HR, 13-05-1958
ECLI:NL:HR:1958:72
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-05-1958
- Zaaknummer
[13051958/NJ_1958-325]
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1958:72, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑05‑1958; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1958:8
- Vindplaatsen
NJ 1958/325 met annotatie van B.V.A. Röling
Uitspraak 13‑05‑1958
Inhoudsindicatie
Medeplegen uitlokking van moord en van medeplegen moord in 1956 in Heer, art. 289 Sr. TBR met dwangverpleging opgelegd. 1. Verzuim niet verschenen getuige op te roepen. 2. Kon hof zaak onderzoeken o.g.v. onderzoek ttz. in eerste aanleg, nu dit onderzoek nietig was? 3. Geldigheid dagvaarding. 4. Innerlijke tegenstrijdigheid bewezenverklaring. 5. Heeft hof verzuimd keuze te maken uit alternatieven in tll.? 6. Bewijsklachten. 7. Innerlijke tegenstrijdigheid ’s hofs overwegingen. 8. Weergave bewijsmiddelen in arrest. 9. Heeft hof t.a.v. bewezenverklaring en verweren beraadslaagd op grondslag van onderzoek ttz.? 10. Strafmotivering (gevangenisstraf van 12 jaren) en motivering oplegging TBR met dwangverpleging. Heeft hof t.a.v. oplegging van straf en maatregel overwegingen ontleend aan inhoud van psychiatrisch rapport, terwijl die inhoud niet in dat rapport staat? 11. Motivering oplegging TBR met dwangverpleging. Heeft hof t.a.v. oplegging van maatregel beraadslaagd o.g.v. onderzoek ttz.? 12. Strafmotivering. Kon hof bij verminderde toerekeningsvatbaarheid een gevangenisstraf van 12 jaren opleggen? 13. Kwalificatieklacht. Kon hof bewezenverklaring kwalificeren als medeplegen uitlokking van “moord en van medeplegen moord”, nu alleen medeplegen uitlokking van “medeplegen moord” op bewezenverklaarde past? 14. Heeft hof verzuimd beslissing te geven omtrent stukken van overtuiging? Ad 1. tot en met 12 en 14. Middelen falen. Ad 13. Klacht is gegrond, zodat ‘s hofs arrest, wat de door hof aan bewezenverklaarde toegekende kwalificatie betreft, niet in stand kan blijven. HR kwalificeert bewezenverklaarde als medeplegen uitlokking van medeplegen moord.
13 Mei 1958.
No. 59290.
T.
DE HOGE RAADDER NEDERLANDEN ,
Op het beroep van [requirante], geboren te [geboorteplaats] , [geboortedatum] 1911, weduwe [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , requirante van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 December 1957, waarbij, met vernietiging van een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Maastricht van 21 Mei 1957, requirante en [medeverdachte] , geboren te [geboorteplaats] , [geboortedatum] 1937, van beroep monteur, wonende te [woonplaats] , ter zake van "medeplegen van het door beloften en door het verschaffen van middelen opzettelijk uitlokken van moord en van het medeplegen van moord", met aanhaling van de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 37d, 47, 289 van het Wetboek van Strafrecht tot straf zijn veroordeeld, hebbende het Hof requirante veroordeeld tot een gevangenisstraf voor den tijd van twaalf jaren en haar ter beschikking van de regering gesteld ten einde van harentwege te worden verpleegd, met bevel dat deze maatregel niet zal worden tenuitvoer gelegd tenzij het Hof later anders mocht gelasten op grond dat de terbeschikking van de regering gestelde persoon zich vóór het einde van een proeftijd van drie jaren wederom aan een strafbaar feit mocht hebben schuldig gemaakt of onvoorwaardelijke verpleging van de Regering is gebleken te behoeven;
Gehoord het verslag van den Raadsheer Kazemier;
Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur-Generaal aan de requirante uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald;
Gelet op de middelen van cassatie, namens de requirante voorgesteld bij schriftuur en luidende:
"I. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen 37a, 47, 55, 56, 57, 289 Wetboek van Strafrecht, alsmede van de artikelen 422, 423, 415, jis 261, 282, 348, 349, 350, 351, 352, 353, 357, 358, 359, 363 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Gerechtshof niet heeft bevolen, dat een op de lijst voorkomende getuige, die niet was verschenen, nader zou worden gedagvaard of opgeroepen, zulks in strijd met artikel 415 jo 282 van het Wetboek van Strafvordering;
Toelichting:
Op de getuigenlijst voor het Hof stond als getuige vermeld [getuige 1] . Deze getuige was niet verschenen en is niet gehoord. Het proces-verbaal van de zitting van het Hof vermeldt, dat alleen de verdachte [requirante] toestemming gaf van van het verhoor af te zien. Zulks wordt echter niet vermeld ten aanzien van verdachte [medeverdachte] . Waar het hier betrof één dagvaarding tegen twee verdachten, waarbij de zaak ook in één zitting werd onderzocht, maakt niet inachtneming van het vormvoorschrift van artikel 282 van het Wetboek van Strafvordering het gehele onderzoek, dus ook met betrekking tot requirante, nietig.
II. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub I, doordat het Hof ten onrechte heeft beraadslaagd op grondslag van het onderzoek in eerste aanleg, hoewel dit onderzoek nietig was.
Toelichting:
Uit het arrest van het Hof blijkt, dat het Hof de zaak ook heeft onderzocht op grond van het onderzoek in eerste aanleg. Het Hof verklaart zulks uitdrukkelijk en doet ook recht op stukken (b.v. het psychiatrisch rapport) die alleen in eerste aanleg naar hun inhoud zijn medegedeeld. Dit onderzoek nu was nietig, doordat niet is nageleefd artikel 363 van het Wetboek van Strafvordering. Immers, uit het proces-verbaal in eersten aanleg blijkt, dat requirante, die was gedetineerd, bij de uitspraak niet tegenwoordig was, terwijl nergens blijkt, dat zij daartoe buiten staat was of mondeling of schriftelijk te kennen had gegeven, dat zij weg wilde blijven. Evenmin blijkt, dat artikel 363, lid 2 is nageleefd.
III. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub. I doordat het Hof ten onrechte de introductieve dagvaarding niet nietig verklaarde.
Toelichting:
A. De dagvaarding geeft niet aan, wat aan ieder der verdachten wordt ten laste gelegd.
Voor een geldige dagvaarding is vereist, dat ieder der verdachten weet, wat hem ten laste wordt gelegd. Er is hier een dagvaarding uitgebracht aan twee verdachten tesamen, nl. requirante en [medeverdachte] . De tenlastelegging daarin is aldus geconstrueerd, dat aan beide verdachten wordt ten laste gelegd:
1) mededaderschap van uitlokking ("tesamen en in vereniging");
2) alternatief het alleen-daderschap van uitlokking ("althans ieder afzonderlijk") .
In de feitelijke omschrijving van het gebeuren echter, dat daarop volgt, is deze constructie niet volgehouden. Bij deze nadere omschrijving wordt gezegd, dat de uitlokking is geschied:
1) door beloften ( toezeggen van geld) ;
2) door het verschaffen van een middel (het terhand stellen van een revolver).
Hierbij wordt echter niet gezegd, dat beide verdachten tesamen en in vereniging, althans ieder voor zich deze uitlokkingsdaden hebben gepleegd, doch er wordt gezegd, dat deze uitlokkingsdaden zijn gepleegd door beide gezamelijk, althans door één hunner, wie hier bedoeld is wordt niet gezegd. Zodoende weet echter geen der verdachten, welke gedraging nu aan iedere afzonderlijke verdachte wordt verweten. Zulks is zeker in dit geval, waarin totaal verschillende en totaal andersoortige uitlokkingsgedragingen worden tenlastegelegd, ontoelaatbaar.
B. De dagvaarding is innerlijk tegenstrijdig.
1. Deze grief berust in wezen op dezelfde gronden, als vermeld sub. A. De tenlastelegging houdt in: dat verdachten tesamen, althans ieder afzonderlijk tot moord hebben uitgelokt, doordat zij tesamen, althans éénhunner gelden hebben (heeft) toegezegd, respectievelijk een revolver ter hand gesteld. Het gezamelijk geld toezeggen en de revolver ter hand stellen kan zeker logisch opleveren: het tesamen uitlokken. Doch het toezeggen van geld en het ter hand stellen van het revolver door éénhunner kan logisch noch het gezamelijk uitlokken noch het uitlokken door ieder afzonderlijk opleveren.
Dat het plegen van deze uitlokkingsdaden door één van de verdachten logisch niet kan opleveren het uitlokken door ieder van hen afzonderlijk, spreekt wel vanzelf. Doch ook het stellen van deze gedragingen door éénhunner kan evenmin opleveren: het gezamelijk uitlokken. Wel kan het gedrag van één der mede-uitlokkers redengevend zijn voor het gezamelijk uitlokken, indien de feitelijke omschrijving het aandeel van ieder der mede-uitlokkers, voortkomend uit een gezamelijk plan, weergeeft. Immers dan is er een "gezamelijk" uitvoering van een plan. Daarbij is het wellicht denkbaar, dat de tenlastelegging niet precies aangeeft, wat de een doet, en wat de ander doet. (Bij een tenlastelegging als de onderhavige, waarin totaal andersoortige uitlokkingsgedragingen worden tenlastgelegd, is dit laatste nauwelijks denkbaar).
Doch dan moet de tenlastelegging in ieder geval zo zijn geconstrueerd, dat de gehele gedraging tesamen door beide mede-uitlokkers geschiedt, in die zin, dat datgene, wat de een niet doet, doordeander wordt verricht. Hier echter laat de constructie van de tenlastelegging de mogelijkheid open, dat beide uitlokkingsgedragingen nl. het toezeggen van het geld en het terhand stellen van het revolver, geheel door eenendezelfdeverdachte is geschied, terwijl de ander niets doet.
2. Dezelfde innerlijke tegenstrijdigheid valt te ontdekken in het verband tussen de uitlokking door beloften en de uitgelokte daad, zoals dit verband in de tenlastelegging tot uitdrukking komt. Er staat nl .; dat beide verdachten of ieder afzonderlijk hebben uitgelokt tot de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gezamelijk of door ieder van hen afzonderlijk gepleegde moord door het toezeggen van geld, voor het geval deze beiden samen, althans één (niet een ieder) van hen de moord zou plegen.
IV. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub. I doordat het Hof een innerlijk tegenstrijdige bewezen verklaring uitsprak.
Toelichting;
1.) Er is bewezenverklaard, dat er is uitgelokt tot het tesamen plegen van een moord door twee daders en dat deze uitlokking is geschied door een belofte van geld, voor het geval beide daders of eenvanhen de moord zou plegen. Dit laatste nu is tegenstrijdig. Uitlokken tot het tesamen plegen van moord door het toezeggen van geld kan alleen worden bewezenverklaard, als tevens bewezen wordt verklaard, dat deze toezegging is geschied, voor het geval zij tesamen de moord zouden plegen.
2. ) Er is bewezen verklaard, dat requirante tesamen met [medeverdachte] door het verschaffen van het middel (het ter hand stellen van een revolver) de moord heeft uitgelokt, en wel doordat één van de verdachten (wie?) de revolver ter hand heeft gesteld, zonder dat uit de bewezenverklaring blijkt, dat de ander (wie?) hieraan enig aandeel heeft gehad. Dit is een innerlijk tegenstrijdige bewezenverklaring, waarvan de tegenstrijdigheid ook niet wordt opgeheven door het feit, dat er nog een andere uitlokkingshandeling is bewezenverklaard, waaraan ook de andere verdachte (wie? ) heeft deelgenomen, daar het hier ook feitelijk volkomen andersoortige uitlokkingshandelingen betreft.
V. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub. I, doordat het Hof ten onrechte geen keuze heeft gedaan uit alternatieven, waaruit een keuze gedaan moest worden.
Toelichting:
Bewezen is verklaard, dat de verdachten geld hebben toegezegd, voor het geval beiden (d.z. de daders van de moord) oféén hunner [slachtoffer] van het leven zou(den) beroven. Cfr. toelichting middel IV. sub. 1.
VI. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub. I, doordat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
Toelichting:
1) Bewezen is verklaard, dat [requirante] en [medeverdachte] tesamen geld hebben toegezegd.
Dit is een wezenlijk punt uit de bewezenverklaring: immers, alleen uit dit gedeelte der bewezenverklaring volgt het ten laste van [requirante] bewezenverklaarde medeplegen van uitlokking door belofte. Uit geen der bewijsmiddelen nu, blijkt dat [requirante] tesamen met [medeverdachte] geld heeft toegezegd. (Dat [medeverdachte] zelfs iets met een toezegging van geld zou te maken hebben gehad, blijkt alleen uit een verklaring van [medeverdachte] zelf, die echter, als zijnde een verklaring van een mede-verdachte, door het Hof niet voor bewijs tegen [requirante] is gebruikt.
Bovendien volgt uit deze verklaring niet;
1) dat [medeverdachte] "tesamen met [requirante] " een toezegging heeft gedaan;
2) dat hij een toezegging zou hebben gedaan aan beide daders, doch alleen aan [betrokkene 1] .
Ten aanzien van dit punt blijkt uit de bewijsmiddelen niet:
1) dat [medeverdachte] enige feitelijke daad heeft gesteld;
2) dat er een gezamelijk plan zou zijn van requirante en [requirante] om gezamelijk deze toezegging te doen. Noch het gezamelijk plan noch de gezamelijke uitvoering blijken derhalve uit de bewijsmiddelen.)
2) Bewezen is verklaard, dat de toezegging van geld gold voor het geval dat beide daders de moord of eenhunner de moord zou plegen. Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt, dat die toezegging ook gold, voor het geval "een" der daders de moord zou plegen. Uit de verklaring van [requirante] , zoals deze uit het vonnis der Rechtbank is overgenomen, alsmede uit haar verklaring, zoals die is neergelegd in het proces-verbaal van de Rechter Commissaris, uit de verklaring [betrokkene 1] uit de verklaring van Drost ter zitting van het Hof, blijkt duidelijk, dat de toezegging alleen is gedaan voor het geval beiden de moord zouden plegen.
3) Bewezen is verklaard, dat requirante tezamen met [medeverdachte] in het geheel f. 20.000, -- heeft beloofd. Uit de bewijsmiddelen echter (zie verklaringen van [requirante] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) blijkt duidelijk, dat een bedrag van f. 40.000, -- (aan ieder f. 20.000, -- ) is beloofd.
4) Bewezen is verklaard, dat requirant tesamen met [medeverdachte] heeft uitgelokt, doordat één van hen de revolver aan [betrokkene 1] ter hand stelde. Uit geen der bewijsmiddelen blijkt echter, dat er een afspraak is gemaakt tussen requirante en [medeverdachte] , dat [medeverdachte] de revolver aan [betrokkene 1] ter hand zou stellen, welke gezamelijke afspraak toch een element is van de bewezenverklaarde uitlokking. Bovendien, al zou uit de bewijsmiddelen zulk een afspraak zijn af te leiden - quod non -, uit de bewijsmiddelen blijkt evenmin hetgeen toch voor de bewezenverklaarde gezamelijke uitlokking eveneens nodig is, dat requiranteten aanzien van dit punt ook maar enigszins aan de uitvoering zou hebben medegewerkt. Uit de bewijsmiddelen blijkt wel, dat zij mede de revolver gekocht heeft, doch dit feit is niet tenlastegelegd en evenmin bewezen verklaard.
5) Bewezen is verklaard, dat het tesamen uitlokken door het toezeggen van geld is geschied in Augustus 1955 te [plaats] en elders in het arrondissement [plaats] . Ten aanzien nu van het toezeggen van het geld door [medeverdachte] blijkt uit de bewijsmiddelen nergens, waar en wanneer zulks zou zijn geschied.
6) Bewezen is verklaard, dat de daders van de moord zijn uitgelokt door het ter hand stellen van een revolver. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter nergens, dat beide daders van de moord door dit ter hand stellen van het revolver tot hun daad zijn bewogen (ten aanzien van de mededader van de moord, [betrokkene 2] , die de revolver niet hanteerde zou het zelfs ongerijmd zijn aan te nemen, dat deze zou zijn bewogen door het ter handstellen van de revolver door [medeverdachte] aan [betrokkene 1] ). De bewijsmiddelen geven zelfs uitdrukkelijk aan, dat beide daders van de moord niet door het ter hand stellen van de revolver zijn bewogen. Uit de bewijsmiddelen toch volgt, dat deze terhandstelling heeft plaatsgehad op Zaterdag 18 Augustus: welnu, [betrokkene 1] zegt in zijn eigen verklaring, die tot bewijs is gebruikt, dat hij eerst tot moord besloten was op Zondag 19 Augustus, na en tengevolge van de toezegging van requirante in een café op de [a-straat] te [plaats] , dat hij voor de moord geld zou krijgen (Zijn voornemen om te doden deelde hij volgens zijn eigen verklaring pas die Zondagavond na deze toezegging mede aan [medeverdachte] ). Ook [betrokkene 2] zegt uitdrukkelijk in zijn verklaring, die voor het bewijs is gebruikt, dat hij eerst was besloten na en tengevolge van de toezegging door requirante van het geld op 19 Augustus, dus daags na het ter hand stellen van het revolver. (Bovendien, uit de verklaringen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , zoals deze zijn afgelegd voor de Rechter-Commissaris, welke verklaringen door het Hof uit het rechtbankvonnis werden overgenomen, blijkt, dat zij eerst op de avond van de dag, waarop requirante de toezegging van het geld deed, tesamen hebben besproken, wat zij zouden gaan doen.) .
7) Bewezen is verklaard, dat de daders van de moord zijn uitgelokt door de toezegging van het geld door requirante en [medeverdachte] tezamen. Uit geen der bewijsmiddelen echter blijkt, dat de toezegging van het geld van de zijde van [medeverdachte] het plan bij de beide daders van de moord heeft verwekt. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verklaren uitdrukkelijk, dat zij bewogen zijn door de toezegging van [requirante] , en niet door een gezamelijke toezegging van [requirante] en [medeverdachte] .
8) Bewezen is verklaard, dat de dader [betrokkene 2] het slachtoffer "op het hoofd" heeft geslagen. Zulks blijkt nergens uit de bewijsmiddelen.
9) Bewezen is verklaard, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] [slachtoffer] van het leven hebben beroofd ter uitvoering van een gemeenschappelijk plan. Als bewijsmiddel hiervoor is gebruikt de verklaring, die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de Rechter-Commissaris hebben afgelegd, waarvan het proces-verbaal als bewijsmiddel is gebezigd. Hieruit volgt echter alleen de gezamelijkheid van het plan om te beroven. Ten aanzien van de moord zelve echter ligt hier duidelijk geen gezamelijk plan. Uitdrukkelijk is afgesproken, dat [betrokkene 1] dit alleen zou doen, terwijl het aandeel, dat [betrokkene 2] zou hebben in het gezamelijk plan, niets te maken had met de uitvoering van een plan om gezamelijk te moorden. In ieder geval kan dit bewijsmiddel niet redengevend zijn voor het bewezenverklaarde, gemeenschappelijk plan om te moorden.
Evenmin als blijkt van een gezamelijk plan tot moorden, blijkt uit de bewijsmiddelen van een gezamelijke uitvoering van de moord. Noch in het plan noch in de uitvoering ervan is sprake van een soort werkverdeling met betrekking tot het doden van [slachtoffer] . Uit niets blijkt, dat de daden van [betrokkene 2] iets te maken hadden met het plan, om samen een moord te begaan, hetgeen toch nodig is, wil de mededaderschap van de moord van [betrokkene 2] bewezen kunnen worden verklaard.
Voor zover het gezamelijk plan (niet de gezamelijke uitvoering van het plan) om te moorden worden afgeleid uit de verklaringen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , zoals deze ter zitting van het Hof zijn afgelegd (nl. ieder voor zich verklaarde; na de toezegging van geld door [requirante] was ik besloten samen met de ander [slachtoffer] te vermoorden), zijn deze bewijsmiddelen tegenstrijdig met het hierboven aangehaalde proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, hetwelk ook als bewijs is gebruikt, terwijl bovendien ook dan nog uit de bewijsmiddelen niet blijkt (immers, het tegendeel blijkt eruit), dat wat de daders werkelijk hebben gedaan, ook inderdaad de uitvoering was van dat gezamelijk plan om te moorden. Cfr. hieronder sub. 10.
10) Bewezen is verklaard, dat requirante tezamen met [medeverdachte] o.a. door het toezeggen van geld [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben uitgelokt om [slachtoffer] te vermoorden. Zulk een bewezen verklaring eist, dat uit de bewijsmiddelen niet alleen volgt, dat de daders van de moord door de uitlokkingsdaad het gezamelijk plan hebben opgevat tot de moord, doch tevens, dat uit de bewijsmiddelen volgt, dat de moord, zoals deze feitelijk heeft plaatsgehad, ook kan worden gezien als een uitvoering van het plan, waartoe zij waren bewogen.
Uit de verklaring nu [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , zoals deze zijn gerelateerd in het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, hetwelk door het Hof uit het vonnis der Rechtbank als bewijsmiddel werd overgenomen, blijkt, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , nadat zij door de toezegging van requirante het voornemen hadden opgevat om tezamen [slachtoffer] te vermoorden, op de avond van diezelfde dag hebben afgesproken, wat zij nu eigenlijk voorplan zouden uitvoeren. Toen is besloten, dat [betrokkene 2] [slachtoffer] zou slaan en dat zij dan samen [slachtoffer] van zijn geld zouden beroven;
alleen, als dit zou mislukken, zou [betrokkene 1] alleen [slachtoffer] doden. Uit deze verklaring blijkt dus, dat datgene, wat zij in feite hebben gedaan, niet kan worden gezien als de uitvoering van het plan om zonder meer [slachtoffer] te doden en wel tezamen te doden, en dit toch was het plan, waartoe zij volgens de bewezenverklaring waren uitgelokt. Hetgeen volgens de bewijsmiddelen in feite is gebeurd, is de uitvoering van een "ander" plan, waarbij het doden alleen maar "eventueel" ter sprake zou komen en dan nog het doden door [betrokkene 1] alleen. Het hierboven genoemd bewijsmiddel van het Hof nl. het proces-verbaal van het verhoor van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de Rechter-Commissaris, kan dus niet redengevend zijn voor de moord, zoals die is bewezenverklaard nl. als uitvoering van het plan, waartoe de daders door requirante en [medeverdachte] waren uitgelokt.
VII. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub. I, doordat het arrest van het Hof overwegingen bevat, die innerlijk tegenstrijdig zijn.
Toelichting:
Het Hof neemt als bewezen aan, dat de daders van de moord bewogen zijn door de gezamelijke toezegging van het geld door requirante en [medeverdachte] . Bij de weerlegging echter van het verweer, dat in die veronderstelling de daders niet bewogen kunnen zijn door de daaraan voorafgaande terhandstelling van een revolver, weerlegt het Hof dit verweer door te zeggen, dat de daders tot de moord reeds besloten waren vóór de toezegging door [requirante] nl. door de daaraan voorafgaande toezegging van [medeverdachte] en door het terhandstellen van het revolver, en dat de toezegging van [requirante] alleen maar moet worden gezien als een nadere bevestiging (zie pag. 5 arrest Hof). Deze weerlegging is strijdig met de bewezenverklaring.
VIII. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub. I, doordat het Hof in het arrest de bewijsmiddelen op onjuiste wijze weergeeft.
Toelichting:
De Rechtbank en in navolging van de Rechtbank het Hof hebben als bewijsmiddel gebezigd: "vooraangehaalde" processen- verbaal van de Rechter-Commissaris, die verklaringen bevatten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , terwijl nergens is te zien, waar deze processen-verbaal vooraangehaald werden, zodat niet kan worden uitgemaakt, welke processenverbaal zijn bedoeld.
IX. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub. I, doordat het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring en de weerlegging van verweren niet heeft beraadslaagd op grondslag van het onderzoek ter terechtzitting.
Toelichting:
A. Met betrekking tot de bewezenverklaring:
1) Het Hof doet recht op de verklaring [betrokkene 1] , zoals deze voorkomt in het vonnis van de Rechtbank, doch brengt daarin een correctie, die, zoals het Hof in zijn arrest zegt, overeenkomt met de verklaring, die [betrokkene 1] ter zitting van het Hof heeft afgelegd. Uit de verklaring echter [betrokkene 1] voor het Hof, zoals deze blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof, blijkt nergens, dat hij deze correctie heeft aangebracht.
2) Het Hof gebruikt als bewijs een verklaring van [betrokkene 2] , zoals deze op de zitting van het Hof door [betrokkene 2] zou zijn afgelegd. Uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof blijkt echter niet, zoals het Hof wel onder de bewijsmiddelen opneemt, dat [betrokkene 2] voor het Hof zou hebben verklaard:
a) dat [betrokkene 1] de revolver te voorschijn haalde;
b) dat dit was bij dezelfde gelegenheid, waarbij requirante de f. 20.000, -- toezegde;
c) dat de revolver tevoren door [medeverdachte] was overhandigd;
3) Het Hof gebruikt als bewijsmiddel een verklaring [betrokkene 1] , zoals die, naar het Hof zegt, op de zitting van het Hof zou zijn afgelegd. Deze verklaring houdt o.a. in, dat [betrokkene 1] op de trap al de revolver in de rechterhand nam. Zulk een verklaring [betrokkene 1] is echter niet te vinden in het proces-verbaal van de zitting van het Hof. Dit is een punt, hetwelk het Hof zozeer van belang acht, dat het met deze verklaring later in het arrest het verweer weerlegt, dat de daders van de moord ten tijde van hun daad het plan om te doden zouden hebben laten varen.
B. Ten aanzien van de weerlegging van het verweer:
Volgens het arrest van het Hof hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de zitting van het Hof verklaard, dat zij op het moment van de daad het plan om [slachtoffer] te doden hadden laten varen. Deze bewering weerlegt het Hof met de opmerking, dat dit in strijd met het feit is, dat [betrokkene 1] zelf voor het Hof zou hebben verklaard, dat hij op de trap van de woning van [slachtoffer] de revolver reeds in de rechterhand hield.
Van deze verklaring blijkt echter niets uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof.
Hoewel de rechtspraak van Uw Raad in het algemeen luidt, dat bij strijdigheid van het proces-verbaal der zitting en het vonnis of arrest ten aanzien van de inhoud van verklaringen de inhoud van het vonnis of arrest praevaleert, lijkt het toch, dat hier ergens een grens moet worden getrokken; gezien de leemten, die ten aanzien hiervan het huidige proces- verbaal van de zitting van het Hof vertoont, lijkt deze grens overschreden.
X. Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen genoemd sub. 1, door ten aanzien van de oplegging van straf en maatregel overwegingen te ontlenen aan de inhoud van een psychiatrisch rapport, welke inhoud in het betreffende rapport niet wordt gevonden.
Toelichting:
Vooreerst refereert het Hof aan een psychiatrisch rapport, dat werd uitgebracht voor de behandeling in eerste aanleg. Aangezien dit rapport van Dr. Berden blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank naar zijn korten inhoud is medegedeeld, kon het Hof - gesteld, het onderzoek in prima is niet nietig - dit gebruiken. Uit dit rapport blijkt echter niet, zoals volgens de strafmotivering het Hof als inhoud van het rapport aanneemt: "dat requirant is een ernstig gestoorde vrouw, wier toerekenbaarheid op ongeveer 50 percent kan worden gesteld, dat zij niet als wilsonvrij kan worden beschouwd en wel weet, wat zij doet, al voorziet zij niet de consequenties als een ander, dat bij het kopen van de revolver haar vrije wil niet afwezig is geweest en zulks evenmin, toen zij de toezegging van f. 20.000, -- bevestigde. "Wel is deze aangehaalde mening door de deskundige ter zitting uitgesproken, doch het Hof verwijst niet naar de verklaring van de deskundige, zoals deze ter zitting is afgelegd.
XI. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub. 1, door ten aanzien van het afleggen van de maatregel niet te beraadslagen op grond van het onderzoek ter terechtzitting.
Toelichting:
Het Hof beveelt de maatregel van terbeschikkingstelling mede op grond van de "uitvoerige inlichtingen, door beide deskundigen (Dr. Berden en Dr. v.d.Loo) op de zitting van het Hof gegeven". Deze motivering is zeker onjuist met betrekking tot de deskundige van der Loo, die op de zitting van het Hof, waar hij blijkens het proces-verbaal van deze zitting een zeer summiere verklaring heeft afgelegd, niets terzake heeft medegedeeld en zelfs uitdrukkelijk heeft verklaard, dat hij de stukken niet had gezien.
XII. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub. 1, door de oplegging der straf onvoldoende te motiveren.
Toelichting:
Met de deskundige gaat het Hof ervan uit, dat requirante is een ernstig gestoorde vrouw, wier toerekeningsvatbaarheid op 50 percent moet worden geschat. Niettemin legt het Hof o.a. met deze motivering een straf op van niet minder dan 12 jaar gevangenis, blijkbaar vrijwel exclusief in aanmerking nemend de ernst van het feit. In casu lijkt zulks een onvoldoende motivering. Het kan zelfs betoogd worden, dat zulk een strafoplegging in strijd is met het wezen van de straf en bovendien met de werkelijke bedoeling en zin van artikel 37 a van het Wetboek van Strafrecht, dat juist de mogelijkheid wil openen aan een geestelijk gestoorde delinquent een straf op te leggen, evenredig aan de mate van schuld. Het is zonder een diepergaande motivering niet begrijpelijk, dat aan iemand die ernstig gestoord en slechts voor de helft toerekeningsvatbaar is, rechtvaardigerwijze een straf van 12 jaar kan worden opgelegd.
XIII. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen genoemd sub. 1, door het bewezenverklaarde onjuist te qualificeren en bij de strafoplegging niet de regels omtrent de samenloop toe te passen.
Toelichting:
1) Ten onrechte wordt het bewezenverklaarde gequalificeerd als:
het uitlokken van "moord en van het medeplegen van moord", terwijl alleen het uitlokken van "medeplegen van moord" op het bewezenverklaarde past.
2) Er zijn twee strafbare feiten bewezenverklaard, nl. twee afzonderlijke vormen van uitlokking:
1) uitlokken door belofte;
2) uitlokken door het verschaffen van een middel.
Waar het hier blijkens de bewijsmiddelen gaat over twee vormen van uitlokking, die niet als één enkele handeling van uitlokking kunnen worden gezien en zelfs niet op dezelfde dag plaats hadden, moet men aannemen, dat hier twee strafbare feiten zijn gepleegd; er was dus een geval van samenloop, waarbij het Hof de regels van samenloop had moeten toepassen.
XIV. Schending en/of verkeerde toepassing der artikelen, genoemd sub 1, doordat het Hof heeft verzuimd een beslissing te geven omtrent de stukken van overtuiging.
Toelichting:
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank, op grondslag waarvan het Hof heeft beraadslaagd, alsook blijkens diverse door het Hof gebruikte bewijsmiddelen, waren ter zitting van het Hof overtuigingsstukken aanwezig. Hieromtrent had het Hof een beslissing behoren te nemen.";
Gehoord den Advocaat-Generaal van Oosten namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie, daartoe strekkende, dat de Raad het cassatie-beroep zal verwerpen, 's Hofs beslissing ten aanzien van de qualificatie zal vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende, aan het feit de rechtskundige benaming zal geven van het "medeplegen van het door beloften en door het verschaffen van middelen opzettelijk uitlokken van het medeplegen van moord";
Overwegende dat bij het bestreden arrest ten laste van requirante en [medeverdachte] voornoemd is bewezen verklaard;
"dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 25 Augustus 1956 te [plaats] tezamen en in vereniging ter uitvoering van hun na kalm beraad en rustig overleg tevoren genomen besluit en beraamd plan om opzettelijk [slachtoffer] , echtgenoot van verdachte [requirante] van het leven te beroven, de aldaar aan de [b-straat 1] gelegen woning van die [slachtoffer] zijn binnengegaan, alwaar genoemde [betrokkene 2] opzettelijk genoemde [slachtoffer] meermalen met kracht met een gummistok op het hoofd heeft geslagen en genoemde [betrokkene 1] vervolgens opzettelijk uit een met meerdere scherpe patronen geladen revolver van dichtbij vijf kogels op genoemde [slachtoffer] heeft afgevuurd en hem daarbij met vier kogels op verschillende plaatsen in diens lichaam heeft getroffen, tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer] zodanige inwendige verwondingen heeft bekomen, dat hij ongeveer zeven uren daarna is overleden, welk feit zij, verdachten, tezamen en in vereniging in de maand Augustus 1956 te [plaats] en elders in het arrondissement [plaats] door beloften en door het verschaffen van middelen opzettelijk hebben uitgelokt, hetwelk hierin bestond, dat zij verdachten opzettelijk aan genoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een geldsbedrag van f. 20.000, -- hebben beloofd voor het geval zij of een hunner genoemde [slachtoffer] van het leven zouden beroven, alsmede dat een van hen verdachten opzettelijk een door een van hen verdachten met dat doel - namelijk om genoemde [slachtoffer] daarmede te doden- gekochte revolver met patronen aan genoemde [betrokkene 1] ter hand heeft gesteld, zijnde misdrijf, voorzien en strafbaar gesteld in artikel 289 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht";
Overwegende dat het Hof als bewijsmiddelen onder meer heeft gebezigd:
1. de verklaring van den verdachte [medeverdachte] :
"Vanaf 1955 heb ik een verhouding gehad met mijn medeverdachte. İk werkte in de garage van [slachtoffer] aan de [b-straat] te [plaats] en bemerkte kort nadat ik met haar kennis had gemaakt, dat de verhouding tussen [slachtoffer] en zijn vrouw zeer slecht was. In Januari 1956 ben ik met [requirante] en [betrokkene 1] op reis gegaan naar Parijs.
Daarna ben ik een paar maanden niet bij [slachtoffer] geweest totdat ik weer door [slachtoffer] , die op de hoogte was van mijn verhouding met zijn vrouw, werd teruggeroepen. Uit eigen beweging wilde ik het niet doen. Mijn moeder maakte bezwaren toen [slachtoffer] kwam vragen of ik bij hem terugkwam, maar hij beloofde, dat hij op mij zou passen; toen ik weer enkele dagen bij hem was, werd de verhouding toch weer voortgezet. Op zekere dag zei [requirante] mij dat zij een anonieme brief had ontvangen en sprak ook over het doden van haar man. Enkele dagen later liet zij mij die anonieme brief ook lezen; [betrokkene 1] heeft de brief ook gelezen. Ik heb die brief opgevat alsof [slachtoffer] daar achter zat en ons in een val wilde lokken. [requirante] heeft toen gezegd, dat we voorzichtig moesten zijn.
Ook al voordat die brief gekomen was is er dikwijls over gesproken [slachtoffer] van kant te maken, maar na die brief zei [requirante] ; "Nu is er haast, nu hangen we alletwee aan een zijden draadje." Op een dag ben ik met [requirante] naar Luik gegaan om een revolver te kopen, waartoe zij mij duizend francs had gegeven. Ik ben een winkel binnengegaan terwijl zij buiten bleef wachten.
In [plaats] heb ik [betrokkene 1] gezegd, dat een poging om een revolver te kopen was mislukt.
Tevoren, toen [betrokkene 1] , die een tijd in een gesticht is geweest, was teruggekomen, was hij door [requirante] een avond uitgenodigd op een feestje en die avond is het plan om [slachtoffer] van kant te maken met hem besproken. Met [betrokkene 1] heb ik daarna vaker er over gesproken; ook getuige [getuige 2] was er dikwijls bij. Er is eens gezegd, door wie weet ik niet: "Zorg maar voor een revolver, dan komt het wel in orde." [betrokkene 1] heeft gezegd, dat wij voor een revolver naar Luik moesten.
In de werkplaats van [slachtoffer] had [requirante] eens gezegd: "Ik haat mijn man, ik wil hem niet", waarop [getuige 2] heeft geantwoord: "Kom maar hier dan schiet ik hem neer."; zij is toen naar boven gegaan en teruggekomen zei ze, dat het pistool uit het nachtkastje weg was en daarop is het idee geopperd, dat zij een pistool zou kopen, waartoe ik, zoals ik verklaarde, met haar naar Luik ben mee gegaan.
[requirante] heeft ook eens voor de moord aan [betrokkene 1] gezegd, dat hij als hij haar man van kant zou maken f. 20.000, -- zou krijgen; op het feestje, waarover ik zo even verklaarde is door haar in elk geval over geld gesproken. Het is mogelijk, dat ik zelf ook aan [betrokkene 1] heb gezegd, dat hij f. 20.000, -- zou krijgen voor het plegen van de moord. Ik heb wel tegen hem gezegd, dat als [requirante] iets zegt, zij dat ook doet.
Bij een gesprek, dat in Bemelen plaats had, is nog gezegd, dat het geld in gedeelten, telkens van200 of 300 gulden zou betaald worden.
Een dag nadat ik met [requirante] tevergeefs getracht had een revolver te kopen ben ik met haar weer teruggegaan naar Luik en toen is zij de winkel binnengegaan.
Na uit de winkel te zijn gekomen zei zij, dat zij een revolver met zeven patronen had; op mijn vraag het mij te laten zien antwoordde zij: "Niet op straat." wij zijn ergens gaan eten en daar heeft zij mij de revolver getoond en ik heb hem in mijn zak gestoken, want zij was bang, dat de douane haar tas zou controleren.
Dezelfde dag heb ik de revolver, dezelfde als de thans als stuk van overtuiging hier aanwezige, bij café [A] in [plaats] aan [betrokkene 1] overhandigd; er waren 7 scherpe patronen bij. [betrokkene 2] stond er kort bij.
De volgende dag vertelde [requirante] mij, dat zij een bespreking had gehad met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ; ik begreep, dat het ging over de moord en zij zei dat zij daarbij had bevestigd, dat zij hun f. 20.000, -- zou geven. Des avonds hebben [requirante] en ik met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in het park te [plaats] op een bank gezeten. Op de vraag van [betrokkene 1] aan mij naar de sleutel zei ik hem dat hij die aan [requirante] moest vragen.
Van 21 tot 24 Augustus 1956 ben ik met [requirante] op reis gegaan naar Königswinter.
Voor de reis is afgesproken dat het op 23 Augustus 1956 zou gebeuren; [requirante] was daar bij.
Toen wij van de reis terugkwamen stonden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ons aan het station in [plaats] op te wachten. [requirante] had mij in de bus verteld, dat wij aan het station in [plaats] moesten uitstappen, omdat zij de sleutel aan [betrokkene 1] beloofd had; ik wist dat niet.
Toen ik uit de bus stapte liep [requirante] door en zij zeiden mij toen geprobeerd te hebben op Donderdag 23 Augustus in het huis van [slachtoffer] te komen, hetgeen niet gelukt was. Op hun vraag naar de sleutel heb ik gezegd, dat ik er met [requirante] over zou spreken en hen op Zaterdagmiddag zou ontmoeten. Op die Zaterdagmiddag, 25 Augustus 1956, heb ik tegen hen gezegd, dat zij des avonds aan het huis van [slachtoffer] moesten komen en dat [requirante] dan de deur zou openlaten, zodat zij naar binnen konden gaan. Toen ik des avonds met [requirante] in café [A] zat, wilde [requirante] , die, omdat het regende bang was voor haar haren de deur niet gaan openmaken en ik heb toen de huissleutel die ik thans als stuk van overtuiging hier aanwezig zie, van [requirante] gekregen en heb de deur van het huis van [slachtoffer] voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geopend, waarna ik met de sleutel weer naar café [A] ben gegaan. Even later kwam [betrokkene 1] en [betrokkene 2] weer het café binnen en zeiden, dat er nog mensen in de garage waren. Later zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] weer samen weggegaan; ik wist wat er ging gebeuren. De volgende dag heb ik gehoord, dat [slachtoffer] vermoord was. Toen ik de hier aanwezige revolver met de patronen aan [betrokkene 1] gaf, wist ik dat [slachtoffer] daarmede van kant gemaakt zou worden;"
2. de verklaring van requirante:
"Nadat mijn medeverdachte in 1955 in de garage van mijn man aan de [b-straat] te [plaats] was komen werken, heb ik een relatie met hem gekregen. Wij gingen veel samen uit en zo ben ik Januari 1956 met hem en [betrokkene 1] enige dagen naar Parijs geweest en daarna is hij uit de garage weggegaan. Na enige maanden zei mijn man, dat ik [medeverdachte] zou gaan vragen weer bij ons terug te komen, hetgeen ik heb gedaan. Nadat mijn man nog bij hem was geweest is [medeverdachte] weer teruggekomen en daarna is de verhouding met hem weer voortgezet. Als ik kwaad was zei ik wel eens over mijn man: "Was hij maar dood." en [medeverdachte] is daarop ingegaan.
Ik ging vaak met hem uit o.a. naar Bemelen en op een gegeven ogenblik kreeg ik een anonieme brief, waarin wij gewaarschuwd werden niet meer in Bemelen te komen, maar op een andere plek. Ik wist niet wat ik van die brief moest denken en toen ik met [medeverdachte] er over sprak zei hij: "Daar zijn grotten, als we daar komen, worden wij van kant gemaakt". In de werkplaats van mijn man, waar behalve [medeverdachte] dan ook [betrokkene 1] en [getuige 2] waren, is herhaaldelijk gesproken over het van kant maken van mijn man. Op een gegeven dag ben ik met [medeverdachte] naar Luik gegaan om een revolver te kopen, hetgeen niet gelukte, maar een volgende dag ben ik met [medeverdachte] naar Luik teruggegaan en heb ik de thans als stuk van overtuiging hier aanwezige revolver gekocht; er waren 7 scherpe patronen bij. Hij moest dienen om mijn man van kant te maken.
Ik heb de revolver met de patronen in een café te Luik aan [medeverdachte] gegeven.
Toen ik de eerste keer tevergeefs met hem naar Luik was gegaan had ik hem 1000 francs gegeven om een revolver te kopen. Nadat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] mij hadden gevraagd een afspraak te maken om mij te spreken, ben ik op Zondagmorgen 19 Augustus 1956 met hen in een café bij de [a-straat] te [plaats] gegaan. [medeverdachte] had mij gezegd dat hij hun ieder f. 20.000, -- had beloofd als zij mijn man zouden van kant maken en ik moest dat voor hem bevestigen.
Ik heb toen de belofte van voormeld bedrag aan hen bevestigd. Van 21 tot 24 Augustus 1956 ben ik met [medeverdachte] op reis geweest naar Koningswinter.
Toen wij van de reis terugkwamen stonden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan het station in [plaats] . [medeverdachte] is bij hen blijven staan en heeft met hen gesproken. In de avond van 25 Augustus 1956 ben ik met [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in het café [A] in [plaats] geweest.
Die avond zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met [medeverdachte] en mij uit het café weggegaan en terwijl zij de andere kant uitgingen ben ik met [medeverdachte] naar Bosch gegaan. Ik heb herhaaldelijk gehoord, ook toen [getuige 2] nog bij ons kwam, dat gesproken werd over het vermoorden van mijn man;"
3. de verklaring van den getuige [getuige 2] :
"In de laatste week van Juni 1956 ben ik in de garage [slachtoffer] te [plaats] geweest, waar behalve de verdachten ook [betrokkene 1] aanwezig was. [slachtoffer] zelf was afwezig. Er is toen over gesproken dat [slachtoffer] opgeruimd moest worden; dat plan kwam van verdachte [medeverdachte] . [requirante] heeft gezegd: "Ik wou dat mijn man dood was" en over de verhouding tot haar man is toen gezegd, dat hij haar te kort hield.
Er is in de zomer van 1956 verschillende keren over moordplannen op [slachtoffer] , die een rare vent genoemd werd, gesproken als de verdachten met [betrokkene 1] en mij bij elkaar waren, ook eens in Bemelen.
Zo is er over gesproken, dat [betrokkene 1] zou zorgen, dat dat [slachtoffer] van kant gemaakt zou worden en ik zou dan het lijk van [slachtoffer] (mijn lees: ) met zijn eigen auto in het water rijden om de indruk te wekken, dat hij verdronken was. [requirante] was daar bij. [betrokkene 1] zei, dat hij het geld, dat [slachtoffer] bij zich had zou verdelen, maar [requirante] zei, dat hij het geld aan haar moest geven en dat zij het dan zou verdelen. Ook heeft [requirante] gezegd, dat wij als het verkeerd zou lopen, advocaat Sanders uit [plaats] zouden krijgen.
[requirante] zei anders als over de plannen gesproken werd nooit iets, alleen in Bemelen heeft zij gezegd, dat ze er niet bij wilde zijn en naar Aken zou gaan. Bij die gelegenheid heb ik ook horen zeggen, dat [requirante] aan [betrokkene 1] en mij ieder f. 20.000, -- zou geven, in gedeelten als wij geld nodig hadden zodat het niet ineens aan de zaak onttrokken werd.
Ik heb toen gezegd, dat ik mee zou doen. Ik vond het een beetje raar en vatte het niet zo heel ernstig op. Ik heb [betrokkene 1] aangeraden ons terug te trekken. [betrokkene 1] heeft tegen mij gezegd, dat ik mij er niet mee moest bemoeien, want ik had het niet nodig, zei hij; ik ben daarna drie weken niet meer bij hem geweest. Ik dronk in die tijd veel en ben in Augustus door mijn vader in Schöndeln geplaatst; "
4. de verklaring van den getuige [betrokkene 1] :
"Nadat ik in December 1955 door verdachte [medeverdachte] , die een oude vriend van mij was, voor het eerste in contact was gekomen met verdachte [requirante] , ben ik in Januari 1956 samen met hen naar Parijs gegaan. Ik bemerkte toen, dat er een verhouding tussen hen bestond. Daarna ben ik totdat ik einde Februari 1956 naar de tuchtschool in Ginneken ging nog herhaaldelijk samen met hen uitgegaan; over een moord op [slachtoffer] is toen nog niet gesproken, en ook nog niet toen ik [medeverdachte] , die in de garage [slachtoffer] werkte, weer, na mijn terugkeer uit de tuchtschool, op 24 Juni 1956 ontmoette, Enkele dagen later, toen ik bij [medeverdachte] in de garage was begon hij er mij over te spreken [slachtoffer] van kant te maken, Hij had het er over, dat [slachtoffer] wel eens gezegd had, dat hij, omdat [slachtoffer] geen kinderen had, later de zaak van [slachtoffer] zou krijgen; daarna heb ik er nog vaker over gesproken met hem en naderhand heb ik hem gezegd, dat ik er wel voor te vinden was. Einde Juli 1956 ontmoette ik getuige [betrokkene 2] , die in de garage van [betrokkene 3] te [plaats] werkte. Hij vroeg mij of ik een goede kraak wist. Daarna heb ik hem geleidelijk het plan om [slachtoffer] van kant te maken verteld en ook, hetgeen [medeverdachte] mij intussen had medegedeeld, dat wij er f. 20.000, -- voor zouden krijgen. Op een dag in begin Augustus 1956 ben ik n.l. met [betrokkene 2] naar de Palacebioscoop te Maastricht gegaan en na afloop heb ik er de hele avond verder met hem over gesproken en gevraagd of hij mee wilde doen, hetgeen hij bevestigde. Diezelfde avond of mogelijk op een latere dag, want ik heb er verschillende keren met hem over gesproken, heeft hij mij gezegd, dat [medeverdachte] er buiten moest blijven omdat hij die niet vertrouwde.
Toen ik daarna in Augustus 1956 [medeverdachte] eens ontmoette zei hij, dat hij in Luik was geweest om een revolver te kopen, maar er geen had kunnen krijgen.
Hij vroeg mij, met hem en [requirante] mee naar Luik te gaan, maar ik kon dat niet omdat ik geen pas had en ik heb tegen hem gezegd, dat [requirante] maar de winkel zou binnengaan en Duits spreken.
Des avonds heb ik met [betrokkene 2] de verdachten weer ontmoet en bij café [A] in [plaats] gaf [medeverdachte] mij de thans als stuk van overtuiging hier aanwezige revolver, waarvan hij mij later heeft gezegd, dat [requirante] die gekocht had; ik heb hem bij mij gestoken, er waren 7 scherpe patronen bij en hij was naar hij zeide bestemd om [slachtoffer] van kant te maken. [betrokkene 2] had mij diezelfde dag gezegd, dat hij van [requirante] zelf wilde vernemen, dat wij na de moord ieder f. 20.000, -- zouden ontvangen en daarom is toen met haar de afspraak gemaakt, dat wij haar de volgende dag, Zondag 19 Augustus 1956, aan het station in [plaats] zouden ontmoeten. Die Zondagmorgen ben ik met [betrokkene 2] , na [requirante] ontmoet te hebben, samen met haar naar café [B] aan de [a-straat] te [plaats] gegaan, waar zij op de vraag van [betrokkene 2] hoe het zat met die f. 20.000, -- zei, dat wij ieder dat bedrag zouden krijgen als [slachtoffer] van kant zou zijn gemaakt.
Ik was toen besloten de moord op [slachtoffer] samen met [betrokkene 2] te plegen.
Het ging mij om het geld en ik vertrouwde er op, dat wij dat zouden krijgen.
In de middag van dezelfde dag hebben wij de revolver geprobeerd in de werkplaats van [betrokkene 3] ; [betrokkene 2] heeft toen op het als stuk van overtuiging thans hier aanwezige oliebusje geschoten en hij bleek in orde te zijn.
Des avonds heb ik in het plantsoen van [plaats] aan [medeverdachte] gezegd, dat wij, [betrokkene 2] en ik, de moord samen zouden plegen. Hij zei, dat hij met [requirante] van 21 tot 24 Augustus 1956 op reis zou gaan naar Königswinter en afgesproken werd dat het in die tijd en wel op Donderdag 23 Augustus zou gebeuren; wij zouden tevoren de sleutel van het huis van [slachtoffer] krijgen.
Op 23 Augustus 1956 ben ik met [betrokkene 2] , hoewel [requirante] geweigerd had vóór de reis de sleutel te geven, aan de woning van [slachtoffer] geweest, maar wij konden niet binnen, omdat wij het rolluik niet omhoog kregen.
Op 24 Augustus hebben [betrokkene 2] en ik de verdachten aan het station in [plaats] afgehaald, toen zij van de reis terugkeerden. Nadat ik [medeverdachte] had verteld, dat wij op 23 Augustus tevergeefs aan de woning van [slachtoffer] waren geweest, zei hij, dat hij voor de sleutel zou zorgen; op 25 Augustus zou het dan gebeuren.
Op 25 Augustus 1956 ontmoetten [betrokkene 2] en ik de verdachte [medeverdachte] op de [c-straat] , waarna wij met hem naar de woning van [slachtoffer] gingen, waar hij de deur opende. Het was toen omstreeks half negen. Daarna ging hij met medeneming van de sleutel weer weg terwijl [betrokkene 2] en ik naar binnen gingen, maar omdat er nog stemmen te horen waren in de werkplaats van [slachtoffer] , waaruit wij opmaakten dat deze daar nog was, gingen wij weer weg. [medeverdachte] had mij eerder al verteld, dat [slachtoffer] altijd veel geld bij zich had, dat hij des nachts onder zijn hoofdkussen bewaarde en wij zouden dus op dat ogenblik geen geld op de slaapkamer vinden.
Nadat wij de woning op 25 Augustus om half negen hadden verlaten zijn wij naar café [A] in [plaats] gegaan, waar wij de verdachten weer hebben ontmoet.
Even later liet [betrokkene 2] , nadat [medeverdachte] hem een sigaret uit een doosje had aangeboden, mij enige sleutels aan een label zien zeggende: "Dat is de sleutel", en ik begreep, dat [betrokkene 2] die uit het doosje, dat [medeverdachte] hem had voorgehouden, had genomen; het waren de sleutels met label, welke thans als stukken van overtuiging hier aanwezig zijn.
Even na elf uur die avond hebben [betrokkene 2] en ik het café verlaten samen met de verdachten, die zich, terwijl wij in de richting van het huis van [slachtoffer] liepen, in de tegenovergestelde richting begaven. Nadat [betrokkene 2] met een van de voormelde sleutels de voordeur van de woning van [slachtoffer] had geopend, gingen wij tot aan de slaapkamer van [slachtoffer] , welke ik, omdat ik daar bekend was, aan [betrokkene 2] aanwees. [betrokkene 2] heeft enkele malen op de slaapkamerdeur gebonsd, waarna die deur werd geopend. Meteen sloeg [betrokkene 2] met de thans als stuk van overtuiging hier aanwezige knuppel [slachtoffer] , waarna zij elkaar vastgrepen. Toen [slachtoffer] daarna [betrokkene 2] opzij duwde, vuurde ik, erg dicht bij [slachtoffer] staande, een aantal schoten op [slachtoffer] af, waardoor hij werd getroffen, terwijl meteen [betrokkene 2] ook zoals hij later buiten liet zien door een schot in de rechter onderarm werd geraakt. [slachtoffer] ging de slaapkamer in en ik ben met [betrokkene 2] weggevlucht;"
5. de verklaring van den getuige [betrokkene 2] :
"Op een Zondag einde Juli 1956 - in die tijd werkte ik in de garage [betrokkene 3] te [plaats] - ontmoette ik getuige [betrokkene 1] , aan wie ik vroeg of hij een geen goede kraak wist. Hij zei mij, dat hij iets beters wist, n.l. iemand vermoorden waarmede veel geld te verdienen was en daarna heeft hij mij geleidelijk verteld, dat hij met verdachte [medeverdachte] [slachtoffer] van kant zou maken en dat zij daar ieder f. 20.000, -- voor zouden krijgen. Ik heb er verschillende keren met hem over gesproken en ik meen, dat hij mij het bedrag van f. 20.000, -- genoemd heeft na afloop van een voorstelling in de Palacebioscoop te Maastricht . Ik heb [betrokkene 1] gezegd, dat ik wel mee wilde doen, maar dat [medeverdachte] er buiten moest blijven, want die vertrouwde ik niet.
Op een avond in Augustus 1956 ontmoette ik met [betrokkene 1] de verdachten bij café [A] te [plaats] en ik zag toen, dat [medeverdachte] de thans als stuk van overtuiging hier aanwezige revolver aan [betrokkene 1] overhandigde, die de revolver bij zich stak, [requirante] was daarbij. De revolver, waarvan [betrokkene 1] mij later zei, dat [requirante] die gekocht had en waar 7 scherpe patronen bij waren, was naar hij zeide bestemd om [slachtoffer] van kant te maken. Omdat ik van [requirante] zoals ik tegen [betrokkene 1] gezegd had, zelf wilde vernemen dat wij na de moord op [slachtoffer] ieder f. 20.000, -- zouden krijgen, is die avond met haar afgesproken dat wij haar de volgende dag, Zondag 19 Augustus 1956, zouden ontmoeten en des Zondagsmorgens zijn [betrokkene 1] en ik met [requirante] naar café [B] aan de [a-straat] te [plaats] gegaan, waar ik haar heb gevraagd, of wij wanneer de moord op haar man doorging, ieder f. 20.000, -- zouden krijgen, waarop zij dat bevestigde.
Ik was toen besloten samen met [betrokkene 1] de moord op [slachtoffer] te plegen .
Ik vertrouwde er op het geld waar het mij ook om te doen was, te zullen krijgen.
Op Zondagmiddag 19 Augustus 1956 dus na ons onderhoud met de [requirante] heb ik met [betrokkene 1] de revolver geprobeerd in de werkplaats van de garage [betrokkene 3] ; ik heb toen op het hier thans als stuk van overtuiging aanwezige oliebusje geschoten.
Des avonds hebben [betrokkene 1] en ik de verdachten in het plantsoen te [plaats] ontmoet. De verdachten zouden van 21 tot 24 Augustus 1956 samen naar Königswinter gaan en op 23 Augustus 1956 zou de moord moeten gebeuren. Ik heb dit met [betrokkene 1] besproken.
Wij zouden tevoren de sleutels van de voordeur van het huis van [slachtoffer] krijgen.
Op de avond van 23 Augustus 1956 ben ik met [betrokkene 1] naar het huis van [slachtoffer] gegaan; het was ons plan [slachtoffer] te doden.
Wij konden het rolluik niet omhoogschuiven en konden daardoor niet in het huis komen; de sleutel hadden wij niet gekregen.
In de avond van 24 Augustus 1956 hebben [betrokkene 1] en ik de verdachten, toen zij van de reis terugkeerden, aan het station in [plaats] afgehaald. [betrokkene 1] heeft daarna, toen [requirante] er niet bij was, de sleutel aan verdachte [medeverdachte] gevraagd. Volgens afspraak zouden wij de volgende dag [medeverdachte] ontmoeten met de sleutel.
Op 25 Augustus 1956 troffen wij [medeverdachte] omstreeks half negen te [plaats] , waarna wij met hem naar het huis van [slachtoffer] gingen, waar hij de deur opende; terwijl [betrokkene 1] en ik naar binnen gingen, ging [medeverdachte] met medeneming van de sleutel weer weg. Er waren echter nog stemmen te horen in de werk plaats van [slachtoffer] , die dus nog in de werkplaats moest zijn en daarom gingen wij weer weg; van [medeverdachte] hadden wij gehoord dat [slachtoffer] altijd veel geld bij zich had, dat hij des nachts onder zijn hoofdkussen bewaarde en er zou dus op dat ogenblik geen geld in de slaapkamer zijn.
Na op 25 Augustus de woning weer te hebben verlaten ontmoetten wij verdachten weer in het café [A] te [plaats] . Aan [medeverdachte] hebben wij gezegd, dat [slachtoffer] er niet was en hij heeft geantwoord: "Zorg maar dat het in orde komt".
Later bood [medeverdachte] mij een sigaret aan en uit het sigarettendoosje, dat hij mij voorhield, heb ik de hier als stukken van overtuiging thans aanwezige sleutels met label genomen en daarna aan [betrokkene 1] laten zien. Nadat wij die avond nog bier hadden gedronken zijn wij omstreeks 11 uur uit het café weggegaan; terwijl [betrokkene 1] en ik in de richting van het huis van [slachtoffer] gingen, begaven de verdachten zich in de tegenovergestelde richting.
Nadat ik met een van de van [medeverdachte] ontvangen sleutels de voordeur van het huis van [slachtoffer] had geopend, wees [betrokkene 1] mij de slaapkamer van [slachtoffer] aan; ik bonsde enige malen met mijn schouder tegen die deur, die daarna werd geopend. [slachtoffer] ging in de deuropening staan, waarna ik hem met de thans als stuk van overtuiging hier aanwezige gummistok sloeg. [slachtoffer] greep mij vast en terwijl ik even met hem worstelde loste [betrokkene 1] vijf schoten; ik werd door een kogel in mijn rechteronderarm getroffen. [slachtoffer] ging de slaapkamer binnen en ik vluchtte met [betrokkene 1] weg.
Ik heb de sleutels ongevraagd van [medeverdachte] gekregen;"
6. twee processen-verbaal van verhoor voor den Rechter-Commissaris, zakelijk inhoudende de aan hem door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] afgelegde verklaringen:
door [betrokkene 1] , "dat hij in de avond van 19 Augustus 1956 met [betrokkene 2] heeft afgesproken, dat [betrokkene 2] [slachtoffer] met een knuppel bewusteloos zoude slaan, waarna zij [slachtoffer] van zijn geld zouden beroven, hetwelk zich volgens [medeverdachte] overdag in [slachtoffer] colbertjas en des nachts onder zijn hoofdkussen bevond en dat, als dit bewusteloos slaan zoude mislukken, er door hem, [betrokkene 1] , moest worden geschoten, daar [slachtoffer] hem kende en hem anders als dader zoude kunnen noemen ; "
door [betrokkene 2] : "dat hij met [betrokkene 1] had afgesproken, dat [slachtoffer] met een knuppel bewusteloos moest worden geslagen, hetgeen door hem, [betrokkene 2] , zoude geschieden omdat [slachtoffer] hem niet kende, waarna zij, van [medeverdachte] wetend en door de [requirante] bevestigd, dat hij steeds heel veel geld in huis had, hem zouden bestelen, dat echter, indien dit zoude mislukken, [betrokkene 1] [slachtoffer] met de revolver zoude doodschieten, waarna zij van de [requirante] ieder zijn f. 20.000, -- zoude krijgen;"
Overwegende dat het Hof bovendien als bewijsmiddelen heeft gebezigd:
1. de verklaring van den getuige [betrokkene 2] :
"dat hij aan zijn in prima afgelegde verklaring betreffende de samenkomst van getuige [betrokkene 1] en hem met verdachte [requirante] in café [B] te [plaats] op 19 Augustus 1956, waarbij deze verdachte aan ieder hunner f. 20.000, -- heeft beloofd, nog kan toevoegen, dat bij diezelfde gelegenheid [betrokkene 1] de revolver, welke [medeverdachte] tevoren in zijn, getuige's, en verdachte [requirante] tegenwoordigheid aan [betrokkene 1] had overhandigd, te voorschijn haalde en aan verdachte [requirante] vroeg hoe deze revolver werkte, waarop [requirante] antwoordde dat zij dat niet wist;"
2. de verklaring van den getuige [getuige 3] : "dat verdachte [requirante] hem, getuige, heeft verklaard,
dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de beloofde f. 20.000, -- , zoals met hen was afgesproken, alleen zouden krijgen als haar man door hen vermoord was;"
3. de verklaring van den getuige [betrokkene 1] : "dat hij op 25 Augustus 1956 reeds op de trap, welke leidde naar de verdieping, waar de slaapkamer van [slachtoffer] was gelegen, de revolver, waarmede hij even later op [slachtoffer] heeft geschoten, in de rechterhand heeft genomen;"
4. een proces-verbaal van verhoor voor den Rechter- Commissaris, zakelijk inhoudende als verklaring van requirante:
"dat [medeverdachte] er steeds bij haar op heeft aangedrongen, dat haar man uit de weg moest worden geruimd; dat zij volgens hem, [medeverdachte] , moesten zorgen, dat zij haar man vóór waren; dat zij tenslotte op zijn voorstellen is ingegaan; dat zij - na het ontvangen van een anonieme brief - met [medeverdachte] heeft besproken, dat zij in Luik een revolver zouden kopen; dat zij dit op 18 Augustus 1956 heeft gedaan, waarna zij de revolver aan [medeverdachte] , die buiten op haar stond te wachten, heeft gegeven; dat zij op 19 Augustus 1956 aan verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bevestigd dat, zodra haar man door hen uit de weg was geruimd, zij ieder van haar f. 20.000, -- zouden krijgen;"
Overwegende ten aanzien van middel I:
dat het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting onder meer vermeldt:
"De getuige [getuige 1] is niet verschenen.
Getuige [getuige 3] verklaart:
[getuige 1] is een buurjongen van de [slachtoffer] geweest. Hij wist, dat er een verhouding tussen [requirante] en [medeverdachte] bestond, doch enige verklaring omtrent de voorgeschiedenis van de moord kon hij niet geven, ook niet over mishandelingen die zouden hebben plaats gehad.
Verdachte [requirante] verklaart hierop af te zien van het verhoor van de niet-verschenen getuige [getuige 1] , evenals de raadsman, terwijl de Procureur-Generaal verklaart daartegen geen bezwaar te hebben. Het Hof ziet mitsdien af van het verhoor van deze getuige;"
dat, nu dit proces-verbaal niet vermeldt, dat ook de verdachte [medeverdachte] toestemming heeft gegeven, van het verhoor van den getuige [getuige 1] af te zien, het er voor moet worden gehouden, dat zulks niet is geschied;
dat evenwel uit hetgeen wel in het proces-verbaal is opgenomen, blijkt dat ter terechtzitting de vraag, of de getuige [getuige 1] alsnog zou moeten worden gehoord, in bespreking is gekomen, terwijl niet alleen de Procureur-Generaal, doch ook de verdachte [requirante] en de raadsman uitdrukkelijk toestemming hebben verleend om van het verhoor van genoemden getuige af te zien;
dat het proces-verbaal niet gewaagt van enige dienaangaande door [medeverdachte] of zijn raadsman opgeworpen bezwaar;
dat onder deze omstandigheden het gepleegde verzuim, waartegen niet uitdrukkelijk nietigheid is bedreigd, niet geacht kan worden zodanig in strijd te zijn met een goede procesorde, dat het de nietigheid van het onderzoek ten gevolge moet hebben;
Overwegende ten aanzien van middel II:
dat bij de klacht, waarop het middel berust, wordt voorbijgezien, dat in artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering sprake is van de terechtzitting in eersten aanleg, waarop het onderzoek der zaak heeft plaats gehad, welk onderzoek na afloop overeenkomstig artikel 345 wordt gesloten verklaard alvorens de uitspraak wordt gedaan, terwijl artikel 363 uitsluitend betrekking heeft op de openbare terechtzitting, waarin overeenkomstig artikel 362 het vonnis wordt uitgesproken;
Overwegende ten aanzien van middel III:
dat dit blijkens de toelichting uitsluitend betrekking heeft op het primair telastegelegde, luidende:
"dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op of omstreeks 25 Augustus 1956 te [plaats] tezamen en in vereniging, althans verdachte [betrokkene 1] alleen, ter uitvoering van hun (zijn) na kalm beraad en rustig overleg tevoren genomen besluit en beraamd plan om opzettelijk [slachtoffer] , echtgenoot van verdachte [requirante] , van het leven te beroven, de aldaar aan de [b-straat 1] gelegen woning van die [slachtoffer] zijn (is) binnengegaan, alwaar genoemde [betrokkene 2] opzettelijk genoemde [slachtoffer] een of meermalen met kracht met een gummistok, althans met een hard voorwerp op het hoofd heeft geslagen en genoemde [betrokkene 1] vervolgens opzettelijk uit een met meerdere scherpe patronen geladen revolver van dichtbij vijf althans een of meer kogels op genoemde [slachtoffer] heeft afgevuurd en hem daarbij met vier, althans een of meer kogels op verschillende plaatsen in diens lichaam heeft getroffen, tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer] zodanige inwendige verwondingen heeft bekomen, dat hij ongeveer 7 uren daarna, althans enige uren daarna is overleden, welk feit zij, verdachten, tezamen en in vereniging althans ieder afzonderlijk in of omstreeks de maand Augustus 1956, althans in of omstreeks de zomer van 1956 te [plaats] en/of elders in het arrondissement [plaats] door beloften of een belofte en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen opzettelijk hebben (heeft) uitgelokt, hetwelk hierin bestond dat zij, verdachten, of een hunner opzettelijk aan genoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] een geldsbedrag van f. 20.000, -- althans enig geldsbedrag hebben (heeft) beloofd of toegezegd voor het geval zij of een hunner genoemde [slachtoffer] van het leven zou(den) beroven, alsmede dat zij, verdachten, of een hunner opzettelijk een door hen of een hunner met dat doel - namelijk om genoemde [slachtoffer] daarmede te doden - gekochte revolver met patronen aan genoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ter hand hebben (heeft) gesteld en voor wat verdachte [medeverdachte] betreft, dat hij opzettelijk de huissleutel van voormelde woning van [slachtoffer] aan genoemde [betrokkene 2] heeft gegeven althans genoemde [betrokkene 2] opzettelijk gelegenheid heeft gegeven die huissleutel tot zich te nemen door hem opzettelijk een cigarettendoosje, waarin zich die sleutel bevond, voor te houden, zodat genoemde [betrokkene 2] die sleutel kon pakken en zulks ook gedaan heeft;"
dat blijkens deze omschrijving het primair telastegelegde kennelijk inhoudt, dat beide verdachten te zamen en in vereniging het nader omschreven strafbaar feit hebben uitgelokt door het beloven of toezeggen van geld en door het ter hand stellen van een revolver of door een van beide handelingen, dan wel dat elk van beide verdachten afzonderlijk dit strafbaar feit heeft uitgelokt door het beloven of toezeggen van geld en door het ter hand stellen van een revolver, of door één van beide handelingen;
dat het primair telastegelegde, aldus opgevat, niet innerlijk tegenstrijdig is en, in aanmerking genomen dat de dagvaarding moet worden uitgebracht voordat het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats gehad, een voldoende duidelijke opgave bevat van hetgeen aan ieder der verdachten, zij het in alternatieven zin, wordt verweten;
dat evenmin uit hetgeen in de toelichting op het middel onder B2 is gesteld, een innerlijke tegenstrijdigheid in de telastelegging valt af te leiden;
dat immers het primair telastegelegde, waarin is gesteld dat het nader omschreven strafbaar feit hetzij door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tezamen en in vereniging hetzij door [betrokkene 1] alleen is begaan, kennelijk aan de verdachten verwijt dat zij tezamen en in vereniging dan wel ieder afzonderlijk dat strafbaar feit hebben uitgelokt door hetzij zowel aan [betrokkene 1] als aan [betrokkene 2] hetzij aan één van beiden geld te beloven of toe te zeggen dan wel een revolver ter hand te stellen;
Overwegende ten aanzien van middel IV:
dat degene die opzettelijk door het beloven van geld aan twee personen, voor het geval een bepaald strafbaar feit zal worden gepleegd door hen gezamenlijk of door een van hen, deze personen ertoe beweegt dit strafbaar feit te zamen en in vereniging te plegen, door beloften dat feit opzettelijk heeft uitgelokt, zodat - in tegenstelling met hetgeen in de toelichting op het middel onder 1 is gesteld - de bewezenverklaring in dit opzicht niet als tegenstrijdig kan worden aangemerkt;
dat voorts de bewezenverklaarde omstandigheid, dat de revolver met patronen door één der verdachten ter hand is gesteld, zonder dat blijkt dat de ander aan dit ter hand stellen enig aandeel heeft gehad, niet behoeft uit te sluiten, dat tussen de beide verdachten ten aanzien van het doen van beloften en het ter hand stellen van een revolver met patronen een zodanige bewuste samenwerking heeft bestaan, dat, zoals is bewezenverklaard, de verdachten tezamen en in vereniging door beloften en door het verschaffen van middelen het in de bewezenverklaring bedoelde misdrijf hebben uitgelokt, zodat ook uit hetgeen in de toelichting op het middel onder 2 is opgemerkt, geen innerlijke tegenstrijdigheid in de bewezenverklaring valt af te leiden;
Overwegende ten aanzien van middel V:
dat dit middel, zoals het nader is toegelicht eveneens feitelijken grondslag mist;
dat immers aan de verdachten niet alternatief is telastegelegd dat zij hetzij aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geld
hebben beloofd voor het geval beiden [slachtoffer] van het leven zouden beroven, hetzij aan dezen geld hebben beloofd voor het geval één hunner [slachtoffer] van het leven zou beroven, doch de telastelegging betrekking heeft op één feit, hierin bestaande, dat de verdachten aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geld hebben beloofd voor het geval zij of één hunner [slachtoffer] van het leven zouden beroven;
Overwegende ten aanzien van middel VI:
met betrekking tot de onderdelen 1 en 7:
dat beide grieven feitelijken grondslag missen;
dat immers niet is bewezenverklaard, dat requirante en [medeverdachte] den moord hebben uitgelokt doordat zij gezamenlijk geld hebben toegezegd, doch dat zij tezamen en in vereniging den moord hebben uitgelokt doordat enerzijds zij aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een geldsbedrag hebben beloofd, anderzijds één van hen aan [betrokkene 1] een revolver ter hand heeft gesteld;
dat het Hof uit de als bewijsmiddel gebezigde verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] alsmede de verklaring van requirante, dat zij de door [medeverdachte] gedane belofte aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft "bevestigd", heeft kunnen afleiden dat het door requirante en [medeverdachte] te zamen en in vereniging uitlokken van den moord mede heeft plaats gehad door het door hen beloven van een gelsbedrag;
met betrekking tot onderdeel 2:
dat het Hof uit de daarin bedoelde verklaringen van [requirante] , [betrokkene 1] en [getuige 3] alsmede de verklaring van [betrokkene 2] , dat hij op zijn vraag of [betrokkene 1] en hij, wanneer de moord op haar man doorging, ieder f. 20.000, -- zouden krijgen, van requirante een bevestigend antwoord heeft ontvangen, heeft kunnen afleiden, dat de toezegging gold voor het geval de moord zou worden gepleegd, onverschillig of de uitvoering daarvan door beiden gezamenlijk dan wel door één hunner zou geschieden;
met betrekking tot onderdeel 3:
dat het Hof het primair telastegelegde aldus heeft kunnen verstaan, dat daarbij aan beide verdachten mede is telastegelegd, dat zij aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ieder f. 20.000, -- hebben beloofd, zodat de grief geen grondslag vindt in hetgeen door het Hof overeenkomstig het telastegelegde is bewezen verklaard;
met betrekking tot onderdeel 4:
dat in de gebezigde bewijsmiddelen onder meer zijn vervat de navolgende door het Hof als vaststaande aangenomen feiten en omstandigheden: dat requirante herhaaldelijk met [medeverdachte] heeft gesproken over het van kant maken van haar man; dat requirante op een gegeven dag met [medeverdachte] naar Luik is gegaan om een revolver te kopen, hetgeen niet gelukt is; dat requirante den volgenden dag met [medeverdachte] naar Luik is teruggegaan en toen aldaar een revolver met zeven scherpe patronen heeft gekocht, welke naar requirantes verklaring moest dienen om haar man van kant te maken; dat requirante den revolver met de patronen aan [medeverdachte] heeft gegeven; dat [medeverdachte] dienzelfden dag den revolver met de patronen aan [betrokkene 1] heeft ter hand gesteld;
dat het Hof hieruit heeft kunnen afleiden dat het ter hand stellen van den revolver aan [betrokkene 1] door één der beide verdachten deel uitmaakte van het te zamen en in vereniging uitlokken van den moord;
met betrekking tot onderdeel 5:
dat het Hof de telastegelegde omstandigheid, dat de verdachten in de maand Augustus 1956 te [plaats] en elders in het arrondissement [plaats] door beloften en door het verschaffen van middelen opzettelijk hebben uitgelokt, aldus heeft kunnen opvatten, dat de uitlokking, als gevolg van het doen van beloften en het verschaffen van middelen, op de in de telastelegging omschreven tijd en plaats haar beslag heeft gekregen, hetgeen het Hof bewezen heeft kunnen achten op grond van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , dat zij, nadat requirante op 19 Augustus 1956 te [plaats] hun had toegezegd, dat zij ieder f. 20.000, -- zouden krijgen, wanneer de moord op haar man doorging, besloten waren samen met den ander den moord op [slachtoffer] te plegen;
dat de in dit onderdeel vervatte grief mitsdien ongegrond is;
met betrekking tot onderdeel 6:
dat de daarin vervatte klacht evenzeer feitelijken grondslag mist;
dat immers niet, zoals door requirante is gesteld, is bewezenverklaard, dat de daders van den moord zijn uitgelokt door het ter hand stellen van een revolver, doch dat de uitlokking is tot stand gekomen doordat enerzijds de verdachten opzettelijk een geldsbedrag hebben beloofd en anderzijds een der verdachten een revolver heeft ter hand gesteld;
dat met betrekking tot dit deel van het bewezenverklaarde het Hof nog heeft overwogen - welke overweging het op de gebezigde bewijsmiddelen kon doen steunen - dat de eigenlijke daad van het ter hand stellen van den revolver en de bevestiging door requirante van de door [medeverdachte] gedane belofte "slechts schakels zijn in een onverbreekbare keten van besprekingen, beraadslagingen, afspraken en toezeggingen, welke dan ook in nauw verband met elkaar moeten worden bezien en waarbij het uit de weg ruimen van [slachtoffer] - aanvankelijk langs andere weg, doch daarna uitsluitend door het doodschieten met een revolver - steeds op de voorgrond heeft gestaan";
met betrekking tot onderdeel 8:
dat uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen den rechter kon blijken, dat [betrokkene 2] [slachtoffer] met een knuppel heeft geslagen, waaraan was voorafgegaan een afspraak tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , dat laatstgenoemde [slachtoffer] met een knuppel bewusteloos zou slaan;
dat voorts als bewijsmiddel is gebezigd een verklaring van den deskundige Hollman, onder meer inhoudende, dat hij bij het openen van de schedelhuid rechts in de slaapstreek en in de rechterslaapspier een onderhuidse bloeduitstorting heeft aangetroffen en voorts een bloeduitstorting in den hals bij de onderkaak; dat hij het mogelijk acht, dat deze laesies door harde slagen zijn veroorzaakt;
dat het Hof uit deze bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden, dat [betrokkene 2] [slachtoffer] op het hoofd heeft geslagen, terwijl de vraag, of het Hof zulks terecht heeft gedaan, in cassatie niet ter toetse kan worden gebracht;
met betrekking tot de onderdelen 9 en 10:
dat uit de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor den Rechter- Commissaris afgelegde verklaringen kon blijken, dat zij hun oorspronkelijke plan om [slachtoffer] van het leven te beroven niet hebben opgegeven, doch ook naderhand van zins waren dit plan tot uitvoering te brengen, tenzij het hun mocht gelukken een grote som geld machtig te worden door [slachtoffer] bewusteloos te slaan;
dat het Hof de nadere afspraak tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dan ook heeft kunnen opvatten, gelijk door het Hof is overwogen "niet als een opgeven, doch veeleer als een voortzetten van het eerder met verdachten [requirante] en [medeverdachte] beraamde plan, in dier voege, dat uitsluitend dán van het doodschieten van [slachtoffer] zou worden afgezien, indien het zou gelukken op andere wijze (namelijk door bewusteloos slaan) een grote som geld machtig te worden";
dat mitsdien het Hof zowel de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , dat zij na de toezegging van geld door requirante besloten waren samen met den ander [slachtoffer] te vermoorden, als de processen-verbaal, relaterende de door [betrokkene 1] van [betrokkene 2] voor den Rechter-Commissaris afgelegde verklaringen, heeft kunnen bezigen voor het bewijs dat de verdachten het nader omschreven misdrijf hebben uitgelokt;
dat voorts het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat overeenkomstig de gemaakte afspraak de samenwerking tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zo volledig en nauw is geweest, dat zij gezegd kunnen worden te hebben gehandeld ter uitvoering van hun na kalm beraad en rustig overleg te voren genomen besluit en beraamd overleg om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, en dat hieraan niet kan afdoen dat, overeenkomstig de gemaakte afspraak, alleen [betrokkene 1] de dodelijke schoten heeft gelost;
Overwegende ten aanzien van middel VII:
dat uit het ten aanzien van de onderdelen 1 en 7 van het zesde middel overwogene volgt, dat ook dit middel, er blijkens de toelichting van uitgaande, dat het Hof als bewezen heeft aangenomen, dat de daders van den moord bewogen zijn door de gezamenlijke toezegging van het geld door requirante en [medeverdachte] , feitelijken grondslag mist;
Overwegende ten aanzien van middel VIII:
dat ook aan dit middel feitelijken grondslag ontbreekt, zoals blijkt uit den aanhef van het vonnis van de Rechtbank, waarin is vermeld, dat de Rechtbank heeft gezien en gehoord de mededeling van den korten inhoud door den voorzitter van onder meer "een tweetal processen-verbaal van verhoor door de Rechter-Commissaris voor Strafzaken bij deze Rechtbank, resp. d.d. 29 Augustus 1956, houdende het verhoor van [betrokkene 2] , en dd. 30 Augustus 1956, houdende het verhoor van [betrokkene 1] ;"
Overwegende ten aanzien van de middelen IX en XI:
dat ook deze middelen niet tot cassatie kunnen leiden, vermits de rechter, overeenkomstig artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering beraadslagende naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting, niet gebonden is aan den zakelijken inhoud van de verklaringen der getuigen en deskundigen, zoals deze in het proces-verbaal der terechtzitting zijn opgenomen, maar in zijn vonnis den inhoud van die verklaringen zelfstandig vaststelt;
Overwegende ten aanzien van middel X:
dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank de deskundige Berden onder meer heeft verklaard, dat hij in opdracht van den Rechter-Commissaris voor strafzaken bij de Rechtbank een onderzoek heeft ingesteld naar de geestvermogens van verdachten; dat hij de resultaten van zijn onderzoek ten aanzien van ieder der verdachten heeft vastgelegd in een rapport en bij den inhoud van die rapporten geheel volhardt; dat hij voor wat verdachte [requirante] betreft tot de conclusie is gekomen, dat zij ten tijde van de gepleegde feiten, mits bewezen, lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van het type dom-verstand en nymphomane driftpsychologie; dat hij de toerekeningsvatbaarheid bij deze vrouw kan stellen op ongeveer 50%; dat verdachte is een ernstig gestoorde vrouw; dat er is een belangrijke wilsvermindering door de situatie, waarin zij zich bevond, maar dat zij niet wilsonvrij is; dat zij wèl weet wat zij doet, al voorziet zij niet de consequenties als een ander; dat bij het kopen van den revolver haar vrije wil niet afwezig is geweest en dat zij evenmin totaal wilsonvrij was, toen zij de toezegging van de f. 20.000, -- bevestigde;
dat hieruit volgt, dat het Hof, ten aanzien van de aan verdachte [requirante] op te leggen straffen en maatregelen overwegende, gelijk in de toelichting op het middel is aangehaald, daarbij kennelijk heeft gedoeld op het door den deskundige Berden uitgebrachte psychiatrisch rapport, zoals dit door hem ter terechtzitting van de Rechtbank nader is toegelicht, zodat het middel geen doel kan treffen;
Overwegende ten aanzien van middel XII:
dat het Hof, voor wat de aan verdachten op te leggen straffen en maatregelen betreft, heeft overwogen:
"dat de omtrent de verdachten door Dr. Berden - reeds vóór de behandeling in eerste aanleg - uitgebrachte psychiatrische rapporten, voor wat verdachte [requirante] betreft, het oordeel uitspreken, dat deze ten tijde van het misdrijf lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van haar verstandelijke vermogens, van het type dom-verstand en nymphomane driftpsychopathie dat zij is een ernstig gestoorde vrouw, wier toerekeningsvatbaarheid op ongeveer vijftig procent kan worden gesteld; dat zij echter niet als wilsonvrij kan worden beschouwd doch wel weet wat zij doet, al voorziet zij niet de consequenties als een ander; dat bij het kopen van de revolver haar vrije wil niet afwezig is geweest en zulks evenmin toen zij de toezegging van de f. 20.000, -- bevestigde;
en wat verdachte [medeverdachte] betreft, dat de intelligentie- stoornis bij hem overwegend is, met daarnaast een bepaalde aanleg, waardoor sterke egoistische tendenzen naar voren zijn getreden en dat hij ten tijde van het begaan van de telastegelegde feiten als belangrijk verminderd toerekeningsvatbaar is te achten, welk oordeel het Hof, mede gelet op de indruk, welke verdachten bij de behandeling van hun zaak te Zijner terechtzitting hebben gemaakt, tot het Zijne maakt;
dat het Hof mede kan onderschrijven de inhoud van een nader d.d. 4 December 1957 door Dr. K.J.M. van de Loo te Nijmegen omtrent verdachten uitgebracht rapport in hetwelk onder meer de vraag wordt behandeld, of beiden in het licht van hun onderlinge verhouding nog wel over hun eigen wil konden beschikken met betrekking tot de noodlottige gevolgen, die hun verhouding heeft gehad; dat deze vraag door genoemde deskundige ten aanzien van beide verdachten, die zijns inziens bij het gehouden onderzoek blijk hebben gegeven van een zakelijke instelling en van een voldoende realiteitszin buiten de strikte situatie van hun intieme relatie, in bevestigende zin wordt beantwoord;
dat het Hof, mede op grond van de door genoemde twee deskundigen te Zijner terechtzitting gegeven uitvoerige mondelinge toelichtingen, van oordeel is, dat het belang der openbare orde bepaaldelijk vordert, dat beide verdachten na het ondergaan van hun straf ter beschikking van de Regering worden gesteld, zij het dat het Hof termen aanwezig acht, deze maatregel aan verdachte [requirante] voorwaardelijk op te leggen;
wat de straf zelf betreft, dat het Hof, het vorenstaande in aanmerking genomen, de navolgende straffen, gezien de buitengewone ernst van het bewezenverklaarde, in overeenstemming acht met de aard van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze werden begaan;"
dat het Hof, aldus overwegende, naar den eis der wet in zijn uitspraak de bijzondere redenen heeft opgegeven, die de aan requirante opgelegde straf hebben bepaald;
Overwegende ten aanzien van middel XIII:
dat dit in zijn eerste onderdeel gegrond is, zodat het arrest, voor wat de door het Hof aan het bewezenverklaarde toegekende qualificatie betreft, niet in stand kan blijven; dat uit het eerder ten aanzien van de onderdelen 1, 6 en 7 van het zesde middel overwogene volgt, dat het middel in zijn tweede onderdeel feitelijken grondslag mist;
Overwegende ten aanzien van middel XIV:
dat het middel ongegrond is, vermits het bepaalde in artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en evenmin betreft een tot het wezen van het strafproces behorende vorm, waarvan niet-nakoming uit den aard der zaak nietigheid medebrengt;
Overwegende dat, waar alle voorgestelde middelen van cassatie, behoudens middel XIII in zijn eerste onderdeel, vruchteloos zijn voorgedragen, moet worden beslist gelijk hieronder zal geschieden;
Vernietigt het bestreden arrest, doch alleen voorzover daarbij het bewezenverklaarde werd gequalificeerd als "medeplegen van het door beloften en door het verschaffen van middelen opzettelijk uitlokken van moord en van het medeplegen van moord";
Rechtdoende krachtens artikel 105 der Wet op de Rechterlijke Organisatie:
Qualificeert het bewezenverklaarde als "medeplegen beloften en door beloften en door het verschaffen van middelen opzettelijk uitlokken van het medeplegen van moord";
Verwerpt het beroep voor het overige.
Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heren Mrs. van der Meulen, Vice-President, van Berckel, Westerouen van Meeteren, Kazemier en Dubbink, Raden, in bijzijn van den Griffier van Oordt, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den dertienden Mei 1900 acht en vijftig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren, alsmede van den Advocaat-Generaal Loeff, met uitzondering echter van den Raadsheer Westerouen van Meeteren, die verhinderd was geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te ondertekenen.