarding is verzonden naar het in de akte rechtsmiddel dan wel in de schriftelijke volmacht vermelde kantooradres van de advocaat opdat de verdachte mogelijk langs die weg op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak. (Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1569.)
2.6.
Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat de vermelding van het kantooradres van mr. Nunnikhoven in voormeld faxbericht niet kan gelden als de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.1 is overwogen en in aanmerking genomen dat zich hier niet het onder 2.5.2 bedoelde geval voordoet, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2015.
Conclusie 03‑11‑2015
Inhoudsindicatie
Verstek. Aanwezigheidsrecht. Het kantooradres van een advocaat dat is vermeld in de akte rechtsmiddel of de door hem verstrekte schriftelijke bijz. volmacht tot het instellen van een rechtsmiddel is niet een opgave van een adres a.b.i. art. 588a.1 onder c Sv, behoudens in een verstekzaak waarin de dagvaarding op de voet van art. 588.1 sub b onder 3° Sv ter griffie is uitgereikt om reden dat verdachte niet is ingeschreven in een GBA/BPR en niet is gedetineerd in NL, noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in NL of een adres in het buitenland bekend is. Nu bedoeld specifiek geval zich i.c. niet voordoet geeft ’s Hofs kennelijke oordeel dat de vermelding van het kantooradres van mr. X in de bijzondere schriftelijke volmacht niet kan gelden als de opgave van een adres i.d.z.v. art. 588a.1 onder c Sv niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Nr. 14/01887
Mr. Machielse
Zitting 3 november 2015
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Op 10 januari 2014 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur met grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte de zaak heeft afgedaan omdat artikel 588a lid 1 onder c Sv is geschonden.
3.2. Het hoger beroep is ingesteld door een advocaat middels een bijzondere schriftelijke volmacht aan de griffie van de rechtbank. In de volmacht schrijft de advocaat dat het afschrift van de appeldagvaarding kan worden gezonden naar het adres [b-straat 1], [plaats].1.De appeldagvaarding is uitgereikt overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, lid 3 onder c, Sv.
3.3. De vermelding in de schriftelijke volmacht van het adres van de raadsman van de verdachte, [b-straat 1], [plaats], kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van artikel 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van artikel 588a Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.2.
Het eerste middel is gegrond.
4.1. Het tweede middel3.klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat het dossier, nadat op de 9 april 2014 cassatie is ingesteld, eerst op 27 maart 2015 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
4.2. Dit middel behoeft geen bespreking omdat het hof, dat na vernietiging van het bestreden arrest de zaak opnieuw zal hebben te beoordelen, bij een eventuele strafoplegging met de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase rekening zal dienen te houden.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑11‑2015
Beroepschrift 01‑07‑2015
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: S 14/01887
SCHRIFTUUR HOUDENDE
EEN MIDDEL VAN CASSATIE
Van : Mr. L.E.G. van der Hut
Dossiernummer: 1616.243
Inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie van een door het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch op 10 januari 2014, onder parketnummer 20-000587-13 gewezen arrest.
Middel I
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormschriften, doordat het Hof
- (i.)
ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, (impliciet) heeft geoordeeld dat aan de verzendplicht ex art. 588a, eerste lid onder c, Sv is voldaan, en
- (ii.)
ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst terwijl het daartoe ingevolge art. 590, derde lid, wel verplicht was — teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn — en verstek heeft verleend tegen verzoekster.
2. Toelichting
2.1
Uit de aan Uw Raad toegezonden stukken blijkt dat op 18 februari 2013 door middel van een faxbericht van de bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman van verzoekster, mr. Nunnikhoven, namens haar hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter van 18 februari 2013 (parketnummer 02/226456-12). Bij die gelegenheid heeft de raadsman expliciet aangegeven dat verzoekster in deze zaak woonplaats koos op het kantoor van de raadsman, aan de Gasthuisring 1-09 te (5041 DP) Ede.
2.2
De aan de dagvaarding in hoger beroep gehechte akte van uitreiking houdt in dat die dagvaarding op 15 november 2013 tevergeefs is getracht uit te reiken op het GBA-adres van verzoekster: [a-straat 1] te [postcode] [a-plaats]. Op 3 december 2013 is de dagvaarding aan de griffier van de Rechtbank Oost-Brabant uitgereikt, omdat verzoekster op de dag van de aanbieding en ten minste vijf dagen nadien in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) op dit adres was ingeschreven. Diezelfde dag heeft de griffier een afschrift van de dagvaarding aan dit adres gezonden.
2.3
Het Hof heeft op 10 januari 2014 verstek verleend tegen verzoekster en de zaak in dier afwezigheid behandeld. Het Hof was (kennelijk) van oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was betekend én dat — indien aan de orde — aan de verzendplicht ex art. 588a Sv was voldaan, zodat er geen reden was om het onderzoek ter zitting te schorsen, teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen alsnog bij dat onderzoek aanwezig te zijn.
2.4
Verzoeker acht 's Hofs oordelen onjuist, dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Ad (i.)
2.5
In de eerste plaats heeft het Hof miskend dat bij het instellen hoger beroep in deze zaak namens verzoekster een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, te weten Gasthuisring 1-09 te 5041 DP Tilburg, terwijl uit de stukken blijkt dat verzoekster op het moment van instellen van dat beroep in de GBA op een ander adres stond ingeschreven ([a-straat 1] te [a-plaats]).
2.6
Ingevolge art. 588a, eerste lid onder c, Sv behoorde na betekening van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep (door uitreiking aan de griffier) een afschrift van die dagvaarding — hetgeen inhoudt: een kopie van de originele dagvaarding, gericht aan verzoekster — te worden gezonden aan het adres dat bij het instellen van hoger beroep namens verzoekster was opgegeven. Uit de akte van uitreiking behorende bij de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep blijkt niet dat dit is gebeurd. De gedingstukken houden evenmin iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Aan de verzendplicht ex art. 588a, eerste lid onder c, Sv is daarom niet voldaan.
2.7
Het in de bestreden uitspraak besloten liggende (impliciete) oordeel dat aan de verzendplicht zoals bedoeld in art. 588a, eerste lid onder c, Sv is voldaan is derhalve onjuist en in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk (vgl. bijv. HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4497).
Ad (ii.)
2.8
In de tweede plaats heeft het Hof verzuimd het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen daarbij aanwezig te zijn. Gelet op het voorgaande — het achterwege blijven van verzending van een afschrift van de appeldagvaarding aan het bij het instellen van hoger beroep opgegeven adres — had het Hof er ten minste blijk van moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn.
2.9
Nu niet blijkt van zodanig onderzoek en het Hof de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting in strijd met het bepaalde in art. 590, derde lid, Sv niet heeft geschorst, is 's Hofs (impliciete) oordeel dat de behandeling van de zaak niet behoefde te worden aangehouden teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek ter zitting aanwezig te zijn onjuist, althans zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, onbegrijpelijk. Dit leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
2.10
Het arrest kan niet in stand blijven.
Middel III
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de redelijke termijn — de inzendingstermijn — in cassatie is overschreden.
2. Toelichting
2.1
Alhoewel blijkens de akte cassatie op 9 april 2014 beroep in cassatie is ingesteld, zijn de Stukken van het geding in deze zaak eerst op 27 maart 2015 ter griffie van Uw Raad ontvangen. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, gelet op het bepaalde in HR 17 juni 2008, NJ 2008/358, met circa 3,5 maand is overschreden. Dit behoort tot verlaging van de aan verzoeker opgelegde sanctie te leiden.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, die verklaart dat verzoekster haar daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
L.E.G. van der Hut
Den Haag, 1 juli 2015