Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.5.1
3.5.1 Een geldige titel; doorgaans een overeenkomst
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS592335:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Over de mate van geslotenheid van het goederenrechtelijke stelsel zie de literatuur aangehaald in par. 2.1.
Over de functie van het verbintenissenrecht en de betekenis daarvan voor de goederenruil Nieskens-Isphording (1991) p. 26.
Dit raakt aan het beginsel van de ongerechtvaardigde verrijking. Over de betekenis van de ongerechtvaardigde verrijking, zowel als actie en als beginsel van het Burgerlijk Wetboek, bestaat in de overvloedige literatuur geen overeenstemming. Nieskens-Isphording (1991) p. 79 ziet het beginsel als 'toetssteen voor elke verbintenis'. Andere auteurs geven het een minder prominente plaats of kennen daaraan andere functies toe; zie bijvoorbeeld Vranken (1998a) en Hartkamp (2001). Over goederenbescherming en ongerechtvaardigde verrijking Van Boom (2002) p. 95-101. Over ongerechtvaardigde verrijking en betalingsverkeer Snijders (2001) en NieskensIsphording (1998) p. 16-19 naar aanleiding van HR 5 september 1997, NJ 1998, 437 m.nt. PvS en JOR 1997, 112 m.nt. E.W.J.H. de Liagre Bilhl en N.E.D. Faber (`Ontvanger-Hamm q.q.').
Mijnssen (1984) p. 68, Rank (1996) p. 266-267.
Zie hoofdstuk 1, par. 1 voor enkele cijfers over de hoeveelheid betalingstransacties.
In gelijke zin Rank (1996) p. 190.
Over onverschuldigde betaling door de overheid en de uiteenlopende publiekrechtelijke gronden voor betaling Scheltema (1997) p. 255-307, Bollen (2002) en Scheltema-Scheltema (2003) p. 382-398.
Respectievelijk HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752 m.nt. WMK (`Slis-Stroom'); HR 5 september 1997, NJ 1998, 437 m.nt. PvS en JOR 1997, 112 m.nt. E.W.J.H. de Liagre B8111 en N.E.D. Faber (`Ontvanger-Hamm q.q.'); HR 3 december 2004, NJ2005, 200 m.nt. PvS en JOR 2005, 51 m.nt. N.E.D. Faber (`Mendel q.q.-ABN Amro') en HR 10 januari 1975, NJ 1976, 249 m.nt. BW (`Standaardfilms') en de op deze 'standaard-arresten' gebaseerde latere jurisprudentie.
Nuanceringen en kanttekeningen bewaar ik voor de volgende hoofdstukken, waar iedere situatie afzonderlijk en meer in detail wordt besproken Enigszins anders is de situatie waarin de bank door verrekening verhaal neemt op binnenkomende betalingen, de vierde situatie die ik in hoofdstuk 1 heb benoemd. Het gaat in deze gevallen naar mijn mening niet zozeer om de rechtsgeldigheid van de rechtsverhouding op basis waarvan de bank verhaal neemt, maar om de vraag of de bank daartoe bevoegd was. Deze vraag staat centraal in hoofdstuk 7.
Het behoeft nauwelijks betoog dat het privé-vermogen en de vrije verhandeling van goederen en diensten sinds jaar en dag de belangrijkste pijlers vormen van de (westerse) economie. Enigszins gechargeerd, worden deze twee pijlers weerspiegeld in de structuur van het vermogensrecht. Goederenrechtelijke aanspraken, in het bijzonder het recht van eigendom, beschermen een privé-vermogen tegen inbreuken van derden. Deze rechten nemen de status-quo van een vermogen tot uitgangspunt en het goederenrecht zou daarom kunnen worden gekenschetst als het statische deel van het vermogensrecht. Omdat partijen bovendien slechts gebruik kunnen maken van goederenrechtelijke rechten als voorzien in de wet en deze niet naar believen zelf in het leven kunnen roepen of vormgeven, wordt wel gesproken van het gesloten goederenrechtelijk systeem (het numerus clausus-beginsel).1 Het overeenkomstenrecht heeft daarentegen een dynamisch karakter. Het is van regelend recht en, hoewel bekritiseerd, lijkt nog steeds gestoeld op de beginselen van partij-autonomie en contractsvrijheid. Het dynamische karakter van het verbintenissenrecht komt wellicht het sterkst tot uitdrukking in zijn functie in het handelsverkeer. Partijen bepalen zèlf tegen welke prijs en onder welke voorwaarden zij bereid zijn hun goederen te verhandelen. Vermogensrechtelijk gezien scheppen partijen met het aangaan van een overeenkomst een rechtsband die een wijziging in hun vermogensrechtelijke positie rechtvaardigt. In goederenrechtelijke zin levert deze overeenkomst een titel op, die volgens artikel 3:84 lid 1 BW noodzakelijk is voor een rechtsgeldige overdracht van goederen. Het titelvereiste is daarmee een belangrijke schakel tussen het verbintenissen- en het goederenrecht.2
Deze verbintenisrechtelijke grondslag werkt op uiteenlopende wijzen door in de goederenrechtelijke positie van partijen. Zo zal een overeenkomst zijn gesloten tussen bepaalde partijen. Dat betekent dat daarmee een titel in het leven is geroepen die slechts toereikend is voor een vermogensverschuiving tussen deze partijen. Met andere woorden: uit de titel volgt voor wiens vermogen het goed bestemd is en waar het goed na overdracht zijn berusting dient te vinden. Heeft het goed eenmaal het geadresseerde vermogen bereikt, is de onderliggende obligatoire verplichting vervuld en gaat ze daarmee teniet. Ook beïnvloedt de titel de goederen-rechtelijke gevolgen die aan een feitelijke verrichting kunnen worden verbonden. Als iemand een zaak feitelijk ter hand stelt aan een ander uit hoofde van een overeenkomst tot bewaring, blijft het recht van eigendom op de zaak in beginsel toebehoren aan het vermogen van de bewaargever. Indien daarentegen iemand deze zaak ter hand stelt uit hoofde van een overeenkomst tot koop en verkoop, geldt diezelfde handeling als een goederenrechtelijke levering en het eigendomsrecht gaat daarmee behoren tot het vermogen van de koper. In het licht van deze betekenis van het titelvereiste en zijn rechtstreekse verbondenheid met het beginsel dat iedere vermogensverschuiving een rechtvaardiging behoeft, meen ik dat deze eis als uitgangspunt (een belangrijke beperking komt hierna aan de orde) ook toepassing dient te vinden op de vermogensovergang van geld. De vraag of een chartale of girale betalingshandeling heeft geleid tot de vermogensovergang van geld, begint dus met een onderzoek naar de geldigheid en legitimerende werking van de rechtsverhouding die daaraan ten grondslag ligt.3
Alvorens hierop verder in te gaan, sta ik eerst stil bij een bezwaar dat in de literatuur is opgeworpen tegen een dergelijke causale benadering. Dit komt erop neer dat het voor een bank onmogelijk is om zich bij iedere betaling te verdiepen in de rechtsgeldigheid van de verhouding waaruit de betaling voortvloeit.4 Dit bezwaar is in zoverre juist, dat van de banken inderdaad in redelijkheid niet kan worden verwacht een onderzoek te doen naar de aard en grondslag van ieder van de ruim anderhalf miljard betalingen die zij gezamenlijk jaarlijks verwerken.5 Ik meen echter dat dát geenszins noodzakelijk is indien het door mij bepleite causale stelsel van betaling wordt toegepast. De opvatting dat in dat geval iedere betalingsopdracht noopt tot een onderzoek naar de onderliggende rechtsverhouding, is het resultaat van de vroeger gehuldigde opvatting dat de bank handelt als gevolmachtigde of lasthebber van de solvent en accipiënt. Zoals hiervoor in hoofdstuk 2 aan de orde kwam, is deze zienswijze door het gros van de auteurs verlaten. Meer in lijn met de economische realiteit lijkt het mij de bank te beschouwen als een hulppersoon bij het betalingsverkeer.6 Uit hoofde van de giro-overeenkomst (en dus niet uit hoofde van of voortvloeiend uit de overeenkomst tussen de solvent en accipiënt) is de bank jegens de rekeninghouder gebonden om bij een toereikende dispositieruimte betalingsopdrachten uit te voeren en van alle binnenkomende en uitgaande betalingen een administratie bij te houden. Aan deze administratieve gegevens kunnen rechtsgevolgen worden verbonden. De betrokkenheid van de bank als hulppersoon blijft beperkt tot het voeren van een administratie, en de bank behoeft zich niet te belasten met de rechtsgevolgen die al dan niet aan deze administratie kunnen worden verbonden. Een causale benadering betreft uitsluitend de rechtsverhouding tussen de solvent en accipiënt en niet de rechtsverhouding tussen een van beiden en hun bij de afwikkeling van de betaling betrokken bank.
Terug nu naar de rechtsgrond tussen de solvent en de accipiënt. Het antwoord op de vraag of tussen beiden sprake is van een geldige rechtsgrond, zal doorgaans kunnen worden gevonden in een rechtshandeling van partijen, zoals een overeenkomst. Ook kan een rechtsgrond gelegen zijn in een verbintenis uit de wet of een publiekrechtelijke grondslag, bijvoorbeeld een sociale uitkering.7 Het is hier echter vooral interessant om te zien welke verhoudingen niet op voorhand een vermogensovergang rechtvaardigen. Ik ben daarmee, na de voorgaande omzwervingen, weer aanbeland bij de categorieën die ik in paragraaf 1.2 van hoofdstuk 1 heb onderscheiden en waarbij de regulering van verhaal op giraal geld problematisch bleek. Dat waren achtereenvolgens de kwaliteitsrekening, overschrijvingen ten gevolge van een kennelijke vergissing, restitutie na een onterechte incasso en verrekening in het zicht van het faillissement van de rekeninghouder.8 De eerste drie gevallen hebben gemeen, dat de (rechts-)verhouding tussen solvent en accipiënt niet de strekking heeft een (onvoorwaardelijke) overgang te bewerkstelligen van giraal geld van het vermogen van de solvent naar het voor verhaal vatbaar vermogen van de accipiënt.9 Voor wat betreft de kwaliteitsrekening is het juist de bedoeling van partijen dat het geld niet tot het vermogen van de tussenpersoon gaat behoren. Bij kennelijke vergissingen is er in veel gevallen helemaal geen sprake van een rechtsverhouding en voor zover die er wel is, is die niet toereikend om de betaling te rechtvaardigen. Bij het systeem van incasso kan het voorkomen dat van de rekening van de solvent geld wordt afgeschreven zonder dat hij dat verschuldigd was aan de accipiënt, tevens initiator tot de incasso. Ook in dat geval zal de rechtsverhouding solvent en accipiënt ontbreken of niet toereikend zijn. Door giraal geld te beschouwen als het object van een goederenrechtelijke aanspraak tezamen met een causale benadering zoals die ook is neergelegd in artikel 3:84 lid 1 BW, kan worden verklaard waarom de overschrijving en creditering van de betaalrekening van de accipiënt niet noodzakelijk heeft geleid tot een vermogensovergang tussen beiden.
Het zal duidelijk zijn dat de onverkorte toepassing van een causale benadering van de overdracht van geld verstrekkende gevolgen heeft. Het brengt met zich mee dat, net zoals de eigenaar zijn zaak kan revindiceren, de solvent 'zijn geld' in beginsel kan terugvorderen van de accipiënt nadat gebleken is dat een rechtvaardiging ontbreekt en, als meest vergaande consequentie, het zelfs niet is uitgesloten dat hij dat zou kunnen doen bij derden-verkrijgers (het droit de suite). Het moet op voorhand worden erkend dat deze gevolgen niet in alle opzichten aanvaardbaar zijn. De eisen van een vlot verlopend handelsverkeer brengen hier dan ook enkele belangrijke beperkingen op aan.