Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/3.5
3.5 Ambtshalve toepassing van Unierecht door de nationale rechter
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 11 juli 1991, C-88/90 en C-89/90 (Verholen).
HvJ EG 14 december 1995, C-312/93 (Peterbroeck).
HvJ EG 14 december 1995, C-430/93 en C-431/93 (Van Schijndel en Van Veen). In gelijke zin HvJ EG 24 oktober 1996, C-72/95 (Kraaijeveld) en meer recent HvJ EG 12 februari 2008, AB 2008/100 (Kempter).
HvJ EG 1 juni 1999, C-126/97 (Eco Swiss)
Snijders betoogt in dit verband dat slechts is geoordeeld dat het gaat om recht van openbare orde als bedoeld in in de zin van de art. 1063, 1065 en 1075 (bedoeld zal zijn: 1076) Rv in verbinding met het Executieverdrag van New York, die voorzien in een weigering van een exequatur voor c.q. in de vernietiging van een arbitraal vonnis als dat kennelijk in strijd met de openbare orde mocht zijn. Zie Snijders 'Ambtshalve aanvulling van gronden van Europees recht in burgerlijke zaken herijkt', WPNR 2008/5, p. 546.
HvJ EG 27 juni 2000, C-240-244/98 (Murciano Quintero).
HvJ EG 6 oktober 2009, AB 2009/357 (Asturcom). Zie ook de noot van Widdershoven daarbij.
HvJ EG 13 juli 2006, AB 2006/404 (Manfredi).
Noot bij HvJ EG 13 juli 2006, AB 2006/404 (Manfredi). Snijders noemt Manfredi ronduit als een slip of the pen voor wat betreft de kwalificatie van art. 81 EG als een bepaling van openbare orde. Zie Snijders 'Ambtshalve aanvulling van gronden van Europees recht in burgerlijke zaken herijkt', WPNR 2008/5, p. 552.
Inmiddels heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 6 Mededingingswet niet van openbare orde is (HR 16 januari 2009, AB 2009/52). Het gelijkwaardigheidsbeginsel dicteert aldus niet dat schending van art. 81 EG door de nationale rechter als kwestie van openbare orde ambtshalve wordt onderzocht.
HvJ EG 7 juni 2007, AB 2007/228 (Van der Weerd).
Nogmaals HvJ EG 7 juni 2007, AB 2007/228 (Van der Weerd).
HvJ EG 1 juni 1999, C-126/97 (Eco Swiss).
Zie onderdeel 8 van de noot van Widdershoven bij AB 2007/228.
Zie ook Ortlep en Verhoeven, 'Het arrest Van der Weerd: Voorlopige duidelijkheid over verplichting ambtshalve toetsing aan het EG-recht, .1Bplus 2007/4.
HvJ EG 24 januari 2008, AB 2008/81 (Lianakis).
HvJ EG 25 november 2008, AB 2009/14 (Heemskerk en Schaap).
HvJ EG 4 juni 2009, AB 2009/273 (T-Mobile), par. 49.
Wellicht moet het begrip openbare orde hier in veel beperktere zin worden begrepen dan het Hof suggereert, namelijk in de zin van dat die bepaling (net als de overige verdragsbepalingen) op gelijke wijze moeten worden toegepast door de nationale rechter in de nationale procedure en dat derhalve ook met dezelfde bewijsvermoedens moet worden gewerkt als het Hof doet. Ik doel hier niet op de wijze waarop art. 6 Mededingingswet moet worden toegepast (het is een nationale keuze de begripsvorming gelijk te trekken). Het begrip openbare orde is hiervoor echter niet nodig en werkt nodeloos verwarrend. Mogelijk speelt ook een rol dat in het burgerlijk recht een overeenkomst of andere rechtshandeling nietig of vernietigbaar kan zijn wegens strijd met de openbare orde. Zie tevens de noot van Gerbrandy en Verhoeven in AB 2010/273.
In de Nederlandse zaak Verholen1 stelde het Hof van Justitie dat het Gemeenschapsrecht er niet aan in de weg staat dat de nationale rechter ambtshalve nagaat of een nationale wettelijke regeling in overeenstemming met een rechtstreeks werkende bepaling uit een richtlijn waarvan de omzettingstermijn is verstreken. In de Belgische fiscale zaak Peterbroeck2 was sprake van een harde termijn van 60 dagen na de beslissing op bezwaar waarna geen nieuwe gronden meer mochten worden aangevoerd. Het Hof oordeelde dat de Belgische wetgeving niet voldeed aan het doeltreffendheidsvereiste. Er was namelijk maar één instantie die pre-judiciële vragen kon stellen en die mocht niet ambtshalve toetsen aan EG-recht, terwijl hiervoor uit een oogpunt van rechtszekerheid of het goede verloop van de procedure geen rechtvaardiging leek te zijn. In de Nederlandse zaak Van Schijndel3 overwoog het Hof dat indien een rechter ingevolge het nationale recht verplicht is ambtshalve de aan een interne regel van dwingende aard ontleende rechtsgronden in het geding te brengen, die niet door partijen zijn aangevoerd, diezelfde verplichting geldt wanneer het dwingende regels van gemeenschap betreft en dat hetzelfde voorts geldt indien het nationale recht de mogelijkheid geeft de dwingende regel ambtshalve toe te passen. Ofwel naast de onverkorte toepassing van het gelijkheidsbeginsel brengt het effectiviteitsbeginsel met zich dat een bevoegdheid naar nationaal recht een verplichting wordt naar Europees recht. In Van Schijndel werd overigens het verbod van ambtshalve toepassing van het Gemeenschapsrecht niet strijdig bevonden met het vereiste van doeltreffendheid. De Burgerlijke rechter hoefde niet zijn lijdelijkheid of de partij-autonomie te verzaken.
In de zaak Eco Swiss4 werd voor het eerst geoordeeld dat aan een bepaling uit het EG-verdrag die van openbare orde is ambtshalve diende te worden getoetst. Het betrof een Nederlandse arbitragezaak waarbij speelde dat arbitrale uitspraken slechts konden worden vernietigd op beperkte gronden waaronder strijd met openbare orde.
Indien art. 81 EG (thans art. 101 VWEU) niet als van openbare orde werd gekwalificeerd kon de nationale rechter de arbitrale uitspraak die in strijd was met een mededingingsrechterlijk verbod niet vernietigen. Het Hof loste dit probleem op door te oordelen dat het kartelverbod van openbare orde was, zodat uit het gelijkwaardigheidsgebod diende voort te vloeien dat de nationale rechter bevoegd was het arbitrale vonnis te vernietigen.5 In een Spaanse zaak Murciano Quintero6 oordeelde het Hof van Justitie dat de doeltreffende bescherming van consumenten, hetgeen de doelstelling is van richtlijn EG/13/EEG, enkel kon worden bereikt indien de nationale rechter de bevoegdheid wordt toegekend om een oneerlijk beding — te weten het uitsluitend bevoegd maken van de civiele rechter in Barcelona — ambtshalve te toetsen. Ambtshalve bevoegdheid werd hier aldus noodzakelijk geacht uit en oogpunt van effectieve toegang tot de rechter. Het arrest Asturcom7 waarin het nodige is gezegd over het openbare orde-karakter van de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, laat ik hier verder in het midden, omdat deze wat curieuze uitspraak lijkt te verplichten tot het ambtshalve opzij zetten van een onherroepelijk arbitraal vonnis op grond van het gelijkwaardigheidscriterium, omdat dit naar Spaans recht mogelijk zou zijn. Een deel van het probleem dat zich hier voordeed is dan ook toe te rekenen aan het Spaanse nationale procesrecht. In de zaak Manfredi8 oordeelde het Hof van Justitie in de lijn van Eco Swiss dat de art. 81 en 82 EG (thans art. 101 en 102 VWEU) van openbare orde zijn en door de nationale rechter ambtshalve moeten worden toegepast. Widdershoven schreef naar aanleiding van die uitspraak onder meer:
`In het Nederlands algemeen bestuursprocesrecht wordt bij het vraagstuk van de ambtshalve rechterlijke toepassing van het recht onderscheid gemaakt tussen ambtshalve aanvulling van rechtsgronden (art. 8:69 lid 2 Awb) en ambtshalve toetsing. De verplichting om de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen vindt plaats binnen de feitelijke grondslag van het geschil (art. 8:69 lid 1 Awb): deze grondslag wordt bepaald en beperkt door de door appellant aangevoerde (feitelijke) gronden. Op de feitelijke grondslag past de rechter vervolgens zelfstandig — onafhankelijk van de door partijen aangevoerde rechtsgronden het gehele objectieve recht, inclusief het EG-recht, toe. Ambtshalve toetsing vindt plaats buiten de feitelijke grondslag van het geschil en is beperkt tot bepalingen van openbare orde. Bepalingen van openbare orde zijn "kernelementen van de rechtsorde, waarvan de naleving door de rechter los van de wil, kennis en het belang van partijen behoort te worden bewaakt". Zij staan "niet ter vrijer beschikking van partijen". (...) Verder is van belang dat, althans volgens de AbRvS en de CRvB, de bestuursrechter ook verantwoordelijk is voor het vergaren van de feitelijke informatie, die vereist is voor de ambtshalve toetsing van bepalingen van openbare orde (...). Deze verantwoordelijkheid vloeit voort uit het feit dat openbare-ordebepalingen niet ter vrijer beschikking van partijen staan en zelfs tegen de wil van partijen door de rechter moeten worden gehandhaafd. Daarbij past het niet dat deze handhaving afhankelijk wordt gesteld van de door partijen verstrekte feitelijke gegevens. (…).’9
In diezelfde noot stelt Widdershoven terecht dat van de bestuursrechter niet kan worden verwacht dat die geheel los van de stellingen van partijen zelfstandig feitenonderzoek doet naar verboden kartelvorming of misbruik van een machtspositie en komt hij voorts terecht tot de slotsom dat het alleszins in de rede ligt dat de ambtshalve toetsing waarop het Hof van Justitie doelt, vertaalt naar de Nederlandse theorievorming rond dit begrip, niet meer behelst dan de reeds binnen ons systeem geldende verplichte ambtshalve aanvulling van rechtsgronden binnen het door partijen gestelde feitensubstraat.10
Inmiddels heeft het Hof van Justitie in de casus Van der Weerd11 geoordeeld dat het Gemeenschapsrecht de nationale rechter niet verplicht om in een procedure als die in de hoofdgedingen ambtshalve te toetsen aan gronden ontleend aan bepalingen van Gemeenschapsrecht. Het Hof heeft daarbij vooropgesteld dat blijkens vaste rechtspraak het bij ontbreken van een desbetreffende Gemeenschapsregeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het Gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Toegepast op de casus overwoog het Hof dat wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, uit de verwijzingsbeslissing volgt dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd is om ambtshalve te toetsen aan regels van openbare orde, waaronder in het Nederlandse recht worden begrepen voorschriften betreffende bevoegdheden van bestuursorganen, de bevoegdheid van de rechter zelf alsmede bepalingen op het gebied van de ontvankelijkheid. Het Hof vervolgde dat die voorschriften de basis vormen van de nationale procedures, omdat daarin is bepaald onder welke voorwaarden die procedures kunnen worden ingesteld en welke autoriteiten in het kader daarvan bevoegd zijn om de omvang van de rechten en de verplichtingen van de justitiabelen vast te stellen. Volgens het Hof hebben de betrokken materiële bepalingen van Richtlijn 85/511 binnen de communautaire rechtsorde geen vergelijkbare plaats en kunnen derhalve niet als gelijkwaardig met bovengenoemde nationale regels van openbare orde worden aangemerkt. Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel overwoog het Hof:
`35 Het Hof heeft vastgesteld dat deze beperking van de bevoegdheid van de nationale rechter haar rechtvaardiging vindt in het beginsel dat het initiatief voor een procedure bij de partijen ligt en dat de rechter bijgevolg alleen in uitzonderingsgevallen, in het openbaar belang, ambtshalve kan optreden. Dit beginsel beschermt de rechten van de verdediging en verzekert een goed verloop van de procedure, met name doordat de vertraging waartoe de beoordeling van nieuwe rechtsgronden leidt, wordt voorkomen (...).
36 Op basis van het voorgaande is het Hof tot de slotsom gekomen dat het doeltreffendheidsbeginsel zich niet verzet tegen een nationaal voorschrift dat de nationale rechter belet ambtshalve een rechtsgrond ontleend aan gemeenschapsbepalingen in aanmerking te nemen, wanneer hij voor het onderzoek van die rechtsgrond de hem passende lijdelijkheid zou moeten verzaken door buiten de grenzen van de door partijen afgebakende rechtsstrijd te treden en zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die bij de toepassing van voormelde bepalingen belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (...).’12
Verder heeft het Hof in die uitspraak onder meer overwogen dat de ambtshalve toetsing in EcoSwiss13 niet zag op het doeltreffendheidsbeginsel, maar op het gelijkwaardigheidsbeginsel, en dat de rechtspraak met betrekking tot de ambtshalve toetsing aan Richtlijn 93/13/EEG zijn rechtvaardiging vindt in de noodzaak te verzekeren dat de consument doeltreffend wordt beschermd. Hoofdregel is aldus dat materiële bepalingen van communautair recht naar Nederlands procesrecht niet van openbare orde zijn, maar dat tekst of strekking van een richtlijn wel met zich kan brengen dat de nationale rechter daar ambtshalve aan dient te toetsen. Ten slotte heeft het Hof in de zaak Van der Weerd direct na de bespreking van het gelijkwaardigheidsbeginsel nog een opmerking gewijd aan de kwestie dat de betrokken voorschriften weliswaar tot het beleid op het gebied van de volksgezondheid behoren, doch dat daarop in de hoofdgedingen voornamelijk een beroep is gedaan om rekening te houden met de particuliere belangen van de justitiabelen jegens wie maatregelen ter bestrijding van de mond- en klauwzeer waren genomen. Met Widdershoven kan worden gesteld dat de betreffende overweging nogal onzorgvuldig is geformuleerd: in de hoofdgedingen is immers juist geen beroep gedaan op de desbetreffende bepalingen.14 Wellicht moet daarom niet te veel achter deze overweging worden gezocht. Toch laat het de mogelijkheid open dat hier een soort materieel openbare orderecht wordt gecreëerd indien de algemene belangen die zijn gemoeid met de volksgezondheid in het geding zijn.15
In een aanbestedingszaak heeft het Hof nadien in een prejudiciële procedure buiten de hem gestelde vraag met betrekking tot de weging van de gunningscriteria om ambtshalve aanwijzingen gegeven over de zaak die voorlag aan de nationale rechter, namelijk door zich te buigen over de vraag of bepaalde selectiecriteria wel onderdeel van de weging mogen zijn.16 Het gaat hier in feite om het ambtshalve opwerpen van een voorvraag die direct van invloed is op het antwoord op de gestelde prejudiciële vraag. Me dunkt dat het vertaald naar ons bestuurs- en privaatrecht zou gaan om de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden binnen het door partijen afgebakende geschil. Hierbij moet voorts goed voor ogen worden gehouden dat het Hof van Justitie in de zaak Heemskerk en Schaap17 heeft geoordeeld dat het Gemeenschapsrecht de Nederlandse bestuursrechter er niet toe kan verplichten een communautaire bepaling ambtshalve toe te passen indien een dergelijke toepassing ertoe zou leiden dat het in het Nederlandse bestuursrecht verankerde beginsel dat de insteller van beroep niet in een slechtere positie komt te verkeren (het verbod van reformatio in peius) wordt doorbroken. Het ambtshalve opwerpen van voorvragen wordt ook in die zin begrensd. In zijn noot bij die uitspraak merkt Widdershoven terecht op dat honorering van het verbod van reformatio in peius wellicht niet alleen samenhangt met Europese rechtsbeginselen als het verdedigings-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, maar ook met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. In de zaak T-Mobile18 lijkt het Hof ten slotte echter weer roet in het eten te gooien door ongemotiveerd en ten overvloede te overwegen dat art. 81 EG een voor de vervulling van de taken van de Europese Gemeenschap onontbeerlijke bepaling van openbare orde is die door de nationale rechter ambtshalve moet worden toegepast. Die overweging is op geen enkele wijze te rijmen met de op dit punt veel principiëlere uitspraken Van der Weerd en Heemskerk en Schaap waarin juist uitdrukkelijk onderscheid werd gemaakt tussen de vraag naar de toegang tot de rechter en materiële rechtsvragen. Het arrest inzake T-Mobile kan ik derhalve niet helemaal serieus nemen waar het gaat om de overweging ten overvloede inzake de ambtshalve toetsing.19