Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.1.2
6.5.1.2 Beperkte omschrijvingsvrijheid
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291058:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690, m.nt. Geradts, r.o. 25 (Gemeente Emmen), HvJ EG 19 november 2009, zaak C-461/08, BNB 2011/14, m.nt. De Wit, r.o. 43 (Don Bosco) en HvJ EU 17 januari 2013, zaak C-543/11, BNB 2013/85, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 25 en 30 (Woningstichting Maasdriel).
In gelijke zin: Geradts, noot bij HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690 (Gemeente Emmen), Redactie V-N, aantekening bij HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, V-N 1996/1545, 24 (Gemeente Emmen), D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2001, p. 258, M.D.J. van der Wulp, ‘Bouwterrein: land vol paradoxen!’, Tribuut 2008/5, p. 6, A.F. Fruijtier en M.D.J. van der Wulp, ‘Slopen: niets is wat het lijkt?’, WFR 2009/6851, p. 384, conclusie A-G Van Hilten 17 juni 2010, nr. 41.510bis, V-N 2010/46.9, punt 4.19 en M.D.J. van der Wulp, ‘Ik wil een bouwterrein!’, BtwBrief 2013/14, p. 5.
HvJ EU 17 januari 2013, zaak C-543/11, BNB 2013/85, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 25 en 31 (Woningstichting Maasdriel).
In gelijke zin: A. van Dongen, 'Het bouwwerk van de BTW', NTFR 2010/1298, Van Zadelhoff, noot bij HvJ EU 17 januari 2013, zaak C-543/11, BNB 2013/85 (Woningstichting Maasdriel), Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 17 januari 2013, zaak C-543/11, V-N 2013/6.18 (Woningstichting Maasdriel), I. Duinker en K. Dijkstra, ‘KPC Herning leidt tot heldere toetsing voor kwalificatie bouwterrein’, BTW-Bulletin 2019/80, p. 5 en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 316.
De omschrijving van het begrip ‘bouwterrein’ in het nationale recht van de meeste lidstaten laat echter zien dat de praktijk weerbarstiger is dan de theorie. De meeste lidstaten lijken de door het Hof gestelde grenzen aan de omschrijvingsvrijheid namelijk niet echt serieus te nemen (zie paragraaf 6.5.2).
In soortgelijke zin: Van Zadelhoff, noot bij HvJ EU 17 januari 2013, zaak C-543/11, BNB 2013/85 (Woningstichting Maasdriel).
Zoals het Hof van Justitie ook bij vernieuwbouw heeft gedaan (zie paragraaf 5.6).
Lidstaten moeten bij de definiëring van het begrip ‘bouwterrein’ het doel van 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn in acht nemen. Op grond van dit doel mogen lidstaten alleen de levering van onbebouwde terreinen die niet als ondergrond voor een opstal bestemd zijn vrijstellen van btw-heffing.1 De omschrijvingsvrijheid van de lidstaten is dus begrensd door het doel van 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn.2 In het Woningstichting Maasdriel-arrest heeft het Hof de omschrijvingsvrijheid van de lidstaten (nog) verder ingeperkt op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit. Dit beginsel verzet zich ertegen dat soortgelijke leveringen van goederen, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de btw verschillend worden behandeld en dat marktdeelnemers die dezelfde handelingen verrichten ter zake van de btw-heffing verschillend worden behandeld. Op grond van dit beginsel is het volgens het Hof noodzakelijk dat alle onbebouwde terreinen die bestemd zijn als ondergrond voor een opstal, en, bijgevolg, om te worden bebouwd, onder de (nationale) definitie van het begrip bouwterrein vallen.3
De omschrijvingsvrijheid van de lidstaten is door voormelde grenzen zodanig beperkt dat lidstaten de facto geen vrijheid meer lijken te hebben voor het omschrijven van het begrip ‘bouwterrein’.4 Dat een belastingplichtige zich rechtstreeks kan beroepen op een overschrijding van deze grenzen, is voor lidstaten een stok achter de deur om deze grenzen bij de definitie van het begrip ‘bouwterrein’ in acht te nemen.5 Vanuit het oogpunt van de interneutraliteit is een minimalisering van de omschrijvingsvrijheid toe te juichen, omdat hierdoor een sterk uiteenlopende omschrijving van het begrip ‘bouwterrein’ wordt voorkomen.6 Dit neemt niet weg dat de door het Hof gestelde grenzen naar mijn mening niet te rijmen zijn met de historie en de bewoordingen van art. 12 lid 3 Btw-richtlijn. De omschrijvingsvrijheid lijkt namelijk zo beperkt te zijn dat het een lidstaat niet is toegestaan om het begrip ‘bouwterrein’ in de nationale wetgeving zodanig te definiëren dat uitsluitend ‘bouwrijp gemaakte terreinen’ hieronder vallen. Gelet op het rechtskarakter van de btw en het beginsel van de fiscale neutraliteit zijn vraagtekens te plaatsen bij de wenselijkheid van deze voorgeschreven oprekking van het begrip ‘bouwterrein’ en de inperking van de vrijstelling van art. 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn (zie paragraaf 6.3). Het is naar mijn mening ook onlogisch om bij het formuleren van de grenzen aan de omschrijvingsvrijheid van een lidstaat uit te gaan van de meest ruime omschrijving van het begrip ‘bouwterrein’ (alle onbebouwde terreinen die bestemd zijn om te worden bebouwd) en dus de meest strikte toepassing van de vrijstelling van art. 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn. Uit art. 12 lid 3 Btw-richtlijn volgt immers dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om te kiezen voor een minder ruime omschrijving van dit begrip (alleen bouwrijp gemaakte terreinen) en dus een ruimere toepassing van de vrijstelling van art. 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn. Het had naar mijn mening dan ook meer voor de hand gelegen om – net als bij vernieuwbouw (zie paragraaf 5.6.2) – bij het formuleren van de grenzen aan de omschrijvingsvrijheid van art. 12 lid 3 Btw-richtlijn uit te gaan van een ondergrens.7 Onder verwijzing naar paragrafen 6.2 en 6.3 meen ik dat de meest voor de hand liggende ondergrens zou zijn dat de levering van een bouwrijp gemaakt terrein belast moet worden.