Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/7.1
7.1 Inleiding
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS606191:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2016/17, 34677, 3, p. 5. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van art. 22a Wta per 1 juli 2018 hebben de OOB-accountantsorganisaties in navolging van de maatregelen uit het rapport ‘In het publiek belang’ al een raad van commissarissen is ingesteld vanaf 2015 (NBA 2014, Maatregel 2.1).
Zie hoofdstuk 3 voor een uitgebreide toelichting op de methodologie. Zie nader over deze onderzoeksmethoden Van Schaaijk 2011, p. 79-81. Ook statuten vormen een neerslag van de praktijk op schrift. Statutaire bepalingen kunnen derhalve afwijken van de situatie in de praktijk. Door het bestuderen van de statutaire bevoegdheden van de raden van commissarissen bij, en hun positionering binnen de juridische structuur van het nationale netwerk van de OOB-accountantsorganisatie is het echter wel mogelijk een mening te vormen over de verwachte doelmatigheid van deze kwaliteitsbevorderende maatregel in de praktijk. In mijn beoordeling maak ik gebruik van de deductieve rechtvaardigingstheorie van MacCormick, zie hoofdstuk III uit MacCormick 1994 en Feteris 1994, p. 93-97.
Piersma 2018, p. 6.
In dit hoofdstuk staat de wettelijke verplichting voor OOB-accountantsorganisaties uit art. 22a Wta om te beschikken over een stelsel van onafhankelijk intern toezicht met een orgaan van intern toezicht binnen de governance van de OOB- accountantsorganisatie centraal. Met de invoer van het stelsel van onafhankelijk intern toezicht is beoogd bij te dragen aan de borging van het lange termijn beleid van de OOB-accountantsorganisatie, waardoor naar verwachting ook de kwaliteit van de controlewerkzaamheden zal verbeteren.1 In hoofdstuk 5 plaatste ik enkele kritische kanttekeningen bij de vormgeving van art. 22a Wta en gaf ik enkele richtsnoeren voor verbetering. Hoewel ik verbeteringsmogelijkheden voor de wettekst zie hoeft de huidige vormgeving van de wettekst niet in de weg te staan aan de effectiviteit van de maatregel in de praktijk. In dit hoofdstuk neem ik daarom als uitgangspunt de wettelijke verplichting tot het instellen van een onafhankelijk orgaan van intern toezicht bij de OOB-accountantsorganisatie om een oordeel te vormen over de doeltreffendheid van art. 22a Wta. Om dit inzicht te verkrijgen maak ik gebruik van literatuuronderzoek aangevuld met casestudy’s op basis van de statuten van de OOB-accountantsorganisaties.2
De voormalig bestuursvoorzitter Van Mierlo van PwC merkte in een interview op: “Er wordt ook gezegd dat we niet kunnen aantonen dat de maatregelen werken. Maar neem nou de invoering van onafhankelijke raden van commis sarissen bij de accountantskantoren. Heel veel bedrijven hebben onafhankelijke commissarissen. Waarom zouden ze die hebben als dat niet werkt?”3 Accountantsorganisaties verschillen van veel van de door bestuursvoorzitter benoemde ‘bedrijven’ doordat accountantsorganisaties veelal (nog) functioneren als ware het maatschappen. In paragraaf 7.2. bespreek ik de voor- en nadelen van de maatschapsstructuur zoals deze volgen uit de wetenschappelijke literatuur (par. 7.2.1.) en vanuit juridisch perspectief (par 7.2.2.). In paragraaf 7.3. staat de invoering van het stelsel van onafhankelijk intern toezicht bij de OOB-accountantsorganisaties in de praktijk centraal. In paragraaf 7.3.1. bepreek ik de achterliggende redenen voor invoer van een stelsel van intern toezicht in de maatschapsstructuur. Vervolgens laat ik in paragraaf 7.3.2. de plaats van het orgaan van onafhankelijk intern toezicht in de juridische structuur van elk van de Nederlandse OOB-accountantsorganisaties zien. Tevens bespreek ik de implementatie van bevoegdheden uit art. 22a Wta voor (de leden van) het orgaan van intern toezicht bij de OOB-accountantsorganisaties in de praktijk. In paragraaf 7.3.3. toets ik de praktijksituatie, d.w.z. de weergave van de praktijk zoals volgt uit de statuten van de OOB-accountantsorganisaties, (par. 7.3.2.) aan de doelstellingen van de wetgeving. In paragraaf 7.4. sluit ik af met een conclusie. Of het invoeren van een wettelijke verplichting tot het instellen van een intern toezichtsorgaan ook daadwerkelijk heeft geleid tot het borgen van een lange termijn beleid is op basis van publiek beschikbare bronnen lastig te constateren. Daarnaast is de desbetreffende wetgeving eerst op 1 juli 2018 van kracht geworden en is het tijdsverloop dus onvoldoende om een robuuste conclusie te trekken. Daarentegen hebben de voor mij beschikbare openbare bronnen wel inzicht verschaft in de vraag of een meer uniforme governance is gecreëerd waardoor mijn conclusies wel een onderbouwde indicatie geven van de mate waarin de beoogde doelstelling van de wetgever kan worden bereikt.