Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen
Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/4.5:4.5 Conclusie
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/4.5
4.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS611844:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stond de volgende deelvraag centraal:
Welke toewijzingsmethoden worden in Nederland gehanteerd bij het toewijzen van emissierechten aan inrichtingen en vliegtuigexploitanten, en hoe verhouden de toewijzingsmethoden zich met de Richtlijn ETS en de artikelen 101-109 VwEU?
In de paragrafen 4.2 en 4.3 werd respectievelijk de kosteloze toewijzing aan inrichtingen en vliegtuigexploitanten besproken. De toewijzing aan vliegtuigexploitanten is grotendeels in overeenstemming met de vereisten die voortvloeien uit de EU-regelgeving. Uit de behandeling in paragraaf 4.2 moet daarentegen worden opgemaakt dat de kosteloze toewijzing aan inrichtingen in Nederland in strijd is met de EU-regelgeving als vastgelegd in de Richtlijn ETS en Besluit 2011/278/EU. Deze strijd vloeit voort uit de discrepantie tussen de begrippen inrichting en installatie. Ook het feit dat bij de opdeling van een inrichting in broeikasgasinstallaties emitterende eenheden die niet tot een broeikasgasinstallatie behoren, hier wel onder kunnen worden geschaard, is in strijd met de EU-regelgeving. De strijdigheden vloeien voort uit de onjuiste toewijzingsregelingen in de Rhe. Deze regeling is op zijn beurt tevens in strijd met de artikelen 16.24-16.26 en 16.32 Wm. Via een aanpassing van de Rhe kunnen de in dit hoofdstuk geconstateerde gebreken grotendeels worden verholpen. Zolang de strijdigheden niet worden verholpen, hebben Nederlandse drijvers een met de Richtlijn ETS in strijd zijnd concurrentievoordeel op buitenlandse exploitanten.
In paragraaf 4.4 werd de veiling van emissierechten behandeld. Aangezien de veiling via een gezamenlijk veilingplatform via de regels van Verordening (EU) 1031/2010 verloopt, handelt Nederland in zoverre conform het EU-recht. Nederland heeft slechts invloed op de persoon van de veiler (bestuur van de NEa), en de nationale toezichthouder (AFM), waarbij de laatste toezicht houdt op de Nederlandse veilingdeelnemers. Diepgravend onderzoek naar de rol van de AFM is niet verricht, dat vereist een daartoe strekkend financieelrechtelijk onderzoek. Het bestuur van de NEa voldoet aan de regels die in Verordening (EU) 1031/2010 aan de veiler worden gesteld. Ook in zoverre handelt Nederland dus in overeenstemming met de EU-regelgeving die van toepassing is op de veiling van emissierechten.
In paragraaf 4.2 en paragraaf 4.4 werd tevens de vraag gesteld of de Nederlandse uitvoering van de kosteloze toewijzing van emissierechten aan inrichtingen, en de wijze van veiling van emissierechten, in strijd is met de regelgeving inzake staatssteun. Wat betreft de strijdigheden die zijn geconstateerd bij de kosteloze toewijzing van emissierechten aan de drijvers van inrichtingen, is vastgesteld dat dit niet resulteert in staatssteun. De veiling van emissierechten vindt plaats op EU-niveau, waardoor ook in zoverre geen strijd ontstaat met de regelgeving inzake staatssteun.
In paragraaf 4.4 werd, tot slot, de vraag gesteld of de besteding van de veilingopbrengsten door Nederland in overeenstemming is de Richtlijn ETS. Vastgesteld is dat, voor zover er al een verplichte besteding voortvloeit uit artikel 10 lid 3 en artikel 3 quinquies lid 4 Richtlijn, Nederland in overeenstemming met deze bestedingsregels heeft gehandeld.