Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.2.11 Vluchtroutes: inrichting en capaciteit
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
De eisen aan vluchtroutes van afdeling 2.12 van het Bouwbesluit 2012 zijn verdeeld over de paragrafen 4.2.10 Vluchtroutes: verloop en paragraaf 4.2.11 Vluchtroutes: inrichting en capaciteit. Deze wijziging in de indeling is geen inhoudelijke verandering maar een verbetering van de toegankelijkheid van de regelgeving.
Artikel 4.73 (aansturingsartikel)
De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk vluchtroutes moet hebben met een zodanige inrichting en capaciteit dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor alle gebruiksfuncties gelden regels, daarmee is de functionele eis ook op alle gebruiksfuncties van toepassing.
Artikel 4.74 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang)
Dit artikel stelt eisen ter beperking van de rookdoorgang tussen twee besloten ruimten waardoor een beschermde (of extra beschermde) vluchtroute voert. De volgens NEN 6075 te bepalen weerstand tegen rookdoorgang zorgt dat de rook je niet kan achtervolgen na het passeren van een deur op de vluchtroute. De hoogte van de eis aan de weerstand tegen rookdoorgang is afhankelijk van de aard van de vluchtroute en de ruimte.
Het eerste lid eist Sa bij een doorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute en een in de vluchtrichting aansluitende ruimte die ook een besloten ruimte is waardoor een beschermde vluchtroute voert.
Het tweede lid eist S200 bij een doorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert en een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert.
Het derde lid eist Sa bij een doorgang tussen een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert.
Het vierde lid eist S200 bij een doorgang tussen een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en een besloten trappenhuis waardoor een extra beschermde vluchtroute voert.
Het vijfde lid eist S200 in de in het eerste lid van artikel 4.71 bedoelde verschillende ruimten waardoor afzonderlijke vluchtroutes voeren.
Artikel 4.75 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)
Dit artikel is bedoeld om te waarborgen dat twee afzonderlijke vluchtroutes die door verschillende ruimten lopen, als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.71, naast elkaar lopen, de afzonderlijke vluchtroutes afdoende van elkaar gescheiden blijven zodat ze niet tegelijkertijd onbruikbaar kunnen raken door brand of rook. Om dit te borgen geldt deze eis zowel bij besloten als niet-besloten ruimten en moet er tussen de verschillende ruimten een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag zijn van ten minste 30 minuten.
Artikel 4.76 (inrichting vluchtroute: permanente vuurlast)
Het eerste lid geldt voor een trappenhuis in een woongebouw waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, maar geen veiligheidsvluchtroute. Deze ruimte moet zo min mogelijk brandbare materialen bevatten. Dit betekent in de praktijk dat de vloeren en wanden van die ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn, de trappen van onbrandbaar materiaal (staal of steenachtig) en de deuren en kozijnen alleen in beperkte mate van hout mogen zijn. De grens ligt bij een vuurlast van ten hoogste 3500 MJ per bouwlaag.
De bovenste bouwlaag van het trappenhuis zal naar verwachting de bouwlaag zijn met de hoogste vuurlast. De brandbare dakbedekking zal kunnen bijdragen aan de brand. Omdat de dakconstructie hoog in het trappenhuis ligt, levert de vuurlast van de dakbedekking minder gevaar op dan de vuurlast van overige constructieonderdelen en kan daarop een reductie van 50% worden toegepast. In de laatste zin is aangegeven, dat de permanente vuurlast van 3500 MJ niet geldt voor een portieksituatie als bedoeld in artikel 4.69, vierde lid. Er wordt op gewezen dat in de begripsbepaling van permanente vuurlast naar NEN 6090 wordt verwezen.
Het tweede lid geldt voor elke veiligheidsvluchtroute. In dit lid is voorgeschreven dat de ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert zo min mogelijk brandbare materialen moet bevatten. Dit betekent in de praktijk dat als de deuren, kozijnen, leuningen en plinten van hout zijn, de vloeren en wanden van die ruimte van steenachtig materiaal moeten zijn. De grens ligt bij een permanente vuurbelasting van 3.500 MJ. Op een veiligheidsvluchtroute is het, om de daar beoogde extra veiligheid te waarborgen, in tegenstelling tot een beschermde of extra beschermde vluchtroute in een woongebouw, niet toegestaan om een reductie van 50% toe te passen bij de bepaling van de vuurlast van het dak.
Bij zowel het eerste als tweede lid moeten vuurlast van (uit het trappenhuis respectievelijk de ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert) direct bereikbare besloten ruimten worden meegenomen tenzij er sprake is van een 30 minuten wbdbo.
Deze eis beoogt het beperken van de brandontwikkeling zodat de vluchtroute bruikbaar blijkt. Een gelijkwaardige oplossing is mogelijk als er sprake is direct bereikbare niet-besloten ruimten en het aannemelijk is dat in de niet-besloten ruimte (galerij of atrium) geen brandontwikkeling tot flash-over kan optreden. Het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) geeft hiervoor de volgende criteria:
- —
rook: geen rookophoping met een temperatuur hoger dan 200°C (vorming van een rooklaag van 0,5 m dikte of meer), en
- —
tijdsduur: gelijk aan de WBDBO-eis van 30 minuten zoals genoemd in dit artikel.
Het tweede lid geldt zowel voor een veiligheidsvluchtroute die door een trappenhuis voert (veiligheidstrappenhuis) als een veiligheidsvluchtroute die niet door een trappenhuis voert. Een veiligheidsvluchtroute mag volgens de definitie niet bereikbaar zijn via een aangrenzende niet-besloten ruimte. Aan een veiligheidsvluchtroute mogen echter wel besloten ruimten grenzen die bij de bereikbaarheid van die vluchtroute geen rol spelen. Voorbeelden daarvan zijn een toiletruimte, een liftschacht of een technische ruimte.
De vuurbelasting van die ruimten moet uit oogpunt van brandveiligheid worden meegeteld bij de in artikel 2.107, vijfde lid, van het bedoelde vuurbelasting, behalve als er tussen die ruimte en de veiligheidsvluchtroute een brandwerende scheiding is (wbdbo ten minste 30 minuten).
Artikel 4.77 (rooksluis)
Het eerste lid bevat een regel voor hogere gebouwen. Tussen het horizontale deel van de vluchtroute en een besloten trappenhuis moet er bij gebouwen waarin meer dan 20 m hoogteverschil moet worden overbrugd een afzonderlijke verkeersruimte met een beschermde vluchtroute (rooksluis) van ten minste 2 m lengte zijn. Deze rooksluis moet het voortijdig binnendringen van rook in het trappenhuis voorkomen. Om die reden moeten deuren die op het trappenhuis uitkomen zelfsluitend zijn (zie artikel 4.218). Er is voor gekozen die regel te laten gelden om te voorkomen dat het trappenhuis anders als schoorsteen zou kunnen functioneren en daarmee het vluchten en de hulpverlening zouden belemmeren.
Het tweede lid is een aanvulling op het eerste lid en alleen van toepassing op woongebouwen met een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 20 m wordt overbrugd. De regel geeft aan dat de uitgang van een appartement dan niet direct mag uitkomen op de in het eerste lid genoemde ruimte ofwel rooksluis. De reden van die regel is te voorkomen dat het trappenhuis, bij brand in een appartement, als gevolg van een openstaande voordeur, direct zal kunnen volstromen met rook en dus snel onbruikbaar wordt voor het veilig kunnen vluchten.
Artikel 4.78 (vrije doorgang van een vluchtroute)
Het eerste lid geeft aan dat een vluchtroute een effectieve breedte van ten minste 85 cm moet hebben en een effectieve hoogte van ten minste 2,1 m moet hebben. Het gaat dan zowel om de hoogte en breedte van ruimten waardoor een vluchtroute voert als om de hoogte en breedte van deuropeningen (doorgangen). In het Bouwbesluit 2012 gold als algemene regel een hoogte van ten minste 2,3 m en 2,1 m voor uitzonderingen zoals een vakantiehuisje (niet in een logiesgebouw gelegen logiesverblijf) of een parkeergarage (overige gebruiksfunctie).
Het tweede lid van dit artikel geldt voor wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m, en geeft aan dat de vrije doorgang van een vluchtroute, voor zover deze niet over een trap of door een doorgang zoals een uitgang ofwel deuropening voert, ten minste 1,2 m breed moet zijn. Deze eis heeft betrekking op de vrije doorgang van alle ruimten waardoor de vluchtroute voert (vanaf ieder punt in een wegtunnelbuis tot het aansluitende terrein).
Het derde lid stelt dat een trap in een woongebouw waarop ten minste 600 m2 aan verblijfsgebied is aangewezen een breedte van ten minste 1,2 m moet hebben. Dit is belangrijk omdat bij de woonfunctie geen eisen aan de opvangen doorstroomcapaciteit van de vluchtroute worden gesteld.
Het vierde lid is voor de gezondheidszorgfunctie bedoeld en geldt voor de gehele vluchtroute. Aan bed gebonden patiënten moeten snel met bed en toebehoren horizontaal naar een ander brandcompartiment kunnen worden gebracht. De toegangen moeten daarvoor ruim genoeg zijn. Het genoemde blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m (lxhxb) representeert daarbij een standaardziekenhuisbed.
Artikel 4.79 (inrichting vluchtroute: niet-besloten ruimte)
Dit artikel bepaalt dat een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert een capaciteit voor de afvoer van warmte en rook, en de toevoer van verse lucht moet hebben, die voldoende is om die ruimte te kunnen gebruiken om te vluchten en voor het uitvoeren van reddings- en bluswerkzaamheden. In de paragrafen 4.2.10 en 4.2.11 is in de volgende artikelen sprake van een besloten vluchtroute met bijbehorende eis.
- —
Artikel 4.68, tweede lid: beperking loopafstand
- —
Artikel 4.69, zesde lid: beperking loopafstand
- —
Artikel 4.70, tweede lid: veiligheidsvluchtroute
- —
Artikel 4.71, derde lid: beperking loopafstand
- —
Artikel 4.74, eerste lid: weerstand tegen rookdoorgangs-eis
- —
Artikel 4.75, eerste en tweede lid: beperking vuurlast
- —
Artikel 4.76, eerste lid: rooksluis
Bijvoorbeeld artikel 4.74 biedt de mogelijkheid af te wijken van eisen aan de weerstand tegen rookdoorgang van scheidingsconstructies bij een vluchtroute door een niet-besloten vluchtroute. Het aantal varianten van niet-besloten ruimten waardoor een vluchtroute loopt zoals een galerij of een atrium kan op talloze manieren worden ontworpen en het effect van de verschillen is groot. Er is geen voor de praktijk hanteerbare prestatie-eis voor het bepalen van de benodigde warmte- en rookafvoer (wel of niet mechanisch), om voor elke situatie objectief te kunnen vaststellen of er sprake is een niet-besloten ruimte.
Voor de waarden waarbij het vluchten door een ruimte nog mogelijk is, kunnen volgens het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) als veilige waarden worden aangehouden:
- —
2,5 m rookvrij boven het hoogst gelegen deel van een vluchtroute. Als de hoogte van een ruimte boven de vloer lager is dan 2,5 m, geldt een rookvrije hoogte van ten minste 2 m,
- —
stralingsflux onder de rooklaag ten hoogste 2 kW/m2, en
- —
tijdsduur: ten minste de tijd dat de niet-besloten ruimten voor vluchten wordt gebruikt.
In het geval van vluchten door rook, bijvoorbeeld bij een rooklaag van minder dan 2,5 m respectievelijk 2 m of in het geval van homogene opmenging (geen rookvrije laag maar verspreiding van rook door de hele ruimte):
- —
de temperatuur niet hoger dan 45 °C, en
- —
de zichtlengte bij lichtgevende voorwerpen ten minste 30 m.
Het is acceptabel dat aan de genoemde criteria niet wordt voldaan in de directe nabijheid van de brand van de uitstroomopening van de brandruimte en van de rookpluim erboven, mits niet over die locaties hoeft te worden gevlucht.
Voor de inzet van de brandweer geeft het DGMR rapport de volgende waarden als de niet-besloten ruimte door de brandweer wordt gebruikt om een aanval in te zetten op de brand in een direct aangrenzende ruimte:
- —
zichtlengte op ooghoogte ten minste 100 m,
- —
temperatuur op ooghoogte ten hoogste 60 °C,
- —
straling ten hoogste 3 kW/m2, en
- —
tijdsduur: overeenkomend met de WBDBO vanuit de aangrenzend ruimte.
Bij de (traditionele) galerijen met een vlak plafond, niet-afsluitbare openingen in de langsgevel en een galerijdiepte van ten hoogste 1,8 m, kan met behulp van onderdeel 5.3 van NEN 1087 de benodigde capaciteit van de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook worden bepaald. Deze capaciteit moet om als niet-besloten ruimte te kunnen worden aangemerkt ten minste 100 dm3/s per m3 netto inhoud van die ruimte zijn, terwijl er langs het plafond van de galerij geen uitstekende randen of andere belemmering aanwezig mogen zijn. Een belemmering kan leiden tot stagnatie van de rookafvoer of ophoping van hete rook onder het plafond van de galerij. Onder galerijdiepte wordt hier verstaan de grootste afstand tussen de opening(en) in de langsgevel en de achterliggende scheidingswand, gemeten loodrecht op de langsgevel.
Artikel 4.80 (doorstroomcapaciteit zonder opvangcapaciteit)
Het eerste lid regelt het aantal personen dat, afhankelijk van de breedte, op een vluchtroute mag zijn aangewezen. Het gaat om alle personen die in het op de vluchtroute aangewezen gedeelte van het bouwwerk aanwezig zijn, dus naast bijvoorbeeld de patiënten en het medisch personeel in een ziekenhuis, ook het bezoek. Dit wijkt af van bijvoorbeeld de eis aan de ventilatiecapaciteit die alleen gericht is op bijvoorbeeld de patiënten in een bedgebied. De doorstroomcapaciteit wordt uitgedrukt in personen per meter. Hieraan kan bijvoorbeeld een tijdscriterium worden toegevoegd (aantal personen, per meter, per minuut). Bij het vaststellen van dat aantal is gebruik gemaakt van het Onderzoek doorstroomcapaciteit deuren, TU Delft, 28 april 2009. In dit eerste lid zijn vijf verschillende criteria opgenomen afhankelijk van het soort doorstroomopening. Een doorstroomcapaciteit van 90 personen per meter vrije breedte van een doorgang komt het meest voor. Dit betekent dat een deuropening met een vrije breedte van 0,85 m een doorstroomcapaciteit heeft van 0,85 m × 90 personen/m = 76 personen. Het eerste lid, onderdeel c, is gericht op deuropeningen met een deur die niet volledig geopend kan. Als de deur niet verder geopend kan worden dan een hoek van 135 graden, moet worden uitgegaan van dezelfde doorstroomcapaciteit als bij een ruimte (onderdeel b). Een openstaande deur kan de doorstroming namelijk vergelijkbaar met de wanden van een ruimte beïnvloeden. Dit is ook het geval bij een dubbele deur waarvan één of twee onderdelen een beperkte openingshoek bieden. Voor de doorstroomcapaciteit van een trap speelt een niet beloopbaar gedeelte daarvan (bijvoorbeeld bij een spiltrap) geen rol. Daarom moet bij het bepalen van de doorstroomcapaciteit, een gedeelte van de trap waarvan de aantrede smaller is dan 0,17 m buiten beschouwing blijven (onderdeel a).
Het tweede lid geeft een functionele eis voor een bouwwerk geen gebouw zijnde. Elk gedeelte van een vluchtroute moet voldoende doorstroomcapaciteit hebben, om de op dat gedeelte aangewezen personen veilig te kunnen laten vluchten.
Artikel 4.81 (doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit)
De eisen in dit artikel zijn gericht op het bepalen van de doorstroomcapaciteit van het deel van een vluchtroute buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, waar sprake is van ‘vernauwingen’ in die route. Van een vernauwing is sprake als op de vluchtroute een punt aanwezig is waar niet meer voldaan kan worden aan de doorstroomcapaciteit als bedoeld in het eerste lid van artikel 4.80. Zo'n situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen in een trappenhuis, want het aantal personen dat op het trappenhuis is aangewezen, wordt door toestroom van personen van andere verdiepingen in de regel groter naarmate men verder afdaalt en dichter bij de uitgang van het trappenhuis komt. De uitgang van het trappenhuis of het onderste gedeelte van de trap kan dan onvoldoende capaciteit hebben om alle door het trappenhuis vluchtende personen in één minuut te laten passeren. Het uitgangspunt bij de geboden afwijkingsmogelijkheid is dat men op een vluchtroute, na het passeren van een brandscheiding, in een ruimte komt waarin men gedurende langere tijd veiliger is dan in het subbrandcompartiment van waaruit het vluchten is gestart. Het is daarom geen probleem als het vluchten uit deze meer veiligheid biedende plaats langer duurt. Zo'n ruimte moet natuurlijk wel voldoende opvangcapaciteit hebben opdat iedereen enige tijd veilig in die ruimte kan verblijven.
De in dit artikel genoemde waarden en uitgangspunten zijn grotendeels in lijn met NEN 6089 die kan worden gebruikt als bepalingsmethode, mits de waarden en uitgangspunten van dit artikel worden gehanteerd. In plaats van de in artikel 4.80 bedoelde bepalingsmethode kan men ook een gelijkwaardige bepalingsmethode toepassen. Een gelijkwaardige maatregel zou bijvoorbeeld kunnen liggen in een gefaseerde ontruiming van een bouwwerk. Bij gefaseerde ontruiming begint de ontruiming van het direct door brand bedreigde deel eerder dan de andere delen. Gefaseerd ontruimen kan alleen als sprake is van een ontruimingsinstallatie die daarop is afgestemd. De ontruimingsinstallatie moet het mogelijk maken dat de personen die eerder worden ontruimd gealarmeerd worden zonder dat de overige personen in het gebouw dat merken.
Het eerste lid geeft een regel voor de tijd waarbinnen personen die zijn aangewezen op bepaalde vluchtroutes het aansluitend terrein veilig moeten kunnen bereiken. De tijd is afhankelijk van het veiligheidsniveau van de vluchtroute. De veilige tijd van 15 minuten geldt zowel voor een beschermde als voor een onbeschermde vluchtroute, omdat er bij een onbeschermde vluchtroute altijd een alternatieve vluchtroute moet zijn die ten minste 30 minuten brandwerend gescheiden is van de eerste vluchtroute. In een vluchttrappenhuis met rooksluizen is men langer veilig waardoor kan worden uitgegaan van een veilige tijd van 20 minuten. Bij een veiligheidsvluchtroute geldt een nog langere veilige tijd van 30 minuten.
Het tweede lid bepaalt dat de opvang- en doorstroomcapaciteit van de vluchtroute buiten het bedreigde subbrandcompartiment zodanig moet zijn dat het bedreigde subbrandcompartiment binnen 1 minuut kan zijn verlaten.
Het derde lid geeft een regel voor de tijd waarbinnen personen mogen worden opgevangen in een ruimte op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment. Dit lid is niet van toepassing op een trappenhuis. De opvangtijd in een trappenhuis is alleen beperkt door de eisen uit het eerste lid. In een ruimte op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment mogen personen worden opgevangen zolang deze ruimte maar binnen 3,5 minuut is verlaten. Als deze ruimte echter beschermd is tegen brand en rook vanuit het bedreigde subbrandcompartiment en vluchtroutes naar deze ruimte geldt een opvangtijd tot 6 minuten. Hierbij geldt dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een bedreigd subbrandcompartiment en een opvangruimte ten minste 30 minutenis. Voor de weerstand tegen rookdoorgang geldt een S200 eis, niet alleen vanuit het bedreigde subbrandcompartiment maar ook vanuit eventueel aanwezig ruimtes tussen dit subbrandcompartiment en de opvangruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert naar de opvangruimte.
Het vierde lid geeft de uitgangspunten die bij de berekening van de in het eerste tot en met derde lid genoemde tijden moeten worden gehanteerd. Impliciet volgt uit deze uitgangspunten dat er bij de berekening geen rekening mee hoeft te worden gehouden dat een vluchtroute is geblokkeerd door brand.
Hoewel de eisen van het eerste tot en met derde lid op het niveau van een afzonderlijke vluchtroute zijn gesteld, moet een berekening van de doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit worden uitgevoerd op bouwwerkniveau. Het gaat er om dat een bouwwerk tijdig kan worden ontvlucht bij brand en dat de vluchtroutes die daarbij een rol spelen in samenhang worden bekeken. Daarbij mag overigens rekening worden gehouden met het feit dat bepaalde ruimten niet gelijktijdig in volle bezetting worden gebruikt. Zo zullen bij een schoolgebouw de aula en leslokalen niet tegelijkertijd volledig zijn bezet. De berekening moet herhaald (iteratief) worden uitgevoerd met tijdstappen van 30 seconden totdat alle personen het aansluitende terrein hebben bereikt. De tijdstap van 30 seconden komt praktisch overeen met de aan te houden daal- en stijgsnelheid per bouwlaag. Op het tijdstip t = 0 min wordt verondersteld dat alarmering plaatsvindt en de eerste personen de subbrandcompartimenten direct al verlaten. De verdeling van de personen over de uitgangen van een subbrandcompartiment is vrij, maar moet door de aanvrager van een omgevingsvergunning wel kunnen worden onderbouwd. Buiten de subbrandcompartimenten wordt verder gevlucht waarbij bij het bepalen van de ontruimingstijd rekening zal moeten worden gehouden met de gegeven doorstroom- en opvangcapaciteiten en daalsnelheden. Uitgangspunt hierbij is dat de bouwlagen op ten minste 2,1 m en ten hoogste 4 m afstand van elkaar liggen, wat voor de meest voorkomende bouwwerken geldt. Bij andere hoogtes tussen bouwlagen of splitlevelbouwlagen kan op grond van gelijkwaardigheid worden uitgegaan van op die situatie afgestemde waarden en daalsnelheden in het bijzonder.
Bij samenkomende vluchtroutes wordt de beschikbare doorstroom- en opvangcapaciteit evenredig verdeeld over de personen die van deze vluchtroutes komen. Alleen de tijd die nodig is voor het verticale verplaatsen (via trappen) wordt in rekening gebracht en niet de tijd die nodig is voor horizontale loopafstanden of voor hellingbanen, omdat de horizontale loopafstanden in het besluit al worden beperkt. Onderdeel l geeft een nadere eis voor de toepassing van artikel 4.216, derde lid, van het besluit. Het gaat daarbij om het aantal personen dat per minuut mag zijn aangewezen op een tegen de vluchtrichting indraaiende deur. Dat betreft 37 personen per minuut per deur ongeacht de afmetingen van de deur. Onderdeel m bepaalt dat wanneer in de ruimte voor een tegen de vluchtrichting indraaiende deur meer dan 37 personen tegelijkertijd aanwezig (kunnen) zijn, er op deze deur nooit meer dan 37 personen tegelijk mogen zijn aangewezen. Op ieder moment staan er, rekening houdend met de doorstroming, dus maximaal 37 mensen voor de deur.
Het vijfde lid geeft bij toepassing van het vierde lid, onder j, voor een bijeenkomstfunctie een aanvullende eis. Bij een bijeenkomstfunctie, vooral bij uitgaansgelegenheden, is de kans namelijk te groot dat personen bij een vertraging in de vluchtstroom (vernauwing) in de verdrukking raken. Dit lid geldt wanneer er meer dan 200 personen tegelijkertijd worden opgevangen in een opvangruimte. Dan moet er per twee personen ten minste 1 m2 vloeroppervlakte beschikbaar zijn als die ruimte niet door alle personen binnen 3,5 minuten, bepaald volgens het vierde lid, kan worden verlaten. Het optreden van verdrukking bij de ontvluchting kan verder worden voorkomen door een goede BHV-organisatie.
Artikel 4.82 (tijdelijk bouwwerk)
Dit artikel stelt dat voor een nieuw te bouwen tijdelijk bouwwerk de artikelen 4.65 tot en met 4.71 en 4.80 van deze paragraaf onverkort van toepassing zijn. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.
Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.