Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/9.5.1
9.5.1 Interne aansprakelijkheid — Art. 2:9 BW
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS433414:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover hoofdstuk 2, par. 2.2.1.
Zie over behoorlijke taakvervulling op het gebied van risicobeheersing door de raad van commissarissen, Strik preadvies 2009, p. 320.
Zie ook Oostwouder 2009, p. 12, 35.
Zie Stulz 2009, p. 6.
Cools 2006, p. 127, gebruikte deze term voor wijze, onafhankelijke, kritische personen naar wie de CEO luistert.
Cools 2006, p. 62.
Zie ook Marchetti 2005, p. 100, 101, 146-149.
Cools 2006, p. 41-45, 53-55.
Cools 2006, p. 41-45 signaleerde dat bij de door hem onderzochte frauderende bedrijven de CEO's een buitensporige populariteit in het zakenleven en daar buiten hadden.
Zie hierover Crouhy/Galai/Mark 2006, p. 360, 361. Ter illustratie: Fleury 2009, waarin Société Général's rogue trader Kerviel vermeldt dat hij door zijn superieuren wel werd aangesproken als 'cash-machine'.
Zie Aziz 2008. Dit onderzoek is uitgevoerd onder 217 personen werkzaam in het Engelse bedrijfsleven.
Zie Hof 's-Hertogenbosch 30 juni 1993, r.o. 4.17.1 en 4.17.2, kenbaar uit HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482 en HR 21 december 2001, NJ 2000, 96; JOR 2002, 38 (Sobi/Hurks), r.o. 5.4.3 en OK 6 augustus 2009, JOR 2009/254 (ASMI), r.o. 3.11 (vgl. ook 3.1).
Zie Re Westmid Packing Services Ltd [1998] 2 BCLC 646 at 653, [1998] BCC 836 at 842, Re Landhurst Leasing pk [1999] 1 BCLC 286 at 346, Re Queens Moat Houses pk (No 2) [2004] EWHC 1730 (Ch); [2005] 1 BCLC 136 at [26].
Keay 2009, p. 191, 204.
Om te komen tot concrete gedragsnormen op het gebied van risicomanagement meen ik dat het irrelevant is of deze worden ontwikkeld in enquêteprocedures of aansprakelijkheidsprocedures en ik zal beide categorieën in dit onderdeel dan ook door elkaar aanhalen.
Totale afwezigheid van risicobeheersingssystemen leidt onder het recht van Delaware tot aansprakelijkheid. Zie ook Bainbridge 2009b, p. 24-26, met verwijzingen naar relevante jurisprudentie.
OK 16 oktober 2003, JOR 2003/260 (Laurus), r.o. 3.4.
Kenbaar uit HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 10 jo. 14-19.
OK 24 november 2008, JOR 2009/9 (Fortis), r.o. 3.15, 3.10 en 3.2.
Zie ook HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.31.
Zie daarover ook Strik preadvies 2009, p. 218
Zie over risicoaanvaarding bij onrechtmatige daad: Bloembergen 1990, p. 100-147.
HR 10 januari 1997, NJ1997, 360; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.2.1. Zie ook Assink 2007, p. 548.
OK 9 juli 1998, NJ 1998, 882; JOR 1998/112 (Vie d'Or), r.o. 6.1.4. Zie ook hoofdstuk 6, par. 6.4.4.
Zie hierover Rapp 2009, p. 190-194.
Vgl. Assink 2007, p. 525.
Zie onder meer OK 21 januari 2002, JOR 2002/28 (HBG).
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9, p. 20, Handelingen II 29 augustus 1985, 16 631, p. 6337.
Handelingen 1129 augustus 1985, 16 631, p. 6337, Kamerstukken II 1983/84, 16 530, nr. 12, p. 17.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 34.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9, p. 20.
Zie voor een beschrijving van het Ceteco vonnis ook Wouters 2009, p. 179-207.
Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco), r.o. 5.105.
Vgl. hiervoor par. 5.2 over wanneer een bestuurder zou moeten overschakelen van system 1 thinking op system 2 thinking.
HR 6 oktober 1995, NJ 1996, 106 (Baas/Hanford Feeds), r.o. 3.6.
In dezelfde zin Bier 2005, p. 544. Vgl. Assink 2007, p. 519, 554, niet specifiek over systemen, maar over een zorgplicht van het bestuur om er op adequate wijze zorg voor te dragen dat het tijdig van juiste en toereikende informatie wordt voorzien over de gang van zaken binnen de vennootschap.
Strik 2007.
Zie best practice bepaling V.4.3 onder C waarin een aantal onderwerpen ter zake van de werking van de interne risicobeheersings- en controlesystemen wordt benoemd terzake waarvan de accountant issues onder de aandacht van het bestuur en de raad van commissarissen kan brengen.
DNB dient op grond van art. 3:18a lid 1 jo 4 Wft ten minste eenmaal per jaar volgens bij of krachtens AmvB te stellen regels de strategieën, procedures en maatregelen ingevolge art. 2:17 Wft en het toetsingsvermogen van een bank te evalueren, gelet op de omvang en aard van haar huidige en mogelijke toekomstige risico's en past daartoe FIRM toe.
Een positieve beoordeling door de DNB volgens FIRM hoeft overigens niet zonder meer tot een succesvol disculpatieberoep te leiden. De primaire verantwoordelijkheid voor de systemen blijft immers bij het bestuur en de raad van commissarissen rusten.
Zie hiervoor in par. 5.2 waarin wordt gewezen op het verschil in eisen die zouden mogen worden gesteld aan de beheersing van onderscheidende soorten risico's.
Zie ook Marchetti 2005, p. 138-139 en Loader 2002, p. x.
Zie hierover Simons 1995, p. 127-128 en Claassen 2009, p. 222.
Vgl. Loader 2002, p. 52, 64 en Simons 1995, p. 127.
Zie ook Cools 2006, p. 95-117, Stulz 2009, p. 18 en Stulz 2009, p. 6.
OK 10 juni 2008, JOR 2008/229 (ATR), r.o. 3.16.
OK 9 juli 1998, NJ 1998, 882; JOR 1998/112 (Vie d'Or), r.o. 6.3.12.
OK 20 juni 2007, JOR 2007/203 (OKEOC Management/Cordial Beheer), r.o. 3.5.
In dezelfde zin: Bier 2005, p. 544. Zie ook Loader 2002, p. 87.
OK 9 juli 1998, NJ 1998, 882; JOR 1998/112 (Vie d'Or), r.o. 6.4.3.
Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco), r.o. 5.74. Vgl. ook r.o. 5.34, ook ten aanzien van de commissarissen.
Bier 2005, p. 544, refereert aan de integratie-problematiek die zich kan voordoen na een overname.
OK 6 januari 2005, JOR 2005/6 (Ahold), r.o. 3.40.
Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco), r.o. 5.99.
Zie over deze thematiek Mussche 2008 en Strik 2007, p. 332. Zie over reliance onder Engels recht: Keay 2009, p. 200-205, 214, 215.
Kenbaar uit HR 16 maart 2007, NJ 2007, 164 (Ontvanger/R.), r.o. 4.7.1.
Hof Amsterdam 12 juli 2000, JOR 2001/175, r.o. 4.7.
Taleb 2007, p. xvii.
Taleb 2007, p. xvii, xviii.
Taleb 2007, p. xix.
Zie over unknown unknowns ook Beck 2009, p. 127.
Vgl. Stulz 2009, p. 6, 7, die dit sustainable risk management noemt. Zie ook Stulz 2008, p. 14, 23 en Taleb/Goldstein/Spitznagel 2009, p. 79.
Stulz 2009, p. 3-6 refereert aan het over het hoofd zien van resp. 'knowable risks' en 'concealed risks'.
Zie hierover Stulz 2008, p. 12 en Stulz 2009, p. 5-6.
Zie Hubbard 2009, p. 47, 191-195.
Zie bijv. Claes 2008, p. 67-69.
Zie hierover Claes 2008, p. 145.
Zie ook Cools 2006, p. 99.
Leeson 2008.
Vgl. Taleb 2007, p. 19.
Stulz 2009, p. 3.
OECD 2009a, p. 10.
Met het begrip quant wordt in de financiële industrie een analist aangeduid die werkt met en gebruik maakt van wiskundige of statistische methoden. Zie www.spectrum.ieee.org/atwork/tech-careers/the-rise-and-fall-of-the-quants.
Met Greeks wordt een verzameling risicomaatstaven aangeduid die worden gebruikt om gevoeligheid van bepaalde derivaten voor verschillende risicofactoren aan te geven. Zie Crouhy/Galai/Mark 2006, p. 152,153.
In 1997 wonnen Robert Merton en Myron Scholes de Nobelprijs voor de economie. Een jaar later waren zij lid van de board of directors van hedgefonds Long-Term Capital Management, dat in 1998 een verlies leed van meer dan USD 4 miljard. Uit vrees voor een liquiditeitscrisis intervenieerde de Amerikaanse FED met een herstructureringsplan. Zie over deze interventie o.a. Crouchy/Galai/Mark 2006, p. 356-360, Cowen 2008, Stulz 2008, p. 3-7, Rapp 2009, p. 195-204 en Claassen 2009, p. 329,330.
Zie ook Crouhy/Galai/Mark 2006, p. 347.
Zie ook Beck 2009, p. 201.
FitchRatings 2009, p. 4. Uit dit onderzoek, uitgevoerd bij 26 grote banken, kwam naar voren dat het de verwachting was dat producten als Collateralized Debt Obligation ('CDO squared'), Constant Proportion Debt Obligations (CPD05), ABS-CDOs (Asset Backed Securities-Collateralized Debt Obligations) en Credit Default Swaps op gestructureerde producten gaan verdwijnen.
Vgl. ook Claassen 2005, p. 129.
Zie bijv. Claes 2008, p. 54 en Claassen 2009, p. 111-115, 201-205.
Senior Supervisors Group 2008, p. 9.
Mussche 2008, p. 790, 791, stipt deze problematiek aan.
Zie HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven).
HR 8 april 2005, NJ 2006, 443; JOR 2005/119 (Laurus).
HR 8 juni 2001, NJ 2001, 454; JOR 2001/171 (Gilhuis q.q./bestuurders Panmo). Vgl. HR 7 juni 1996, NJ 1996, 695; JOR 1996/69 (OntvangerNan Zoolingen) inz. art. 36 lid 3 Invorderingswet 1990.
Vgl. Stulz 2008, p. 13.
Zie hierover Stulz 2008, p. 8-11.
HR 14 november 1997, NJ 1998, 270; JOR 1998/6 (Henkel Nederland/JMG Promotie), r.o. 3.5.
Hof Amsterdam r.o. 4.8.1, kenbaar uit Conclusie AG bij HR 14 november 1997, NJ 1998, 270; JOR 1998/6 (Henkel Nederland/JMG Promotie), par. 3.5.3.1
Hof Amsterdam r.o. 4.8.1, kenbaar uit Conclusie AG bij HR 14 november 1997, NJ 1998, 270; JOR 1998/6 (Henkel Nederland/JMG Promotie), par. 3.3.2.
Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco), r.o. 5.165.
Rb. Rotterdam 9 mei 2007, JIN 2007/321 (Tamoil), r.o.4.6.
Rb. Amsterdam 21 maart 2007, JOR 2007/113 (Temg q.q./Osbome), r.o. 4.7.
Zie bijv. Lapido/Nestor 2009, p. 48.
Vgl. Assink 2007, p. 550 en 551 die in een andere context wijst op irrationaliteit van bestuurlijk gedrag waarbij het bestuur kiest voor een koers die zich aanwijsbaar kenmerkt door een risico op schade dat niet is afgedekt waarbij de mogelijke omvang van de schade onbekend is of de kwade kans niet afdekt.
Hof r.o. 4.8.1, kenbaar uit Conclusie AG bij HR 14 november 1997, NJ 1998, 270; JOR 1998/6 (Henkel Nederland/JMG Promotie), par. 3.3.2.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6, p. 41.
HR 30 november 2007, JOR 2008/29 (Blue Tomato), r.o. 3.4 en 3.5.
Hof Arnhem 4 november 2008, JOR 2009/99 (Blue Tomato), r.o. 3.9.
Zoals hiervoor in par. 4.1 uiteengezet zijn andere risicoreacties: het vermijden van het risico, het reduceren van de waarschijnlijkheid en/of effecten van het risico, en het accepteren van het risico door terzake geen actie te nemen die de waarschijnlijkheid of effecten van het risico verminderen. Louwman/Steens 1994, p. 13, gaan kort in op insurance management.
Zie hierover ook Claes 2008, p. 265-267.
Zie Harvard Business Review 2009, p. 73.
In zijn conclusie bij HR 4 april 2003, NJ 2003, 538; JOR 2003/134 (Skipper Club Charter), par. 17, geeft AG Huydecoper aan dat hij betwijfelt of het door onachtzaamheid verzuimen een voor de rechtspersoon essentiële verzekering te verlengen, waardoor een grote schade voor rekening van de rechtspersoon blijft, kwalificeert als 'ernstig verwijt'.
Hof Arnhem 4 november 2008, JOR 2009/99 (Blue Tomato), r.o. 3.9.
Zie bijvoorbeeld Volkers 1998.
HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 (Beklamel).
HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295; JOR 2000/56 (New Holland Belgium/Oosterhof), r.o. 3.4.1. Zie ook HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).
Mathias/Neumeier/Burgdoerfer 2000, par. 8.13.
Zie hiervoor par. 9.5.2.
Vgl. ook Assink 2007, p. 550.
OK 10 juni 2008, JOR 2008/229 (ATR), r.o. 3.9.
De beschikking van de Ondernemingskamer is op formele punten vernietigd door de Hoge Raad in HR 8 april 2005, NJ 2006, 443; JOR 2005/119 (Laurus). Desondanks bevat deze beschikking interessante overwegingen over risicobeheersing.
HR 8 april 2005, NJ2006, 443; JOR 2005/119 (Laurus), r.o. 3.8, zie ook 3.9.
HR 8 april 2005, NJ2006, 443; JOR 2005/119 (Laurus), r.o. 3.4.
Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco), r.o. 5.52, 5.54, 5.55.
Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco), r.o. 5.96.
Handelingen II 29 augustus 1985, 16 631, p. 6337.
HR 8 april 2005, NJ 2006, 443; JOR 2005/119 (Laurus), r.o. 3.9.
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 17.
In dezelfde zin: Assink 2007, p. 519.
Zie ook Van den Bosch/Jennen 2008, p. 23, Wakkie 2009, p. 118, 119, Jennen/Biemond 2008, p. 57-59, Van der Staay 2008, p. 254, 255.
Vgl. Hof Den Haag 15 oktober 1998, JM 1999/87, r.o. 6.5 (Maxalloys), waaruit volgt dat het persoonlijk ernstig verwijtbaar is indien bestuurders wisten of verwijtbaar behoorden te weten dat door de bedrijfsvoering bodemverontreiniging zou onstaan, zij hebben nagelaten dat te onderzoeken, en evenmin maatregelen hebben genomen om de bedrijfsvoering stil te zetten of te wijzigen. Zie ook Rb. Groningen 10 november 1989, Men R 1990/16 (De Staat/ Aagrunol), r.o. 10.
De Valk 2009, p. 147, verdedigt dat op een bestuurder, die een vermoeden van door ondergeschikten gepleegde fraude heeft, een onderzoeksplicht rust die bij niet-nakoming leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad.
Vgl. ook De Valk 2009, p. 253 die een onderzoeksplicht aanneemt in geval van signalen van financiële onregelmatigheden.
Zie ook Ramos 2006, p. 257, 258.
Zie ook De Valk 2009, p. 155.
Zie ook De Valk 2009, p. 155.
Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco), r.o. 5.34.
HR 29 november 2002, NJ 2003, 455JOR 2003/3 (Schwandt/Berghuizer Papierfabriek), r.o. 3.4.5 en HR 20 juni 2008, NJ2009, 21; JOR 2008/260 (NOM/Willemsen), r.o. 5.4. Vgl. ook HR 10 januari 1997, NJ 1997/360; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.3.1, waarbij ook voor het bestuur geldende richtlijnen als relevante omstandigheid voor het ernstig verwijt-oordeel worden vermeld.
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.3.1.
OK 21 juni 1979, NJ1980, 71 (Batco Nederland), r.o. 6. Zie hierover Boukema 1979, p. 244 en 245.
Nederlandse Corporate Govemance Code 2008, p. 39.
OECD 2009b, p. 37, Anderson 2009, p. 3 en 14, Claassen 2009, p. 20. In dezelfde zin Monahan 2008, p. 119, De Groot/Koolstra 2006, p. 394 en ook De Jong 2005a, p. 218.
Zie ook Claassen 2009, p. 20.
Zie IFF-rapport, p. 34: 'Keep risk exposure within limits, and follow policies where limits are breached or where the criteria under which conditional product approvals were granted no longer hold.'
Zie OK 6 januari 2005, JOR 2005/6 (Ahold). Hierover De Valk 2009, p. 429.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 6.
Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco), r.o. 5.58.
HR 8 april 2005, NJ 2006, 443; JOR 2005/119 (Laurus), r.o. 3.4.
Zie ook r.o. 5.97 en vgl. r.o. 5.49 over afwijkingen van een manual.
HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (Ogem), r.o. 3.9.
Zie Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme 2-11* 2009, p. 611.
Handelingen II 29 augustus 1985, 16 631, p. 6337, Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 6, p. 8.
Zie ook Assink 2007, p. 520, 522, 523 en Asser/Maeij er/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* 2009, p. 612.
Zie hiervoor hoofdstuk 7.
Zie de MvT bij wetsvoorstel 29 737, nr 3 p. 24. Er dient een evenwichtige en volledige analyse te worden gegeven, waarbij aandacht dient te worden geschonken aan de resultaten en de positie van de vennootschap, maar ook aan niet-financiële essentiële prestatieindicatoren, zoals milieu- en personeelsaangelegenheden.
Daaronder worden zowel financiële verslaggevings- als operationele/strategische en wet- en regelgevings-risico's begrepen. Zie Nederlandse Corporate Governance Code 2008, p. 93.
N1VRA 2007, p. 15 geeft aanbevelingen voor de inhoud van de 'in control'-verklaring.
Zie Van Manen/De Groot 2009, p. 101, 103. Zij pleiten voor het opstellen van generally accepted risk management accounting principles.
Vgl. Strik 2007, p. 185.
In deze zin ook Annink 2004, p. 62.
Zie Van Beurden 2004, p. 164 en Heidema 2007, p. 55.
Zie Timmerman 1988, p. 344 en Timmerman 2003, p. 560.
In deze zin ook Timmerman 2009, p. 11, die spreekt over de 'gemiddeld bekwame bestuurder'.
Vgl. ook Stulz 2008, p. 16 en Stulz 2009, p. 3.
Art. 2:9 BW bepaalt dat elke functionaris tegenover de rechtspersoon gehouden is de hem opgedragen taak behoorlijk te vervullen. Wanneer het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer functionarissen behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem is te wijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor aansprakelijkheid ingevolge art. 2:9 BW vereist dat er sprake is van een ernstig verwijt.1
Ik beperk mij in deze paragraaf gemakshalve tot situaties waarin er een meerhoofdig orgaan is. In deze paragraaf zal ik ingaan op specifieke gedragsnormen voor het bestuur als collectief ten aanzien van risicobeheersing. De mogelijkheid van individuele leden van dit orgaan om zich te disculperen voor een tekortkoming in de collectieve taakvervulling terzake wordt later behandeld, in pat 9.7.
9.5.2 Behoorlijke taakvervulling2
Bij risicobeheersing kan globaal een onderscheid worden gemaakt tussen twee belangrijke componenten. In de eerste plaats de risicobeheersingsprocessen: de modellen, procedures en richtlijnen. In de tweede plaats de "softe component" de menselijke factor. Als het gaat om risicostrategie en toezicht op de risicobeheersing binnen de onderneming, is de human factor een hele belangrijke component. Risicobeheersing is een gebied met veel principes en open normen, die per definitie niet rule based zijn. Ethische principes vormen immers geen gesloten systeem. Anders dan op de financiële administratie van een onderneming, kan er geen afvinkmentaliteit op worden losgelaten. In de praktijk blijkt het wezenlijk verschil uit te maken of er binnen een onderneming een afvinkmentaliteit heerst, of dat er meer sprake is van een transparante cultuur.3 In een dergelijke transparante cultuur wordt geaccepteerd dat er beperkingen zijn aan risicobeheersing4 en bevorderd dat de juiste kritische vragen worden gesteld door "filo soof-koningen"5 en anderen binnen de onderneming in het proces van risico-identificatie, -analyse en het schattingsproces, buiten de gebaande paden van de modellen om. Daarbij kunnen eventueel ook externe deskundigen worden geraadpleegd om de openheid van het proces te vergroten. Cools wees er in dit verband op dat goed ondernemingsbestuur gaat om geïnternaliseerd integer gedrag, over transparant verantwoording afleggen over resultaten en risico's als tweede natuur, en niet over het naleven van regeltjes. 6 De hiervoor in par. 8.3.7 genoemde tone at the top is één van de belangrijkste drijvende factoren op dit gebied.7
Veelgenoemd is in dit verband de negatieve invloed die uitgaat van (over) dominant gedrag van bepaalde CEO 's, die geen tegenspraak dulden — wel getypeerd door Cools als zonnekoningengedrag.8 In de praktijk blijkt dit wel een belangrijke factor te zijn bij debacles.9 Overigens zijn niet alleen CEO's vatbaar voor het zonnekoningensyndroom. De vraag kan gesteld worden in hoeverre de top performers in de machowereld van de investment bankers en handelaren kritische vragen over risico's en de analyse daarvan toelieten.10 Zo concludeerde Aziz consultants: "In the research examining business views on the causes of the financial meltdown, 89 per cent of executives agree that a culture which `encouraged and rewarded the taking of excessive risk' contributed to the current financial crisis, while 83 per cent believe that the failure to understand the risk that many financial institutions were running was fuelled by the "macho" culture of many City farms. According to the research, nearly three-quarters (74 per cent) believe that in the recent boom, any senior executive advocating caution would be regarded as wimpish' or lacking in competitive drive."11 Gecombineerd met de hierna te bespreken in onderzoeken wel gesignaleerde vaktechnische kennisachterstand van sommige bestuurders ten opzichte van deze top performers, is dat een gevaarlijke mix.
Op zichzelf is dergelijk, vanuit governance perspectief onwenselijk, gedrag geen zelfstandige grond voor aansprakelijkheid. In rechtszaken over wanbeleid wordt een dominante positie van een bestuurder soms wel als gesignaleerde omstandigheid benoemd.12 Maar vanuit aansprakelijkheidsperspectief bezien lijkt dit een moeilijk grijpbaar verschijnsel. Een rechter zal derhalve in een zaak waarin mogelijk sprake is van een verkeerde tone at the top zoeken naar duidelijkere aanknopingspunten, die overigens onder omstandigheden wel weer symptomen kunnen zijn van het zonnekoningensyndroom.
In de Engelse jurisprudentie is overigens uitgemaakt dat een goede uitoefening van de taak door directors vergt dat zij niet toestaan dat één of meer andere directors hen domineren.13 Zie in deze zin ook Rb. Almelo 13 mei 1998, VN 1998/32.26 to. 8. Het overlaten van verantwoordelijkheid aan dominante collega's van bepaalde zaken bergt het gevaar van aansprakelijkheid in zich, met name indien die collega's weigeren te voldoen aan informatieverzoeken en niet dulden dat zij ter verantwoording worden geroepen.14
In de jurisprudentie zijn verschillende onderdelen van risicobeheersing aan de orde geweest, ook al is die problematiek niet altijd expliciet als zodanig benoemd. In die zaken ging het veeleer om beslissingen in specifieke zaken, zonder dat daar een eenduidige lijn werd uitgezet. Hierna zal worden gefocust op de meest in het oog springende punten voor het bestuur als het gaat om risico's en de beheersing daarvan, die ieder een rol kunnen spelen bij de beoordeling of er sprake is van onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur. Ik heb een lijst samengesteld van 13 punten, die nauw aansluiten bij de hiervoor besproken, in de bedrijfskunde ontwikkelde, componenten van risicobeheersing. Aan de hand van de beschikbare Nederlandse jurisprudentie zullen deze onderdelen worden geïllustreerd en bezien wat terzake de gedragsnorm is voor behoorlijk bestuur.15 Het gaat om de volgende 13 punten:
Bestuur kiest voor te risicovol beleid;
Bestuur neemt beslissing zonder onderzoek naar mogelijke risico's;
3) Vennootschap beschikt niet over systemen van risicobeheersing en interne controle of bestuur neemt belangrijke beslissing zonder over systemen te beschikken die daarop zijn berekend;16
Mogelijke risico's worden wel onderzocht, maar het gewraakte risico wordt niet geconstateerd of onvoldoende materieel geacht;
Keuze voor inadequate risicoreactie;
Er worden geen criteria en richtlijnen opgesteld voor de beheersing van geconstateerde risico's;
Er vindt geen periodieke beoordeling plaats van de feitelijke exposure aan het risico ten opzichte van de gestelde criteria;
Er is geen contingency plan;
9) Er wordt niet doorgevraagd over, of geen onderzoek ingesteld naar, vermoede incidenten;
10)Er vindt geen correctie plaats in geval van overschrijding van gestelde criteria en richtlijnen;
11) In geval van overschrijding van gestelde criteria en richtlijnen worden deze
genegeerd of omgebogen zonder nader onderzoek en beleidsafweging; 12)Het nalaten mede-bestuurders te informeren over mogelijke incidenten en
material weaknesses in systemen van risicobeheersing en interne controle; 13)Het doen van misleidende publieke mededelingen over risicobeheersing.
Opgemerkt zij nog dat in de praktijk een risicobeheersingsfout zelden alleen komt. Meestal is er sprake van een verzameling fouten en gebeurtenissen die ertoe leiden dat er een bepaald verlies ontstaat. Uiteindelijk zullen rechters deze fouten en omstandigheden in onderlinge samenhang betrekken in hun beoordeling.
1) Bestuur kiest voor te risicovol beleid
De keuze voor een risicovol beleid op zich — mits goed geïnformeerd en gedocumenteerd — is op zichzelf geen onbehoorlijke taakvervulling. Een dergelijke beleidskeuze is een beoordeling waarbij het bestuur een grote mate van (ondernemers)beleidsvrijheid heeft.
Een voorbeeld is de Lauruszaak. Zoals hierna zal worden besproken had de Ondernemingskamer in die kwestie weliswaar zware kritiek op de implementatie van de zgn. "Operatie Groenland", maar niet op de keuze voor die (risicovolle) strategie. Over de strategie werd geoordeeld dat deze in beginsel verantwoord was en dat het businessplan in beginsel op zichzelf niet onhaalbaar was.17
Dat er een bepaalde beleidsvrijheid is, maakt niet dat er volledige vrijheid is voor het bestuur. Ook ten aanzien van de strategiekeuze kan een rechter oordelen dat er sprake is van een ernstig verwijt, zij het dat voor het aansprakelijkheidsoordeel een hoge drempel aangelegd dient te worden.
Een voorbeeld is de Staleman/Van de Ven-zaak, waarin het Hof oordeelde dat het gevoerde beleid een ernstig verwijt in de zin van art. 2:9 BW opleverde.18 Zo meende het Hof dat het niet van goed koopmanschap getuigde indien langlopende verbintenissen met een vast, vrij laag rentepercentage worden afgedekt door korte of middellange kredieten met variabele en hogere rente en er werd gesproken over "windhandel", nu het ene gat met het andere gat werd gedicht.
In de Fortis-enquête speelt de vraag of de aankoop van (een belang in) ABN Amro voor Fortis te risicovol was, gezien de benodigde financiering. Dit wordt thans door de enquêteurs onderzocht.19
Naar mijn mening zullen in dit verband onder meer de aard van de onderneming, het doel van de vennootschap, de aard van de activiteiten van de onderneming, statuten en overige interne richtlijnen, en niet in de laatste plaats de (gecommuniceerde) risk appetite van belang zijn.20
Een preliminaire vraag ten aanzien van de risk appetite is of er grenzen zijn aan de keuze voor een risk appetite. Binnen de grenzen van wat geoorloofd is op basis van wet- en regelgeving, statuten en overige interne richtlijnen, is het bestuur in principe vrij om de risk appetite te bepalen. Zo zou een risk appetite geen uitdrukking mogen zijn van strafbare feiten, gedrag dat onrechtmatig is jegens derden of in strijd is met voor dat type onderneming geldende eisen, zoals solvabiliteitseisen die in wet- en regelgeving worden gesteld voor banken. Voor het overige is het bestuur daar vrij in; een bestuur kan dus voor een grote risk appetite kiezen.
De risk appetite kan binnen het geheel van relevante omstandigheden als één van de toetsstenen dienen voor de beoordeling van bestuurlijk gedrag; deze kan immers gezien worden als de grondslag van het risicobeheersingssysteem. In pat 8.3.2 is als voorbeeld aangehaald het verschil in risk appetite van een hedgefonds en een pensioenfonds. In het licht van de toepasselijke risk appetite van die fondsen kan een bepaalde agressieve beleggingsstrategie voor het hedgefonds binnen de risk appetite vallen, terwijl dit voor het pensioenfonds daarbuiten valt. Dat kan aanleiding zijn om te oordelen dat de keuze voor die beleggingsstrategie door het bestuur van het pensioenfonds onbehoorlijke taakvervulling is.
Gezien de gesignaleerde voorkeur van rechters om te toetsen aan concrete bij voorkeur kwantificeerbare — interne richtlijnen, verdient het formuleren van de risk appetite bijzondere aandacht. Nu de risk appetite een rol kan spelen bij de beoordeling van de behoorlijkheid van de taakvervulling van het bestuur, is het van belang dat de risk appetite uiting geeft van een verantwoorde, realistische risicobereidheid, die past bij de feitelijke situatie van en mogelijkheden binnen de onderneming, in plaats van dat deze een puur aspirationeel doel aangeeft. Het gaat om een risk appetite die de onderneming kan waarmaken, niet om het formuleren van ambities van het bestuur. Een belangrijk aandachtspunt zal derhalve zijn of de risk appetite verantwoord is in de zin dat deze daadwerkelijk in overeenstemming is met de mogelijkheden van de onderneming, en niet slechts met de perceptie die het bestuur daarvan heeft.
Dit kan duidelijk worden geïllustreerd aan de hand van een risk appetite die is geformuleerd als het aantal werknemers dat jaarlijks verwondingen oploopt tijdens het arbeidsproces. Indien er per jaar gemiddeld 100 werknemers gewond raken, dan is de formulering van een risk appetite van 5 gewonde werknemers per jaar bij gelijkblijvende veiligheidsmaatregelen puur aspirationeel — niet realistisch. Een verantwoorde formulering van de risk appetite vergt dat deze zijn grondslag vindt in de realiteit.
Wanneer de risk appetite publiekelijk wordt gecommuniceerd kan deze ook een bepaalde mate van derdenwerking hebben. Dit schetst het dilemma dat als een bedrijf een risk appetite formuleert en communiceert, het bedrijf — en zijn bestuurders — daarop afgerekend kan worden. Voorzichtigheid is daarbij derhalve geboden.21 De positieve keerzijde daarvan is dat gezegd kan worden dat er bij derden die handelen met de onderneming of bij toetredende aandeelhouders die bekend zijn met de risk appetite van die onderneming ten aanzien van bepaalde activiteiten, sprake is van risicoaanvaarding terzake. In dat geval zou dat een rechtvaardigingsgrond zijn die de onbehoorlijkheid of onrechtmatigheid van het gedrag van de bestuurders wegneemt.22
Voor zover er geen expliciete risk appetite is geformuleerd, kan het globale risicoprofiel mogelijk ook worden afgeleid van de aard van de onderneming en clientèle. In het Staleman/Van de Ven-arrest werden de aard van de door de vennootschap uitgeoefende activiteiten en de daaruit voortvloeiende risico's genoemd als relevante omstandigheden voor de vaststelling van een ernstig verwijt.23
Illustratief is in dit verband de overweging van de Ondernemingskamer in de beschikking waarin zij tot wanbeleid oordeelde bij Vie d'Or24, en daarbij een zwaar accent legde op het feit, dat het ging om een verzekeringsmaatschappij met in hoofdzaak particulieren als cliënten waarvan een deel bovendien verzekeringen had afgesloten met het oog op hun oudedagsvoorziening.
Het kan echter een lastige taak zijn om op deze manier het risicoprofiel van een onderneming af te leiden. Neem bijvoorbeeld KPN. Bij de privatisering werd KPN gepositioneerd als een solide, stabiel bedrijf — een volksaandeel. Door een reeks overnames wijzigde het risicoprofiel echter. Uiteindelijk ontsnapte het bedrijf ternauwernood aan een faillissement. Of Enron, dat zich van een low profile nutsbedrijf tot het grootste handelshuis in energie(derivaten) op de Amerikaanse markt ontwikkelde.25 Het risicoprofiel van een onderneming kan wijziging ondergaan, zonder dat dit expliciet wordt medegedeeld aan de markt.
2) Bestuur neemt beslissing zonder onderzoek naar mogelijke risico's
Hiervoor is weergegeven dat voor rechters een belangrijke toets is of de besluitvorming rond belangrijke onderwerpen afdoende zorgvuldig is verlopen. Daaronder wordt onder meer begrepen of bestuurders zich afdoende hebben laten informeren en desnoods verder onderzoek hebben ingesteld ter voorbereiding van de besluitvorming. Wanneer de keuze van het bestuur over een strategie of andere materiële kwestie is genomen zonder enig of adequaat onderzoek naar mogelijke risico's en de waarschijnlijkheid en effecten daarvan, kan onder omstandigheden sprake zijn van bewust roekeloos handelen.26 Een en ander zal afhangen van omstandigheden als het belang van de genomen beslissing, of er reeds ervaring of routine was met soortgelijke beslissingen binnen het bestuur, de aard en waarneembaarheid van de gelopen risico's en de tijdspanne waarin de beslissing genomen moest worden. Zie over proceszorgvuldigheid bij besluitvorming ook hiervoor pat 9.2.
De mate van geïnformeerdheid en de in acht genomen afgewogenheid bij het nemen van belangrijke bestuursbeslissingen wordt in de jurisprudentie in allerlei contexten — zoals bij de keuze voor een strategie of het doen van een overname — relevant geacht.27 Illustratief zijn in dit verband ook de voorbeelden van onbehoorlijk bestuur die in de wetsgeschiedenis van de Tweede en Derde Misbruikwetgeving worden aangehaald: het zich niet tevoren vergewissen van de (financiële) betrouwbaarheid van contractspartners,28 het zich in belangrijke transacties niet voorzien van voldoende deskundige voorlichting en bijstand,29 het nemen van beslissingen met vergaande financiële consequenties zonder behoorlijke voorbereiding30 en risico-analyse31 en het onvoldoende verifiëren van voor het welslagen van transacties wezenlijke voorwaarden.32
Bij gebreke van een geïnformeerde voorbereiding kan het zo zijn dat de waarschijnlijk- of mogelijkheid wordt aanvaard dat schade wordt veroorzaakt door het handelen, doordat bepaalde voor de hand liggende risico's zich zullen verwezenlijken en een grote financiële impact kunnen hebben.
De Rechtbank Utrecht nam aan dat een dergelijke situatie zich voordeed in de Ceteco-zaak 33
"Er is in deze zaak dan ook geen sprake van een beleidskeuze op basis van een verkeerde inschatting van ondernemingsrisico's, maar van een beleidskeuze waarbij in het geheel geen acht is geslagen op de daaraan voor de organisatie verbonden risico's. Hiermee is aan de bestuurders een voldoende ernstig verwijt te maken en hebben zij hun taak jegens Ceteco N.Y. kennelijk onbehoorlijk vervuld.34 (onderstr. toegev.)
Een nader onderzoek is overigens niet altijd vereist. De vereisten die aan het instellen van een onderzoek en de omvang van een eventueel onderzoek mogen worden verlangd zullen ook afhangen van de omstandigheden van het geval.35
Vgl. ook het arrest van de Hoge Raad inz. Baas/Hanford Feeds, over een zaak waarin een bestuurder was aangesproken door een crediteur van de vennootschap op grond van onrechtmatige daad in verband met handel van met een giftige stof vervuilde grondstof voor veevoeder.36 Uit dit arrest is af te leiden dat het nalaten van een nader onderzoek niet onder alle omstandigheden als verwijtbaar kan worden aangemerkt.
3) Vennootschap beschikt niet over systemen van risicobeheersing en interne controle of bestuur neemt belangrijke beslissing zonder over systemen te beschikken die daarop zijn berekend
Als risicobeheersingssystemen afwezig zijn bij een beursgenoteerde onderneming, dan is een fundamentele best practice bepaling 11.1.3 en — in geval van banken zijn de voorschriften van art. 20 Bpr — geschonden. In het algemeen kan de algehele afwezigheid van — of aanwezigheid van gebrekkige — risico-beheersingssystemen (daaronder begrepen interne controlesystemen) leiden tot de conclusie dat er sprake is van onbehoorlijke taakvervulling.37Uiteraard zal alleen wanneer vervolgens een bepaald niet (effectief) beheerst risico zich realiseert, de aansprakelijkheidsvraag aan de orde komen; alleen dan wordt er schade geleden.38
Als uitgangspunt kan gelden dat ook vennootschappen waarop de Nederlandse Corporate Governance Code 2008 niet van toepassing is, een vorm van risicobeheersing dienen in te stellen.
De afwezigheid van een (adequaat) risicobeheersingssysteem is de meest verstrekkende systeemfout. Bij de beoordeling over verantwoordelijkheid voor een systeemfout dient eerst te worden vastgesteld welke fout er in het systeem zit en op welk niveau binnen de onderneming. Vervolgens dient te worden bezien of de bestuurder bekend was met de systeemfout. Aanwijzingen voor bekendheid daarmee kunnen vormen een management letter van de accountant waarin bepaalde oordelen ter zake van het risicobeheersingssysteem worden vermeld,39 of de door DNB gegeven kwalificatie van "weakness" volgens de door haar gehanteerde risico-analyse methode Financial Institutions Risk analysis Method ("FIRM’’).40’41
Wanneer dat het geval was, dient te worden onderzocht welke beslissing de bestuurder heeft genomen op basis van die kennis, waarbij ook nog sprake kan zijn van een beoordelingsfout.
De vereisten die per onderneming aan een dergelijk systeem mogen worden gesteld zullen afhangen van de aard, omvang, complexiteit en levensfase van de onderneming, gebruiken binnen de branche en de aard van de gelopen risico 'S.42 Kleine ondernemingen hebben veel van de voor grote ondernemingen benodigde onderdelen van controlesystemen niet nodig.43 Bovendien kan het nut van bepaalde controlesystemen afhankelijk zijn van de levensfase van de onderneming 44 Het bestuur van een kleinere start-up onderneming heeft vaak betere en uit eerste hand kennis van wat er op de "werkvloer" gebeurt, zonder dat daarvoor formele rapportagestructuren nodig zijn. Maar zelfs van vrij eenvoudige, kleine ondernemingen kan verwacht worden dat er bijvoorbeeld een beperking aan procuraties wordt gesteld en verkoop-, betalings- en controleactiviteiten gescheiden worden.45 Ook dat is een (simpele) vorm van risicobeheersing.
Het bestuur kan ter zake van de opzet en de mate van gedetailleerdheid van het systeem een belangenafweging maken. Een belangrijke afweging zal daarbij de kosten/baten-analyse zijn en het effect van het instellen van een systeem op de innovatieve kracht binnen de onderneming doordat het de flexibiliteit van werknemers beperkt.46 Nu het hier gaat om een beslissing in de categorie beoordelingen, heeft het bestuur terzake een zekere beleidsvrijheid. Van belang is dat ook deze beslissing zorgvuldig wordt voorbereid.
Wanneer de bestuurder geen specifieke kennis had van de systeemfout, dient te worden beoordeeld of de bestuurder bekend behoorde te zijn met de systeemfout; of de systeemfout aan hem kan worden toegerekend, ondanks de afwezigheid van kennis daarvan. Waren er waarschuwingssignalen bekend aan de bestuurder dat het systeem niet effectief was? Te denken valt aan incidenten die zich hebben voorgedaan binnen de onderneming waarbij het bestuur voor verrassingen kwam te staan omdat de waarschijnlijkheid en effecten van bepaalde risico's onvoldoende waren onderkend, waaruit was af te leiden dat de gehanteerde risico-analyse-modellen niet adequaat waren.
Indien de bestuurder noch beschikte, noch behoorde te beschikken over kennis over de systeemfout, is er geen sprake van een toerekenbare onbehoorlijke taakvervulling.
Er zijn talrijke uitspraken die handelen over de afwezigheid van boekhouding of de aanwezigheid van materiële tekortkomingen daarin. Dat is een onderdeel van het financiële risicobeheersingsproces.
Een voorbeeld hiervan is de ATR-zaak, waarin de Ondernemingskamer oordeelde dat er sprake was van wanbeleid, ook al bevonden de geconstateerde tekortkomingen zich uitsluitend [...] op het organisatorisch formele vlak.47
Een ander voorbeeld is de Vie d'Or-zaak, waarin de Ondernemingskamer oordeelde dat de administratieve organisatie en interne controle van Vie d'Or niet voldeden aan de daaraan te stellen eisen, waardoor de rechten en verplichtingen onvolledig of te laat werden vastgelegd en het inzicht in de vermogenspositie en de resultaten werd vertroebeld.48
Overigens is niet iedere vorm van gebrekkige interne systemen aanleiding om daaraan de conclusie wanbeleid te verbinden, getuige bijvoorbeeld de overwegingen van de Ondernemingskamer in de CBR-enquêteprocedure: "Gelet op de aard en de omvang van de tekortkomingen alsmede gelet op de wijze waarop het bestuur van CBR de in 2003 gebleken problemen het hoofd heeft geboden (en nog afgezien van het feit dat de geconstateerde tekortkomingen buiten de thans aan de orde zijnde periode van onderzoek liggen), is in de gang van zaken op dit vlak geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat bij CBR sprake is geweest van wanbeleid."49
Ten aanzien van de kwaliteit en werking van die systemen past een actieve en alerte opstelling van het bestuur, waarbij die systemen dienen te worden aangepast als de organisatie groeit of anderszins wijzigingen ondergaat.50 In dit verband strekt het tot aanbeveling om periodiek de werking en de opzet van systemen van risicobeheersing en interne controle te onderzoeken en externe deskundigen, zoals accountants of risicobeheersingsconsultants, dit te laten beoordelen. In een situatie van groei van de organisatie past extra alertheid: organische groei van een organisatie kan ertoe leiden dat de aanwezige systemen niet meer voldoen gezien de vergrote of meer gediversifiseerde schaal van de activiteiten.
Dit speelde in Vie d'Or:
"Vie d'Or koos voor scherpe premies en zeer hoge provisies om snel in de markt te kunnen doordringen. Zij had daarmee veel succes. Zij was echter niet opgewassen tegen de daarmee veroorzaakte structurele verliessituatie. Bovendien had zij haar administratie niet op het beoogde succes en de daarmee samenhangende groei afgestemd."51 (onderstr. toegev.)
Daarnaast vergt de situatie waarin de vennootschap op overnamepad is bijzondere aandacht. Allereerst gaat het dan om de kwaliteit van de eigen systemen van de vennootschap — heeft het bestuur onderzocht of die systemen wel een acquisitie aankunnen?
In de Ceteco-zaak speelde specifiek dat er sprake was van zodanig ernstige systeemfouten dat de interne systemen niet op orde waren, terwijl vervolgens een expansiestrategie werd gevolgd:
"De rechtbank overweegt dat zij het de bestuurders en commissarissen niet verwijt dat er problemen bestonden op het gebied van de AO/IC en IT. In deze zaak gaat het om de beantwoording van de vraag of de staat van de AO/IC en IT, bezien in samenhang met alle andere relevante omstandigheden, voor een redelijk handelend bestuurder of toezichthouder aanleiding behoorde te zijn een nader onderzoek in te stellen naar de vraag of het ambitieuze expansiebeleid kon worden voortgezet. Voor de beantwoording van deze vraag gaat het met name om de feitelijke staat waarin de AO/IC en IT verkeerde en die voor bestuurders en commissarissen kenbaar was althans behoorde te zijn. Daarbij is in mindere mate van belang of de accountants een goedkeurende verklaring hebben afgegeven."52
In de tweede plaats gaat het om de kwaliteit van de systemen bij de targetvennootschap. Wat is de kwaliteit van de systemen, in hoeverre kan de in het kader van het due diligence onderzoek over de targetvennootschap verkregen informatie als betrouwbaar worden beschouwd in het licht van die kwaliteit?
Ten slotte is ook een belangrijk aandachtspunt de wijze waarop de systemen van de targetvennootschap en de overnemende vennootschap na de overname mogelijk geïntegreerd en op elkaar afgestemd kunnen worden.53 Hoewel in zo'n situatie niet meteen wordt verwacht dat de onderneming direct na de verwerving in full control is, is er wel een bepaalde ondergrens.
Een dergelijke situatie was aan de orde bij Ahold, in het licht van haar expansiestrategie: "Een zodanige (explosieve) groei vereist maatregelen die een goed beheer door de moedervennootschap van de nieuw verworven ondernemingen waarborgen. Het gaat dan met name ook om de wijze waarop het management van de werkmaatschappijen aan de moedervennootschap rapporteert over de inrichting en de werking van de interne controle binnen hun onderscheiden ondernemingen. [...]Dat door Ahold (tijdig) maatregelen zijn getroffen als hiervoor bedoeld heeft de Ondernemingskamer uit de stellingen van Ahold noch de door haar overgelegde stukken kunnen opmaken. [...J Naar het oordeel van de Ondernemingskamer maakte een en ander dat er gegronde redenen waren te twijfelen aan een juist beleid van Ahold op het vlak van het toezicht op haar werkmaatschappijen, voorzover betrekking hebbend op de inrichting en de werking van de interne controle van de werkmaatschappijen en de rapportering daarover aan Ahold. [...]54 (onderstr. toegev.)
Dit kwam ook aan de orde in de Ceteco-zaak:
"[...] [er] kan [...J echter geen twijfel over bestaan dat iedere redelijk denkend bestuurder van een internationaal opererende beursgenoteerde onderneming in de gegeven omstandigheden medio 1997 een onderzoek had behoren in te stellen naar de vraag of de omvang van de organisatie nog wel in overeenstemming was met de kwaliteit van de onderliggende processen. Hieruit volgt dat een redelijk denkend bestuurder in ieder geval in augustus 1997 wist of had behoren te weten dat de omvang van de onderneming te groot was geworden ten opzichte van de kwaliteit van de onderliggende processen en daarmee feitelijk onbestuurbaar was geworden. [...]„55 (onderstr. toegev.)
Relevant is nog de vraag in hoeverre bestuurders zich voor de werking van risicobeheersings- en interne controle-systemen mogen verlaten op werknemers en adviseurs.56
In de zaak Ontvanger/R. overwoog het hof dat voorzover de bestuurder zich erop beriep dat hij zich in verband met zijn onwetendheid over administratieve zaken volkomen heeft verlaten op adviseurs, die zijn vertrouwen hebben beschaamd, gold dat hij in beginsel als bestuurder verantwoordelijk is voor de keuze van deze adviseurs.57 Deze overweging is niet getoetst in cassatie.
Vgl. ook Hof Amsterdam inz. Barbertje/Laane58, dat overwoog dat bestuurders aansprakelijk zijn voor handelen van een gevolmachtigde voor het namens de vennootschap afsluiten van een onbetaald gebleven verplichting:
"a). indien zij op de hoogte waren of behoorden te zijn van de bestellingen bij DM, zonder dat er voldoende uitzicht bestond dat V&M de facturen zou kunnen voldoen, of
b). indien zij de omvang van de bestellingen niet kenden maar zij Blesing en Slootheer de gelegenheid hebben gegeven deze bestellingen namens V&M bij DM te doen, zonder dat daarop het toezicht werd gehouden dat minimaal van een bestuurder kan worden verlangd met de daarbij toe te passen controle- en correctiemaatregelen."
4) Mogelijke risico's worden wel onderzocht, maar het gewraakte risico wordt niet geconstateerd of onvoldoende materieel geacht
In deze categorie valt een aantal verschillende fouten. Het kan allereerst gaan om een gebeurtenis waarvan op basis van historische informatie niemand het voor mogelijk had gehouden dat deze zich zou voordoen; onbekende risico's, ook wel black swans genoemd. Deze term vindt zijn herkomst in het verschijnsel dat in het 17' eeuwse Europa algemeen werd aangenomen dat alle zwanen wit waren. Totdat in de 18e eeuw een zwarte zwaan werd ontdekt in Australië....59 In zijn bestseller "The Black Swan" omschrijft Taleb een black swan als een moeilijk te voorspellen, zeldzame gebeurtenis met extreem grote effecten, die buiten het normale verwachtingskader valt.60 Voorbeelden van black swans zijn de aanslagen van 11 september en de uitvinding van internet.61 Taleb betoogt dat het in de aard van de mens ligt om nadat dit soort gebeurtenissen hebben plaatsgevonden deze te verklaren, opdat ze begrijpelijk en voorspelbaar worden.
Naar mijn mening zouden er bij pure gevallen van black swans — realisatie van risico's in de categorie "unknown unknowns"62— in principe geen sprake moeten zijn van onbehoorlijke taakvervulling met betrekking tot de omstandigheid dat deze risico's niet zijn geïdentificeerd. Waar het wel om zal gaan is de reactie van de onderneming op het zich voordoen van een dergelijke black swan. In algemene zin zou goed bestuurderschap vergen dat er algemene noodscenario's worden ontwikkeld binnen de onderneming voor low probability, high impact events en dat daarvoor een bepaalde veiligheidskapitaalbuffer wordt aangehouden.63
Een andere categorie vormen de "unknown knowns" — risico's die wel bekend zijn, maar niet bekend bij diegenen die de risico-analyse uitvoeren of naar aanleiding daarvan daarover besluiten.64 Daarbij kan het overigens zo zijn dat die risico's wel ergens binnen de organisatie bekend zijn, maar niet bij het bestuur.65 In de onderneming bekende risico's kunnen worden uitgesloten van de risicoanalyse door een fout in de organisatie.66Risico-identificatie vindt met name plaats op basis van input van personeel. Veelal geschiedt dat doordat risicogegevens "bottum up" worden verzameld, vanuit de business units, naar het hogere management totdat de geaggregeerde informatie uiteindelijk het bestuur bereikt.67 Deze informatie is niet alleen geaggregeerd, maar ook gefilterd, waardoor zgn. inventarisatiefouten kunnen optreden.68 Dat filteren kan op verschillende manieren plaatsvinden. Allereerst kan het zo zijn dat de personen werkzaam in de verschillende business units zelf een filter toepassen, door bepaalde hen bekende risico's niet te melden. Achterliggende redenen kunnen zijn een verkeerde schatting van waarschijnlijkheid en verwachte gevolgen van het risico, maar ook meer opportunistische redenen. Denkbaar is dat het identificeren van een bepaald risico allerlei werk met zich zal brengen in het kader van de kwantificering of beheersing daarvan; werk waarop het lagere personeel mogelijk niet zit te wachten. Of dat managers slecht nieuws achterhouden in de hoop dat het nog wel goed komt.69 Opgetekend uit de mond van Leeson, de rogue trader bij Barings: "But when things start to go wrong, you hide your losses and blithely try to carry on in the hope that you can recoup them. You can 't tell your colleagues that you 've lost money - the macho ethics of the trading desk do not tolerate admissions of failure. You certainly can 't tell your wife that your high-end life is at an end."70
Daarnaast zou het identificeren van een risico met een grote impact wel eens kunnen leiden tot de beslissing van hoger management om een activiteit te beëindigen. Binnen het risicobeheersingsvakgebied wordt daarvoor wel het voorbeeld gebruikt van iemand die met een gebogen hoofd op de rails loopt en centen opraapt die op de rails liggen, zonder dat hij oog heeft voor de sneltrein die in volle vaart op hem afkomt. Op de korte termijn levert zijn activiteit een bescheiden winst op, maar die weegt evident niet op tegen het hem tegemoet komende risico met grote schadelijke gevolgen. Dit soort situaties zijn bijvoorbeeld denkbaar bij hedgefondsen die zeer kleine marges maken op arbitragehandel, maar daarbij ook zeer grote risico's lopen.71 Het informeren omtrent geïdentificeerde risico's zou er wel eens toe kunnen leiden dat hoger management kleine koninkrijkjes binnen de onderneming afbreekt. Om die reden kunnen dergelijke risico's door het lagere niveau wel worden verzwegen. Dit soort informatiefiltering kan ook op hoger niveau binnen de organisatie plaatsvinden, zelfs op het niveau van het bestuur. Dan is de raad van commissarissen de laatste controlepost, waarbij deze zich voldoende gewapend dient te hebben met kennis en gezag om de bestuurders — die veelal terzake over meer kennis beschikken — adequaat tegenspel te bieden.
Andere risico's die gewoonweg over het hoofd worden gezien zijn bijvoorbeeld risico's die van andere aard zijn dan de risico's die normaliter samenhangen met een bepaalde activiteit, risico's die verband houden met hedge strategieën ter beheersing van bepaalde andere reeds geïdentificeerde risico's en het effect op de marktwaarde van goederen indien de markt wordt gedomineerd door een aantal grote spelers.72 Een ander bekend verschijnsel is dat bepaalde risico's die een waarschijnlijkheid hebben van één maal in de 100 of 500 jaar, niet mee worden meegenomen in bepaalde risicoanalyse modellen, omdat deze als te onwaarschijnlijk worden geacht om deze mee te nemen in een betrouwbare risico-analyse. Op zich werken de modellen wel goed, alleen dat soort extreme scenario's worden niet meegenomen. Op een lager niveau binnen de organisatie vindt dan reeds een risicoselectie plaats, zonder dat dergelijke keuzes expliciet aan hoger management worden medegedeeld. Toepassingen van gehanteerde modellen door bepaalde banken mankeerden een dergelijk euvel, terwijl deze modellen als best practice werden beschouwd. Daarop zal hierna in par. 9.6.2 worden ingegaan. In onderzoeken naar de oorzaken van de financiële crisis werd gesignaleerd dat er onvoldoende aandacht werd besteed aan de ontwikkeling van stress-testen en de resultaten daarvan. Het OECDrapport zegt hierover: "This is a clear corporate governance weakness since the board is responsible for reviewing and guiding corporate strategy and risk policy, and for ensuring that appropriate systems for risk management are in place. [...] Stress testing must form an integral part of the management culture so that results have a meaningful impact on business decisions."73
Bij banken werden wel wiskundige modellen ontwikkeld en toegepast door 20-ers en 30-ers — veelverdienende quants74— die zich bedienden van Greeks75,zich helemaal hadden gespecialiseerd in specifieke modellen soms zelfs ontwikkeld door Nobelprijswinnaars zoals het optie-model van Merton en Scholes76 — en die beschikten over de laatste state-of-the art techniek en inzichten. Door het gebruik van computers konden ook steeds ingewikkeldere modellen worden ontwikkeld.77 Onderzoek signaleerde dat bestuurders (en commissarissen) dergelijke modellen en de aannames die daaraan ten grondslag lagen regelmatig niet doorgrondden. In de praktijk is wel gebleken dat op sommige punten de kennisvoorsprong van de "mannen op de vloer" ten opzichte van de board room onoverbrugbaar was.
Dit roept overigens vrij fundamentele vragen op over waar de grens ligt voor de complexiteit en omvang van de activiteiten van de onderneming en wanneer bestuurders die grens moeten trekken. Mogen zij afgaan op de deskundigheid van deze quants en anderen, of dienen zij de activiteiten meer terug te brengen naar de basis, opdat bestuurders de risico's beter kunnen overzien en beheersen? Wat zijn de grenzen aan de wenselijkheid van het verspreiden van risico's over een veelvoud van partijen ter mitigering van risico's, terwijl daarmee de intransparantie van concentratie en effecten van risico's wordt vergroot?78 Dergelijke fundamentele keuzes vallen binnen de risicostrategie van de onderneming. Het is aan het bestuur om deze grenzen te trekken en te zorgen dat er overzicht blijft over de ondernemingsactiviteiten en de daarmee gepaard gaande strategische risico's en dat deze beheersbaar blijven. Omdat er menselijkerwijs grenzen zitten aan de span of control van het bestuur, zitten er ook grenzen aan een verantwoorde omvang van een onderneming. In dit kader past het verschijnsel dat banken hun producten-pakket gaan aanpassen. Zo signaleerde kredietbeoordelaar Fitch in een recent onderzoek dat grote banken de verwachting hadden uitgesproken dat complexe derivaten op gestructureerde financiële producten gaan verdwijnen.79
Anderzijds wordt in het proces van risicobeheersing ook juist bewust een filter ingebouwd. Een voorbeeld van een dergelijk systeem is dat de business units al hun risicogegevens verzamelen — wat wel kan gaan om 100 verschillende risico's —, deze vervolgens naar de risicofunctie of -commissie sturen, die deze informatie vervolgens versmalt naar zeg de 10 belangrijkste risico's naar mate van waarschijnlijkheid en impact.80 Op basis daarvan kan een "risk heat map" of kans/schadeomvangmatrix81 worden gemaakt, waarin deze belangrijkste risico's worden vermeld naar gelang van waarschijnlijkheid en impact. De aandacht van het bestuur zal dan gefocust zijn op het beheersen van deze en niet andere — risico's. Belangrijk is dat het helder is voor het bestuur op basis van welke (materialiteits)criteria de selectie wordt gemaakt van de risico's die aan het bestuur worden voorgelegd en dat zij zonodig deze criteria laat bijstellen.
Bij de beoordeling van de behoorlijkheid van het gevoerde bestuur zal het er in dergelijke situaties op aankomen in hoeverre het een verzaking van de taak oplevert dat het onbekend was met bepaalde risico's. Kennis van ondergeschikte werknemers kan niet zonder meer worden toegerekend aan de bestuurders. Dit is een belangrijke constatering, gezien de bevindigen van de Senior Supervisors Group: "In some cases, hierarchical structures tended to serve as filters when information was sent up the management chain, leading to delays or distortions in sharing important data with senior management. In contrast, some farms effectively removed organization layers as events unfolded to provide senior managers with more direct channels of communication."82
Bestuurders mogen in belangrijke mate afgaan op de werknemers in de organisatie en de informatie die zij verstrekken.83 Bestuurders kunnen echter in de gevarenzone komen indien zij waarschuwingssignalen vanuit de organisatie hebben genegeerd.
Bovendien is bij deze beoordeling volgens jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 2:9 BW relevant "het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult"84 en wat betreft de taakvervulling: "[...] de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen."85 In het kader van de beoordeling of er sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 BW heeft de Hoge Raad als toets aangelegd "als geen redelijk denkend bestuurder — onder dezelfde omstandigheden — aldus gehandeld zou hebben."86 Bij de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag wordt derhalve niet alleen gekeken naar de daadwerkelijke kennis en vaardigheden waarover een bestuurder in het concrete geval beschikte, maar vindt een zekere objectivering plaats. In dat verband zal dus aan de orde moeten komen wat van een redelijk bekwame bestuurder aan vaardigheden en inzicht verwacht mocht worden op het gebied van risico-identificatie en -analyse. Daarbij spelen allerlei omstandigheden een rol, zoals de aard van de onderneming, de in het geding zijnde producten en risico's, de beschikbare informatie e.d.
Voor de eisen die mogen worden gesteld aan het handelen van bestuurders op het gebied van risicobeheersing zou een vergelijking kunnen worden gemaakt met een bestuurder van een auto. Als een bestuurder van een auto op een snelweg rijdt en er springt opeens een hert voor zijn auto dat hij niet meer kan ontwijken, dan is dat in principe niet verwijtbaar. Indien er borden langs de weg stonden die waarschuwden voor overstekend wild, en de bestuurder zijn snelheid en zijn alertheid op overstekend wild niet heeft aangepast, kan de bestuurder in de gevarenzone komen. Als de bestuurder met een blinddoek achter het stuur zat, is er sprake van bewuste roekeloosheid, of zelfs voorwaardelijk opzet.
Als in een concreet geval zou blijken dat het bestuur bij materiële kwesties de onderneming feitelijk met een blinddoek heeft bestuurd, omdat er onvoldoende kennis en vaardigheden waren om de daarmee gepaard gaande risico's te begrijpen en te identificeren,87 kan wel gezegd worden dat geen redelijk denkend bestuurder aldus zou hebben gehandeld.
Wat moet een bestuurder van een onderneming begrijpen van de producten die worden gevoerd? Laten we om te beginnen eens kijken naar een bestuurder van een onderneming die auto's fabriceert. Van een redelijk bekwaam bestuurder in die functie mag worden verwacht dat hij begrijpt hoe een automatische versnellingsbak werkt en wat de materiële risico's zijn die verbonden zijn aan de productie en werking van dat onderdeel. Hij hoeft niet zelf in staat te zijn om die automatische versnellingsbak eigenhandig te kunnen monteren, of te weten hoeveel radertjes dat product bevat. Wel moet hij zich kunnen laten uitleggen wat de geschatte waarschijnlijkheid is van de realisatie van die risico's en de geschatte impact daarvan.
Dat geldt ook bij financiële producten. Een bestuurder hoeft niet zonder meer alles te weten van alle onderdelen van een bepaald financieel product. Dat hoeft hij niet zelf uit te kunnen rekenen — en hij mag daarbij in principe afgaan op informatie die derden hem daarbij aanreiken. Een bestuurder moet de uitleg die de deskundigen hem terzake geven begrijpen en de juiste kritische vragen kunnen stellen. Principe 3.1.2 van de Code Banken bepaalt in dit verband dat iedere bestuurder dient te beschikken over gedegen kennis van de financiële sector in het algemeen en het bankwezen in het bijzonder, en over grondige kennis om de hoofdlijnen van het totale beleid van de bank te kunnen beoordelen en bepalen en zich een afgewogen en zelfstandig oordeel te kunnen vormen over risico's die daarbij worden gelopen. Risico's die het bestuur (na nadere uitleg) niet begrijpt, zouden niet genomen moeten worden.
Indien een risico wel is geïdentificeerd, is een andere valkuil het te laag schatten van de waarschijnlijkheid of gevolgen van een mogelijk risico.88 Een dergelijke risico-schatting — mits gebaseerd op goed geïnformeerde en weloverwogen gronden — zal al gauw binnen de beleidsvrijheid van het bestuur vallen. Uit jurisprudentie valt af te leiden dat er een ruime marge aan bestuurders wordt gegund bij het maken van dergelijke schattingen.
Dat laatste speelde in de Henkel-zaak. JMG had in die zaak een overeenkomst afgesloten met Henkel op grond waarvan zij de verantwoordelijkheid op zich nam voor een promotieactie, waarbij het publiek onder meer een pandabeer kon ontvangen na insturen van een inzending.
JMG had zich verplicht om alle personen die een verzoek daartoe inzonden een pandabeer te zenden. Op grond van de overeenkomst had JMG zich verplicht om daartoe minstens 200.000 pandaberen in te kopen. Het risico van de redemptie (het aantal personen dat deelneemt aan de actie) was door JMG te laag geschat en dit redemptierisico was niet verzekerd. Uiteindelijk bleken er 280.000 personen een verzoek te hebben ingediend. JMG kon vervolgens niet aan haar verplichtingen voldoen en failleerde. De bestuurder (en enig aandeelhouder) van JMG werd vervolgens door Henkel aangesproken uit hoofde van onrechtmatige daad.
Het Hof legde de door de Hoge Raad bekrachtigde maatstaf aan of JMG had behoren te voorzien dat de redemptie feitelijk (aanzienlijk) hoger zou uitvallen dan door JMG verwacht en dat JMG alsdan niet aan haar verplichtingen jegens Henkel zou kunnen voldoen.89Bij zijn oordeel hechtte het Hof belang aan de volgende feiten: i) voor het schatten van redemptie-risico's bestaan geen objectieve normen; ii) de te verwachten redemptie is afhankelijk van een groot aantal factoren en is moeilijk te schatten; iii) schatting van het redemptierisico is een "heikel avontuur", waaraan een zeker "gokelement" te pas komt.90Het Hof oordeelde dat er weliswaar sprake was van een commercieel foute beslissing, maar dat die in de gegeven omstandigheden binnen het normale ondernemingskader valt.91
Ook uit het vonnis van de Rechtbank Utrecht in de Ceteco-zaak blijkt dat er een aanzienlijke beleidsvrijheid is op dit punt, en dat een verkeerde beoordeling niet zonder meer tot aansprakelijkheid leidt op grond van art. 2:9 BW:92
"De rechtbank overweegt dat de BoM voorafgaand aan het betreden van de markt in Argentinië uitvoerig onderzoek heeft laten uitvoeren. [...] Anders dan de curatoren lijken te stellen, kan aan de enkele omstandigheid dat de realiteit zoals die zich in 1997 voltrok sterk afweek van de in het businessplan geformuleerde uitgangspunten, niet de conclusie worden verbonden dat er geen deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Ongetwijfeld had de BoM uitvoeriger en diepgaander onderzoek kunnen laten doen naar de markt voor consumer finance. Dat de BoM hiervoor niet heeft gekozen zou in de gegeven omstandigheden echter hooguit kunnen leiden tot het oordeel dat de BoM de marktomstandigheden op dat punt wellicht te optimistisch heeft ingeschat. Zonder bijkomende zwaarwegende omstandigheden, die gesteld noch gebleken zijn, is dit echter onvoldoende voor het oordeel dat er op dit punt sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling."
Een risicoschatting speelde ook een rol in een zaak voor de Rechtbank Rotterdam, waarin werd geoordeeld over een onrechtmatige daadsvordering van een crediteur jegens een bestuurder van een failliete vennootschap. Overwogen werd:93"Wetenschap van een (ook meer dan verwaarloosbaar) risico dat ATC een bepaalde verplichting niet zal kunnen nakomen en vervolgens geen verhaal voor de schade zal bieden, is niet zonder meer voldoende voor het aannemen van aansprakelijkheid van [gedaagde] als het risico zich vervolgens verwezenlijkt. Anders gezegd: de risico's die ATC heeft gelopen kunnen, binnen zekere grenzen, niet voor rekening van [gedaagde] worden gebracht, alleen omdat [gedaagde] van die risico's op de hoogte was of op de hoogte kon zijn. Dat is pas anders als [gedaagde] had behoren te voorzien dat het risico verkeerd zou uitpakken en dat ATC dan niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Het enkele feit dat er een (verantwoord) risico is genomen is niet voldoende om aan te nemen dat [gedaagde], nu het risico zich heeft verwezenlijkt, had behoren te voorzien dat dat zou gebeuren."
De toets pakteanders uit in een zaak die in 2007 door de Rechtbank Amsterdam werd beoordeeld:94"Anders dan Osborne stelt kan dat niet meer worden aangemerkt als het nemen van het normale ondernemingsrisico. Het gaat hier immers niet om de vraag of het ondernemingsconcept of de ondernemingsstrategie voldoende revenuen zal opbrengen om de onderneming levensvatbaar te doen zijn, maar om een geval waarbij zeker is dat de onderneming voorshands onvoldoende eigen opbrengsten zal genereren om de verplichtingen te voldoen. De nakoming van de verplichtingen is dan geheel afhankelijk van de extern te verkrijgen financiering. In die omstandigheden moet als onbehoorlijk bestuur worden aangemerkt het aangaan van verplichtingen, terwijl omtrent die financiering nog geen behoorlijke zekerheid bestaat."
Bij het schatten van risico's kan ook een rol spelen dat risico's indien zij zich concentreren of verband met elkaar houden een groter effect kunnen hebben dan de optelsom van de individuele risico's.95 Risico's kunnen ook worden gemaskeerd door vormen van creatief boekhouden. Het buiten de balans brengen van activa of passiva kan het overzicht op de financiële positie van een onderneming en de daarmee verbonden risico's vertroebelen. Dat geldt niet alleen voor het inzicht van derden — dan is immers de vraag naar misleidendheid van financiële verslaggeving aan de orde — maar kan zelfs gelden voor het bestuur (en de raad van commissarissen).
5) Keuze voor inadequate risicoreactie
Zoals hiervoor in pat 8.3.1 uiteengezet, zijn er vier vormen van risicoreacties te onderscheiden: het vermijden van risico, het reduceren van de waarschijnlijkheid en/of effecten van het risico, het delen van risico's met anderen (door bijvoorbeeld verzekeren of hedgen) en het accepteren van het risico door terzake geen actie te nemen die de waarschijnlijkheid of effecten van het risico verminderen. Juridisch bezien is een interessante vraag of er beperkingen zijn aan de vrijheid van het bestuur om een bepaald type risicoreactie te kiezen, met name waar het gaat om de keuze tussen de twee risicoreacties verzekeren of accepteren van het risico door geen actie te ondernemen.96
In de Henkel-zaak (zie hierboven onder sub 4) oordeelde het Hof dat er geen onaanvaardbaar risico was genomen door het redemptierisico niet af te dekken door een verzekering.97 Dat laatste oordeel — waarvan de motivering niet is af te leiden uit het arrest van de Hoge Raad — is niet in cassatie getoetst.
De afwezigheid van een adequate brandverzekering stond centraal in de Blue Tomatozaak. Dit speelde in die zaak alleen een rol voor het tegenbewijs dat onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 BW geen belangrijke oorzaak van het faillissement was geweest — onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur stond vast omdat niet aan de wettelijke publicatieverplichtingen was voldaan. De bestuurder beriep zich op een externe oorzaak van het faillissement: een brand die het bedrijfspand in as had gelegd en de weigering van de verzekeraar om uit te keren onder de afgesloten brandverzekering. Het door brand of watersnood te gronde gaan van de fabriek wordt in de wetsgeschiedenis van de Derde Misbruikwetgeving genoemd als omstandigheden waarop het bestuur geen invloed kon uitoefenen "en waartegen het zich niet heeft kunnen wapenen".98 De curator van Blue Tomato voerde echter aan dat e.e.a. niet te beschouwen was als een externe omstandigheid, maar als onderdeel van de onbehoorlijke taakvervulling, namelijk dat er geen adequate brandverzekering aanwezig was. Wat de casus atypisch maakt, is dat er weliswaar een brandverzekering was afgesloten, doch dat de verzekeraar weigerde uit te keren omdat niet was voldaan aan een polisvoorwaarde.
In de Blue Tomato-zaak was cruciaal dat er geen dekking onder de wel degelijk afgesloten brandverzekering bleek te zijn, omdat het inbraakalarm door de verhuurder van de onderneming verwijderd was. De curator betoogde — voor zover hier relevant — dat de bestuurder tekort zou zijn geschoten in zijn zorgverplichting erop toe te zien dat aan de voorwaarden die de verzekeraar stelde was voldaan. Daaraan gaat eigenlijk nog een voorvraag vooraf, namelijk of in deze situatie überhaupt van de bestuurder gevergd kon worden dat hij een verzekering afsloot. Dat dient aan de hand van onder meer de hiervoor genoemde omstandigheden te worden beoordeeld. Als niet van de bestuurder verwacht zou mogen worden dat hij terzake een verzekering afsloot, is het ook minder relevant of aan de verzekeringsvoorwaarden is voldaan. Uit de gepubliceerde uitspraak kan ik niet afleiden dat dit in de procedure aan de orde is geweest. Mogelijk werd ook door de bestuurder onderkend dat in deze situatie het een gegeven was dat het afsluiten van een brandverzekering paste binnen een behoorlijke taakvervulling.
In deze kwestie overwoog de Hoge Raad dat als een gedaagde bestuurder ter ontzenuwing van het in art. 2:248 lid 2 BW neergelegde vermoeden van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling zich beroept op een van buiten komende oorzaak, zoals in dit geval de weigering van de brandverzekeraar de schade van het bedrijf als gevolg van brand te vergoeden, en de bestuurder door de curator wordt verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moet stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat nochtans kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.99
Het Hof Arnhem nam vervolgens op basis van de specifieke omstandigheden in deze casus aan dat niet kon worden aangenomen dat de bestuurder van Blue Tomato er rekening mee diende te houden dat de onderneming niet gedekt zou zijn tegen brandschade en concludeerde dat er7geen sprake was van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 BW.100
Een belangwekkende vraag is of een bestuurder onder bepaalde omstandigheden is gehouden te kiezen voor een bepaalde risico-reactie, in dit geval het beheersen van risico's middels verzekering.101 Voorop staat dat er geen algemene gehoudenheid bestaat voor een bestuur om alle mogelijke risico's te verzekeren. Wel is van belang dat er voor dat bedrijf ten aanzien van voor de hand liggende risico's een goed geïnformeerde en wel overwogen beslissing aan vooraf is gegaan. Daarbij spelen een aantal omstandigheden een rol, zoals de risk appetite en het risicoprofiel van de onderneming, de waarschijnlijkheid van het risico — zo ligt het verzekeren tegen schade tengevolge van een aardbeving meer voor de hand in Californië dan in Nederland — , de verwachte schade bij realisatie, de financiële draagkracht van de onderneming om een eventuele schade zelf te dragen en verwachte premieuitgaven.102 In het afwegingsproces dient ook de kredietwaardigheid van de verzekeraar en de voorwaarden van de verzekering te worden betrokken.103 Bij het maken van die afweging heeft het bestuur een bepaalde mate van beleidsvrijheid.
Als na de risicoanalyse wordt gekozen voor de risicoreactie verzekering, vergt een behoorlijke taakvervulling mijns inziens in een specifiek geval dat het bestuur er op toeziet dat: i) er een verzekering wordt afgesloten; ii) de premie tijdig wordt betaald en aan de overige polisvoorwaarden wordt voldaan; en iii) de afgesloten verzekering tijdig wordt verlengd.104 Voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder is dan wel vereist dat er een bewustzijn (wat mij betreft in de zin van opzet of bewuste roekeloosheid) was bij de bestuurder dat hieraan niet was voldaan.
Het hiervoor aangehaalde Blue Tomato-arrest van het Hof bevat nog een overweging ten overvloede, houdende dat ook als de bestuurder had geweten dat het brandalarm door de verhuurder was verwijderd en hij, uitgaande van die wetenschap, zou hebben nagelaten maatregelen te treffen of de verzekeringsmaatschappij daarvan op de hoogte te stellen, dit gelet op zijn verantwoordelijkheid als bestuurder — wel nalatigheid oplevert, maar geen kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 BW.105 In het licht van het hiervoor betoogde meen ik dat deze overweging onvoldoende is gemotiveerd. Er is geen jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt.
Vgl. in dit verband ook Rb. Rotterdam 25 maart 2009, JIN 2009/445, r.o. 7.18 waarin werd geoordeeld dat van een bestuurder mag worden verwacht dat deze in voorkomend geval zorgvuldig onderzoekt of bepaalde schades verzekerd zijn en, zo ja, deze schades bij de verzekeraar te melden. Een nalaten terzake kan onbehoorlijke taakvervulling opleveren.
Ik realiseer mij dat het bij verwezenlijking van dergelijke catastrofes om hele zure gevallen kan gaan: schade door brand, terrorisme, verkeersongelukken, aardbevingen, ontvoeringen, arbeidsongeschiktheid van werknemers, het overlijden van een artiest vlak voor een wereldtournee e.d., vallen in deze categorie. Het is evident dat het zich voordoen van dergelijke gebeurtenissen persoonlijke drama's kunnen veroorzaken bij alle bij de onderneming betrokkenen, ook de bestuurders. Het is vanuit aansprakelijkheidsperspectief echter van belang in het oog te blijven houden of, en zo ja welk risicobeheersingsproces en risicoreactiekeuze er binnen de onderneming ten aanzien van het verwezenlijkte risico vooraf zijn gegaan.
De vraag is wel of vanuit bestuurdersaansprakelijkheidsperspectief een onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen enerzijds bedrijfseconomische risico's die betrekking hebben op het primaire bedrijfsproces en anderzijds externe risico's die niet voortvloeien uit dat proces. Voor beide soorten risicofactoren zijn wel — maar overigens niet altijd — verzekeringen af te sluiten, ook voor risico's die samenhangen met onderdelen van het bedrijfsproces. Te denken valt aan kredietverzekeringen en succes-verzekeringen, waarmee bepaalde sportclubs zich verzekeren tegen het risico dat ze kampioen worden of dat er tijdens een evenement een record wordt gebroken, zodat ze dan een uitkering ontvangen ter hoogte van de bonussen die zij volgens contractuele afspraak aan de sporters moeten betalen.106
Mits de betreffende risico's verzekerbaar zijn, zie ik eigenlijk geen aanleiding voor het maken van een dergelijk principieel onderscheid. Het zijn alle risico's waarmee de onderneming wordt geconfronteerd en ten aanzien waarvan de onderneming een keuze dient te maken uit de verschillende mogelijke risico-reacties. Aan die keuze dient een zorgvuldige risicoanalyse en geïnformeerde beslissing ten grondslag te liggen waarbij de hiervoor genoemde aandachtspunten relevant kunnen zijn. Indien dat ontbreekt, kan er op dezelfde manier sprake zijn van onbehoorlijke taakvervulling als het geval is bij beslissingen die betrekking hebben op het primaire bedrijfsproces.
Ik zou menen dat zonder contractuele grondslag, het nalaten door een bestuurder om een verzekering af te sluiten ten opzichte van crediteuren in principe niet onrechtmatig is. Indien er wel een contractuele verzekeringsplicht bestond jegens een derde, dient het gedrag van de bestuurder te worden getoetst aan — afhankelijk van de casus-positie — de in de arresten Beklamel107 resp. Holland New Belgium108 ontwikkelde normen.
In de lagere jurisprudentie is een aantal zaken behandeld dat zag op verplichtingen van bestuurders ten aanzien van verzekeringen. Daarbij ging het steeds om situaties waarin de vennootschap zich contractueel jegens een derde had verplicht om een bepaalde verzekering af te sluiten, maar niet aan die verplichting had voldaan.
Rb. Rotterdam 21 maart 2002, JOR 2002/99, r.o. 5.5, waarin werd overwogen dat het in strijd met een overeenkomst met een leverancier verzuimen om verpande zaken verzekerd te houden eerst onrechtmatig is jegens die partij indien de bestuurder wist dat de verzekeringspremies niet meer werden betaald en (zonder dat de leverancier werd ingelicht) heeft nagelaten de premieachterstand ongedaan te maken.
Zie ook Rb. Arnhem 30 mei 2007, JIN 2007/436 (Guarantee Insurance), r.o. 4.16: "Het ontbreken van de overeengekomen dekking is een ernstige tekortkoming omdat Guarantee Insurance en haar klanten daarmee ongewild, en bovendien daarvan onwetend, het risico hebben gelopen dat in een voorkomend geval geen uitkering onder de garantiepolissen zou kunnen plaatsvinden, een uitkering waarvan zij zich juist door het sluiten van de garantieverzekeringen wensten te verzekeren." (onderstr. toegev.)
Vgl. Hof 's-Hertogenbosch 2 oktober 2001, kenbaar uit Conclusie AG bij 4 oktober 2002, JOL 2002/521, r.o. 4.8 en 4.9, waarbij in geschil was in hoeverre een bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor het tekortschieten van de vennootschap met betrekking tot de passages in de arbeidsovereenkomst aangaande de ongevallenverzekering en de afdracht van de pensioenpremies ten behoeve van een werknemer.
Overigens bevatten sommige bestuurdersaansprakelijkheidsverzekeringen een uitsluiting voor claims die verband houden met het verwijt dat is nagelaten om verzekeringen af te sluiten. Deze ontwikkeling is voortgekomen uit de Amerikaanse markt. De achtergrond van die uitsluiting is het voorkomen dat via deze weg de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering een soort paraplu-verzekering wordt voor andersoortige risico's, waarvoor het bedrijf heeft verzuimd een specifieke verzekering af te sluiten.109 Bij sommige verzekeraars kan wel aanvullende dekking voor dergelijke claims worden bijgekocht.
Voor onverzekerbare risico's geldt ook dat het bestuur een keuze kan maken uit de overige risicoreacties: het vermijden van het risico, het reduceren van de waarschijnlijkheid en/of gevolgen van het risico dan wel het accepteren van het risico zonder verdere actie te nemen. Onder omstandigheden kan het accepteren van risico's een bewust roekeloze onbehoorlijke taakvervulling zijn. Denkbaar is bijvoorbeeld dat het bestuur besluit om een fabriek te bouwen in een uiterwaarde bij een rivier waar jaarlijks overstromingen zijn, zonder verdere maatregelen te nemen ter voorkoming van waterschade.
Gezien de specifieke aard van risico's die voortvloeien uit door de overheid opgelegde regels, zal een houding waarbij het risico van het zich voordoen van overtredingen van wet- en regelgeving door belangrijke werknemers van de onderneming bij de uitoefening van hun dienstverband zonder beheersing daarvan wordt geaccepteerd, ook eerder als onbehoorlijk kunnen worden beschouwd.110
6) Er worden geen criteria en richtlijnen opgesteld voor de beheersing van geconstateerde risico's
Daar waar de risk appetite de grondslag (beeldend gezegd de "grondwet") vormt van het risicobeheersingssysteem, vormen interne richtlijnen en procedures de interne wetgeving van de onderneming. Deze omschrijven wat geoorloofd gedrag is binnen de onderneming. Dergelijke interne richtlijnen en procedures zijn een belangrijke (rand)voorwaarde voor de naleving van het door het bestuur geformuleerde beleid en de risk appetite.
Als voorbeeld kan worden aangehaald dat bij een materiële (investerings) beslissing randvoorwaarden dienen te worden gesteld; criteria die kunnen dienen ter toetsing en die bijvoorbeeld een maximale exposure of vertegenwoordigingsbevoegdheid bepalen.111 Deze criteria moeten vallen binnen de risk appetite.
Het ontbreken van dergelijke criteria speelde in de enquêteprocedure rond ATR: "[...] dat de informatiesystemen alsook de bezetting van de administratieve afdelingen ondermaats waren, dat voor een onderneming als die van de ATR-vennootschappen is vereist dat de aldaar genoemde vaste indicatoren "pro-actief" worden gevolgd teneinde te voorzien of vluchten (in het bijzonder qua bezettingsgraad) winstgevend zullen zijn, maar dat klaarblijkelijk met die indicatoren bij de ATR-vennootschappen niet werd gewerkt en deze evenmin waren ontwikkeld en dat, meer in het algemeen, de administratie van de ATR-vennootschappen er onvoldoende op was ingericht om voldoende en adequate informatie over het reilen en zeilen van de onderneming te verkrijgen. [...r112 (onderstr. toegev.)
Niet voor alle risico's zullen criteria en richtlijnen hoeven te worden opgesteld. Ik zou menen dat het in ieder geval moet gaan om belangrijke risico's, met een wezenlijke impact dan wel een hoge waarschijnlijkheid. Bijzondere aandacht verdienen daarbij risico's die verband houden met door de overheid opgelegde wet- en regelgeving en door de onderneming genomen risico's die gevaarzetting voor derden tot gevolg hebben.
Belangrijk is dat bij het opstellen van deze interne regels de implementatie-en nalevingsmogelijkheden goed onder ogen worden gezien. Indien opgestelde regels niet kunnen worden geïmplementeerd of nageleefd zijn deze regels om te beginnen niet effectief, maar kunnen deze ook een aansprakelijkheidsrisico opleveren voor bestuurders. De regels dienen goede ingang te moeten kunnen vinden bij het operationele management en vertaald te worden naar concrete managementacties. Ook moet er kritisch worden gekeken naar de materialiteit van zaken die geregeld worden; hoofd- en bijzaken moeten goed worden onderscheiden.
Het bestuur kan terzake een belangenafweging maken, waarbij het weer beleidsvrijheid heeft — dat is een beoordeling. Belangrijk daarbij is onder meer de kosten/baten-analyse in verband met het opstellen, invoeren en handhaven van regels. Ook hier is van belang dat deze beslissing zorgvuldig wordt voorbereid.
7) Er vindt geen periodieke beoordeling plaats van de feitelijke exposure aan het risico ten opzichte van de gestelde criteria
Zoals hiervoor besproken, vormen interne richtlijnen en procedures — gebaseerd op de risk appetite — de interne regelgeving van de onderneming. Goed risicomanagement vergt dat onderzocht wordt of de opgestelde interne regelgeving van de onderneming wordt nageleefd, opdat vervolgens kan worden bijgestuurd of ingegrepen.
Dat was onder meer aan de orde in de Laurus- enquêteprocedure.113"Voorts is van belang dat — zoals de onderzoekers hebben vastgesteld — het businessplan wat betreft de voortgang van de uitvoering niet voorzag in controlemomenten waarop die uitvoering tijdig kon worden bijgesteld en zo nodig worden gestopt."114„Tegelijk was evenwel van meet af aan duidelijk dat het plan uiterst ambitieus was, zowel financieel als operationeel, en dat het alleen zou kunnen slagen als werd voldaan aan de in het businessplan omschreven randvoorwaarden. Uit het verslag van de onderzoekers blijkt evenwel dat aan cruciale voorwaarden op het punt van financiering, administratieve organisatie, managementinformatie en logistiek op geen enkel moment is voldaan, hetgeen de hoofddirectie in een vroeg stadium heeft kunnen en moeten onderkennen."115
Ook in de Ceteco-zaak werd het verwijt gemaakt van onvoldoende opvolging 116"Wat de bestuurders verweten kan worden is dat ondanks de gesignaleerde problemen (waarvan onderkend werd dat ze samenhingen met de snelle expansie), er niet op enig moment een zorgvuldige evaluatie en gerichte analyse van de reeds genomen maatregelen heeft plaatsgevonden. De bestuurders hebben weliswaar maatregelen genomen, maar nergens blijkt uit dat zij het effect van die maatregelen hebben afgewacht of onderzocht voordat zij besloten verder te gaan met de expansie. [...] Dit ondanks het uitdrukkelijke voornemen om de expansie tussentijds te evalueren."117 (onderstr. toegev.)
In de wetsgeschiedenis van de Derde Misbruikwetgeving werd wel als voorbeeld van onbehoorlijk bestuur gegeven het verwaarlozen van de kredietbewaking.118
8) Er is geen contingency plan
Goede risicobeheersingssystemen voorzien in alternatieven voor het geval belangrijke risico's zich verwezenlijken; een Plan B, een worst case scenario. Goede plannen die betrekking hebben op majeure investeringen of projecten voorzien in een aantal mijlpalen, momenten waarop de voortgang wordt geëvalueerd en besloten wordt of, en zo ja, hoe er verder wordt gegaan met de uitvoering.
Het ontbreken van een contingencyplan speelde in de Laurus-zaak: "Geconstateerd moet worden dat, ondanks de onderkende grote risico's, door de raad van commissarissen geen concrete en harde voorwaarden zijn bedongen ter voorkoming dat de raad in geval van dreigend misgaan van de operatie Groenland, daarmee pas zou worden geconfronteerd op een moment dat er reeds van een de continuïteit van Laurus bedreigende situatie sprake zou zijn. Aan de enquêteurs konden geen noodscenario's (...) worden getoond"119 (onderstr. toegev.)
Vgl. ook de overweging van het hof in Staleman/Van de Ven, waarin ingegaan werd op de noodzaak van het bestuur om eerder van koers te veranderen, desnoods de tot dan toe geleden verliezen te slikken teneinde verdere verliezen in de toekomst te beperken.120
9) Er wordt niet doorgevraagd over, of geen onderzoek ingesteld naar, vermoede incidenten
Het komt voor dat na het zich voordoen van bepaalde incidenten — waarschuwingssignalen — een nader onderzoek geboden is.121 Daarvan kan sprake zijn indien:122
er een vermoeden is van overtreding van wet- en regelgeving, of interne richtlijnen. Incidenten die zich voordoen op het gebied van het milieurecht,123
mededingingsrecht, corruptie en strafrechtelijk relevante handelingen124 verdienen gezien de mogelijke zware sancties bijzondere aandacht. Interne onderzoeken kunnen soms een onderzoek van autoriteiten voorkomen of in omvang doen verminderen of een positief effect hebben op de op te leggen sanctie;
een mogelijke material weakness doet zich voor in de opzet of de werking van het financiële rapportage- en controlesysteem. Het bestuur dient ervoor te waken dat de te publiceren financiële verslaggeving niet misleidend is. Indien er gedurende het proces van het opstellen van die verslaggeving aanwijzingen zijn dat het systeem op belangrijke punten niet adequaat is of effectief werkt, is het van belang daar opvolging aan te geven om i) te voorkomen dat er misleidende financiële verslaggeving wordt gepubliceerd; en ii) daarmee de kansen van een succesvol disculpatieverweer door de individuele bestuurders te vergroten.125 Voorbeelden van waarschuwingssignalen zijn het ontdekken van een fraude en het ontdekken van de accountant van een materiële onjuistheid in de financiële verslaggeving;126
een mogelijke material weakness doet zich voor in de opzet of de werking van het risicobeheersingsysteem.
Deze vermoedens kunnen zich op verschillende manieren openbaren aan bestuurders. Te denken valt aan een melding van de accountant, een klokkenluider, ontvangen informatie van toezichthouders en berichten in de media. Het gaat er dan om dat de bestuurder niet alleen een bepaalde (geobjectiveerde) wetenschap had van de handelingen van ondergeschikten, maar ook dat die handelingen onderdeel uitmaakten van een onrechtmatige daad.127 Voorts is vereist dat de bestuurder de mogelijkheid en de bevoegdheid had zodanige maatregelen te treffen, dat het onrechtmatige handelen zou kunnen worden voorkomen of in elk geval beëindigd.128 Ik meen dat als de (geobjectiveerde) wetenschap ter zake van het onrechtmatige handelen van ondergeschikten aanwezig is bij een bestuurder, dat laatste criterium is vervuld. Er moet wel sprake zijn van een (persoonlijk) ernstig verwijt. Indien (geobjectiveerde) wetenschap ontbreekt, is daar geen sprake van. Ik kan mij voorstellen dat de aard van de gewraakte handeling en de kenbaarheid daarvan mee kan spelen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van (geobjectiveerde) wetenschap. Het maakt nogal wat uit of de gewraakte handeling en het gelopen risico betrekking heeft op bijvoorbeeld een zichtbare lekkage in een opslagtank van een gevaarlijke stof, of dat het gaat om een ingewikkelde, moeilijk te doorgronden boekhoudkundige constructie die niet door de beugel kan.
Het nalaten om opvolging te geven aan waarschuwingssignalen speelde onder meer bij Ceteco, ten aanzien van het gevaar van overstretching: "Desondanks zijn zij ondanks deze sterke signalen [dat het risico van overstretching zich zou kunnen realiseren] verder gegaan met de expansie van Ceteco, zonder daarbij te onderzoeken of de (op zichzelf geoorloofde) strategie om te kiezen voor expansie boven consolidatie in de gegeven omstandigheden kon worden voortgezet. Een dergelijk onderzoek had echter in de gegeven omstandigheden van een redelijk denkend bestuurder mogen worden verwacht. "129
10) Er vindt geen correctie plaats in geval van overschrijding van gestelde criteria en richtlijnen
Indien bestuurders statutaire bepalingen of interne richtlijnen die de vennootschap of een andere partij trachten te beschermen overtreden, is er in principe sprake van een ernstig verwijt dat tot aansprakelijkheid leidt.130 Maar ook voor organen geldende richtlijnen die geen statutaire basis hebben, vormen blijkens het Staleman/Van der Ven-arrest een relevante omstandigheid bij de beoordeling of er sprake is van behoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:9 BW.131 Ook als het gaat om de vaststelling van wanbeleid in het kader van een enquêteprocedure speelt dat een rol. Verwezen zij naar de Batco-beschikking, waarin relevant werd geoordeeld dat de onderneming in strijd handelde met de OECD-Guidelines waarvan haar moedermaatschappij extern had gecommuniceerd deze als richtlijn voor haar beleid te hebben aanvaard.132
In het jaarverslag dient volgens best practice bepaling 11.1.4 sub b van de Nederlandse Corporate Governance Code 2008 ook een beschrijving van de opzet en werking van de interne risicobeheersings- en controlesystemen met betrekking tot de voornaamste risico's in het boekjaar te worden opgenomen. In de toelichting bij de Nederlandse Corporate Governance Code 2008 wordt vermeld dat het bestuur in de verklaring dient te vermelden welk raamwerk of normenkader het heeft gehanteerd bij de evaluatie van het interne risicobeheersings- en controlesysteem.133 Aan de keuze voor de toepassing van een dergelijk raamwerk of normenkader ligt een bestuursbeslissing ten grondslag. Indien het bestuur daarvoor heeft gekozen, zou een dergelijk raamwerk kunnen worden beschouwd als een interne richtlijn, waaraan gedrag van bestuurders getoetst kan worden. Een belangrijke vraag is uiteraard wat de inhoud en reikwijdte van een dergelijke interne richtlijn zou zijn. Daarbij doet zich het probleem voor dat wel wordt gezegd dat het COSO-raamwerk (evenals de Turnbull guidance) geen effectieve richting geeft aan de manier waarop dat high level concept moet worden geïntegreerd in de realiteit van een ingewikkelde onderneming)134, laat staan een eenduidig normenkader.135 Het is een raamwerk, dat voornamelijk hoofdbeginselen en concepten bevat en voorziet in een gemeenschappelijke taal op het gebied van risicomanagement.
In het kader van risicobeheersing is het ook interessant om te bezien in hoeverre er aansprakelijkheid ontstaat voor bestuurders indien zij niet zelf dergelijke regels overtreden, maar mede-bestuurders of ondergeschikten in strijd handelen met interne regels.
In deze situatie gaat het erom dat er bijvoorbeeld interne criteria zijn voor risk exposure, die niet worden nageleefd, maar welke overtreding eenvoudigweg wordt gedoogd.136) Dit is een werkingsfout. In het strafrecht geldt dat wetenschap van strafbare feiten de verplichting schept om maatregelen te treffen.137 Ook in het vennootschapsrecht geldt dat "kennis over misstanden verplicht tot ingrijpen", zoals tijdens de behandeling van het Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht is bevestigd.138 Ook in enquête- en bestuurdersaansprakelijkheidsprocedures speelt dit beginsel een rol. Dat ging zelfs niet over misstanden die betrekking hadden op strafbaar of onrechtmatig gedrag, maar om intern gestelde criteria en richtlijnen. Een afwijking daarvan is niet zonder meer ongeoorloofd.
De Rechtbank Utrecht formuleerde terecht in de Ceteco-zaak: "Aan het enkele feit dat de begrote solvabiliteitsratio 's niet werden gehaald, kunnen niet zonder meer conclusies worden verbonden over het functioneren van de bestuurders of commissarissen. Voor de beoordeling van deze zaak is echter wel van belang op welke wijze de bestuurders en commissarissen hebben gereageerd op de tegenvallende solvabiliteitsratio's."139 (onderstr. toegev.)
In de Laurus-zaak constateerde de Ondernemingskamer een situatie waarin een bijstelling niet plaatsvond na geconstateerde waarschuwingssignalen: "Door ondanks alle negatieve signalen de uitvoering van het businessplan voort te zetten voorbij een punt waarbij geen aanvaardbare weg terug meer mogelijk was, heeft de hoofddirectie onverantwoorde risico's genomen waarbij uiteindelijk ook het voortbestaan van Laurus op het spel is komen te staan, met alle nadelige gevolgen van de betrokken belangen van dien. Moge voor het doorgaan op een onverantwoorde koers nog een psychologische verklaring denkbaar zijn — een zeer sterke focus op en geloof in het succes van de vernieuwde winkels —, rationeel kan daarvoor geen enkele rechtvaardiging worden gegeven, omdat de aantrekkingskracht van de nieuwe winkelformule — laat staan de haalbaarheid van de gehele ombouwoperatie — niet aan enige serieuze test is onderworpen. Het had dan ook reeds snel duidelijk moeten zijn geweest dat voormelde focus op een illusie berustte."140 (onderstr. toegev.)
11) In geval van overschrijding van gestelde criteria en richtlijnen worden deze genegeerd of omgebogen zonder nader onderzoek en beleidsafweging.
Ingeval bekend is dat er sprake is van afwijkingen van interne criteria en richtlijnen waartegen niet wordt opgetreden, kan de vraag worden gesteld of er eenvoudigweg sprake is van een gebrek in de handhaving, of dat dit het gevolg is van een afgewogen, verantwoorde (nieuwe) beleidskeuze. Laatstgenoemd aspect heeft betrekking op de zorgvuldigheid van besluitvorming. In het eerste geval is er sprake van een werkingsfout.
Dit speelde in Ceteco: "5.81 Terecht stellen de bestuurders en commissarissen zich op het standpunt dat het aan het bestuur van een onderneming is toegestaan om bestaande beleidsregels te wijzigen of om in concrete situaties van bestaande beleidsregels af te wijken. Er is echter geen sprake van een onbeperkte beleidsvrijheid, deze beleidsvrijheid wordt begrensd door hetgeen, alle omstandigheden in aanmerking genomen, van een redelijk denkend bestuurder en/of commissaris mag worden verwacht.
5.82. Indien bestuurders en commissarissen van mening zijn dat beleidsregels niet onverkort gehandhaafd kunnen worden vanwege de sterke groei van de onderneming en de daardoor sterk toenemende financieringsbehoefte, maar waarin tegelijkertijd geldt dat de bestuurders en commissarissen zich bewust waren van het feit dat juist een te sterke groei de (financiële) spankracht van de organisatie te boven zou gaan, ligt een onderzoek naar de vraag of de organisatie nog steeds in staat is de gevolgen van die groei te dragen in de rede.
[...J
5.88. Ook hier geldt dat het verwijt dat de bestuurders gemaakt kan worden niet zozeer het enkele feit betreft dat de regels zijn geschonden, maar wel dat zij de expansie van de organisatie hebben voortgezet terwijl zij wisten of hadden behoren te weten dat er tengevolge van de schending van de eigen normen geen goed beeld bestond van de eigen debiteurenportefeuille. [...J ”141 (onderstr. toegev.)
Als het — al dan niet na onderzoek — onwenselijk wordt geacht de interne richtlijnen bij te stellen, zullen die richtlijnen als uitgangspunt moeten worden gehandhaafd:
"5.153. Bij een ambitieus groeiprogramma waarvan de risico's voor de organisatie werden onderkend, had het op de weg van de bestuurders gelegen om ten aanzien van de schending van bovengenoemde eigen normen in te grijpen. De rechtbank overweegt daarbij dat bovengenoemde beleidsregels, afspraken en uitgangspunten ten doel hebben de processen en de beslissingen binnen de organisatie inzichtelijk te houden, alsmede de risico's, die
onvermijdelijk samenhangen met het ondernemersschap, zichtbaar te maken en binnen beheersbare grenzen te houden. In de omstandigheden waarin Ceteco verkeerde, een ambitieuze groeistrategie met aanmerkelijke risico's voor de organisatie als geheel, dient aan de naleving van dergelijke normen dan ook in beginsel een groot belang toegekend te worden. (onderstr. toegev.)
De Hoge Raad bekrachtigde ook een door de Ondernemingskamer aangenomen plicht tot ingrijpen in de Ogem-enquêteprocedure, waar speelde dat het bestuur van een (klein) dochtermaatschappij de concernleiding onvoldoende inlichtingen verstrekte en zich aan het toezicht en de leiding van de concerntop onttrok: "De raad van bestuur van Ogem Holding kon de directie van [die (klein)dochtermaatschappijJ richtlijnen en aanwijzingen met betrekking tot het te voeren beleid geven, waaraan die directie zich moeilijk kon onttrekken, nu de raad van bestuur van Ogem Holding het in zijn macht had om in te grijpen."142 (onderstr. toegev.)
12) Het nalaten mede-bestuurders en commissarissen te informeren over mogelijke incidenten en material weaknesses in systemen van risicobeheersing en interne controle
Volgens art. 2:141 lid 1 BW dient het bestuur de raad van commissarissen tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens te verstrekken. Aan deze verplichting dient het bestuur gevraagd en ongevraagd te voldoen.143 Bovendien dient het bestuur ten minste één keer per jaar de raad van commissarissen schriftelijk op de hoogte te stellen van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, de algemene en financiële risico's en het beheers- en interne controlesysteem van de vennootschap. Er bestaat geen expliciete wettelijke verplichting voor bestuurders om elkaar te informeren. De wetgever heeft echter herhaaldelijk uitgesproken dat het niet verschaffen van inlichtingen aan commissarissen144 of mede-bestuurders,145 zodat die hun (toezicht)functie niet kunnen uitoefenen, onder omstandigheden als onbehoorlijk bestuur kan worden bestempeld.146 De keerzijde daarvan is dat dit onder omstandigheden ook een disculpatiegrond kan zijn voor mede-bestuurders en commissarissen.
13) Het doen van misleidende publieke mededelingen over risicobeheersing.
Onvoldoende transparantie over risico's en risicobeheersing kan zich globaal op drie manieren manifesteren:
i) nalaten om bepaalde ter zake van risico's en risicobeheersing wettelijk voorgeschreven mededelingen te doen;
nalaten om bepaalde koersgevoelige informatie op dit gebied (tijdig) mede te delen;
iii) het doen van misleidende publieke mededelingen op dit gebied.147
Art. 2:391 leden 1 en 4 BW en de Nederlandse Corporate Governance Code 2008 bevatten een aantal voorschriften over de informatie die het bestuur in het jaarverslag moet geven over risico's en risicobeheersing, aan te duiden als risk disclosures.
Volgens art. 2:391 lid 1 BW dient het jaarverslag een beschrijving te geven van de voornaamste risico's en onzekerheden waarmee de rechtspersoon wordt geconfronteerd.148 Ingevolge art. 2:391 lid 2 BW dient onder meer in het jaarverslag mededelingen te worden gedaan omtrent de verwachte gang van zaken; daarbij wordt, voor zover gewichtige belangen zich hiertegen niet verzetten, in het bijzonder aandacht besteed aan onder meer de omstandigheden waarvan de ontwikkeling van de omzet en de rentabiliteit afhankelijk is. Ten aanzien van het gebruik van financiële instrumenten dienen bovendien uit hoofde van art. 2:391 lid 3 BW — voor zover zulks van betekenis is voor de beoordeling van de activa, passiva, financiële toestand en resultaat van de rechtspersoon — de doelstellingen en het beleid van de rechtspersoon inzake risicobeheer te worden vermeld. Daarbij dient aandacht besteed te worden aan het beleid inzake de afdekking van risico's verbonden aan alle belangrijke soorten voorgenomen transacties en door de rechtspersoon gelopen prijs-, krediet-, liquiditeits- en kasstroomrisico's.
Zo schrijft de Nederlandse Corporate Governance Code 2008 in best practice bepaling 11.1.3 voor dat er een op de vennootschap toegesneden intern risicobeheersings- en controlesysteem aanwezig is. Als instrumenten van dat systeem dient de vennootschap in ieder geval te hanteren: risicoanalyses van de operationele en financiële doelstellingen van de vennootschap, handleidingen voor de inrichting van de financiële verslaggeving en de voor de opstelling daarvan te volgen procedures en een systeem van monitoring en rapportering.
Volgens de Nederlandse Corporate Governance Code 2008 dienen volgens best practice bepaling 11.1.4 de werking van het interne risicobeheersings- en controlesysteem in het verslagjaar, de eventuele significante wijzigingen die in die systemen zijn aangebracht, welke eventuele belangrijke verbeteringen van die systemen zijn gepland, een beschrijving van de voornaamste risico's gerelateerd aan de strategie van de vennootschap, een beschrijving van de opzet van de risicobeheersings- en controlesystemen met betrekking tot de voornaamste risico's in het boekjaar149 en een beschrijving van eventuele belangrijke tekortkomingen in de interne risicobeheersings- en controlesystemen die in het boekjaar zijn geconstateerd.
Best practice bepaling 11.1.5 bevat de verplichting voor het bestuur om in het jaarverslag een "in control"-verklaring af te geven. Voor jaarverslagen vanaf het boekjaar beginnend op of na 1 januari 2009 dient deze in te houden dat "de interne risicobeheersings- en controlesystemen een redelijke mate van zekerheid geven dat de financiële verslaggeving geen onjuistheden van materieel belang bevat en dat de risicobeheersings- en controlesystemen in het verslagjaar naar behoren hebben gewerkt", met een duidelijke onderbouwing daarvan.150
Voor voornoemde best practice bepalingen geldt het comply or explain principe. Indien het bestuur niet de voorgeschreven verklaring kan afgeven, dient dit te worden vermeld en daarvoor een motivering te worden opgenomen in het jaarverslag.
Behoudens deze regels zijn er weinig praktische handvaten voor het opstellen daarvan.151
De vraag is nu wat de verantwoordelijkheid is van bestuurders bij het doen van risk disclosures. Mededelingen over risico's en risicobeheersing kunnen op basis van wet- en regelgeving zijn opgenomen in financiële verslaggeving. Daarnaast kan het zo zijn dat bestuurders in het jaarverslag of daarbuiten (tijdens aandeelhoudersvergaderingen, persconferenties, roadshows, interviews of analisten conference calls) daar vrijwillig mededelingen over hebben gedaan.
Bestuurders hebben al een verantwoordelijkheid ten aanzien van risicobeheersing die losstaat van het doen van externe mededelingen. Daar komt nog bij dat zij tijdig de volgens wet- en regelgeving voorgeschreven risk disclosures moeten doen, en dat deze niet misleidend mogen zijn. Een behoorlijke taakvervulling houdt in dat bestuurders goed voor ogen hebben wat de publicatievereisten zijn en ervoor zorgen dat c.q. toezicht houden of daaraan wordt voldaan. Dit vergt bijvoorbeeld ook dat als er zich er een nieuwe belangrijk risico voordoet die niet in het jaarverslag is vermeld, dat aanleiding kan zijn om dat kenbaar te maken in een separate externe mededeling. Denkbaar is ook dat de risk disclosures op de website van de vennootschap worden bijgehouden en geactualiseerd.
Ten aanzien van de inhoud van de risk disclosures dienen de leden van het daarvoor verantwoordelijke orgaan zich ervan te vergewissen dat deze juist en niet misleidend is; zij dienen zich daartoe voldoende inspanningen te getroosten.152 Indien dat aangewezen is dienen zij daartoe ook informatie in te winnen bij de voor de relevante materie binnen de organisatie verantwoordelijke personen. Tot op bepaalde hoogte mag worden afgegaan op informatie van ondergeschikten. Dat mag echter geen "blind" vertrouwen zijn.
In de praktijk worden door sommige ondernemingen wel "Disclosure Committees" ingesteld, waarin ook commissarissen of non-executives zitting hebben.
Conclusie
Er zou een onderscheid gemaakt kunnen worden tussen risico's die het bestuur vrijwillig heeft aanvaard enerzijds en anderzijds: a) risico's die voortvloeien uit door de overheid opgelegde regels; en b) risico's die gevaar zetten voor derden. Voor de beheersing van de onder a) en b) weergegeven risico's zouden in het algemeen zwaardere eisen mogen worden gesteld aan de behoorlijkheid van de taakvervulling dan voor de vrijwillig aanvaarde risico's. Als het gaat om vrijwillig aanvaarde bedrijfseconomische risico's moet er sprake zijn van ernstig falen. Niet ieder project dat onjuist uitpakt moet tot aansprakelijkheid kunnen leiden. Het gevaar voor aansprakelijkheid ontstaat met name als door inadequate beheersing van dergelijke risico's het voortbestaan van de onderneming op het spel wordt gezet, terwijl dat niet in overeenstemming was met de risk appetite. Indien het voortbestaan van de onderneming op deze wijze op het spel wordt gezet, kan een situatie ontstaan waarin de onderneming niet meer kan herstellen van de verliezen, dat de schade voor de vennootschap en haar aandeelhouders definitief is geworden — hetzij door het faillissement van de vennootschap, hetzij een gedwongen overname en uitkoop van de aandeelhouders.
De Nederlandse wet- en regelgeving bevat een algemeen raamwerk, dat in grote lijnen de verplichtingen uiteenzet ten aanzien van risicobeheersing en externe mededelingen over risico's en risicobeheersing. Het bevat geen concrete richtlijnen voor bestuurders hoe zij hun risicobeheersingstaken behoorlijk dienen te vervullen153 en welke normen, stramienen en methoden hierbij gehanteerd moeten worden.154 Voor rechters volgen daar evenmin duidelijke richtlijnen uit waaraan zij veel houvast zullen hebben indien zij over die taakvervulling moeten oordelen.
In de praktijk zijn de meest concrete regels op het gebied van risicobeheersing de interne regels en criteria die binnen individuele ondernemingen worden opgesteld. Interne regels vastgelegd in statuten of anderszins, die zich richten tot bestuurders, vormen een relevante omstandigheid bij de beoordeling of er sprake is van behoorlijke taakvervulling of wanbeleid.
Het valt uit de geanalyseerde jurisprudentie inderdaad op dat rechters met name aanknopingspunten lijken te zoeken bij intern geldende regels en besluiten en de opvolging die daaraan wordt gegeven — of juist het gebrek daaraan; in het bijzonder worden meetbare criteria getoetst. Vanuit juridisch perspectief zijn dergelijke interne richtlijnen en criteria dus belangwekkend. De inhoud daarvan bepaalt in belangrijke mate de normen waaraan bestuurders zich moeten houden. Dat geldt ook op het gebied van risicomanagement. Een ander gezichtspunt betreft het belang van de beoordeling van de proceszorgvuldigheid; of belangwekkende besluiten zorgvuldig tot stand zijn gekomen.155 Zo bezien hebben bestuurders bij hun beleidsvorming het normenkader waaraan hun handelen zal worden getoetst dus in belangrijke mate zelf in de hand. Uiteindelijk hebben zij het in hun macht om de inhoud van de interne richtlijnen en procedures tot naleving daarvan te bepalen. Hetzelfde geldt voor de manier waarop zij de besluitvorming voorbereiden.
Hierbij lijkt zich een paradox voor te doen: zowel "onderregulering" als regulering bergen aansprakelijkheidsrisico's in zich. Indien er geen risicobeheersingssystemen zijn, vervult het bestuur zijn taak niet behoorlijk. Maar als er eenmaal richtlijnen en protocollen zijn opgesteld, ontstaat wel een bepaalde verwachting dat deze regels worden gevolgd en gehandhaafd. Bij het opstellen daarvan is het derhalve van belang dat vooraf moet worden vastgesteld of de gestelde criteria en regels wel realistisch en te handhaven zijn. Dit vergt een goede kosten/baten-analyse. Daarbij heeft het bestuur, afhankelijk van de aard van de risico's, een bepaalde beleidsvrijheid.
Voor het maken van keuzes ten aanzien van de inrichting van de risicobeheersing binnen de onderneming, de schatting van risico's en de keuze van de risicoreactie geniet de bestuurder een aanzienlijke mate van beleidsvrijheid. Van praktisch belang is dat de besluitvorming terzake is gebaseerd op adequate informatie, een gebalanceerde afweging en ten slotte goed wordt vastgelegd.
Ook ten aanzien van het extern communiceren van de intern geldende normen en procedures zal een dergelijke afweging moeten worden gemaakt. Publieke mededelingen kunnen immers bepaalde gerechtvaardigde verwachtingen wekken.
Daarnaast tekent zich in de jurisprudentie een ontwikkeling af dat het handelen van bestuurders getoetst wordt aan een "standaard bestuurder".156 Die toets neemt de vorm aan van hetzij een integrale toets — waarbij de bestuurder moet voldoen aan de vereisten van een standaard bestuurder — hetzij een marginale toets — waarbij een bestuurder eerst in de gevarenzone komt indien hij handelt zoals geen enkele "standaard bestuurder" zou handelen.
Globaal zouden de vereisten aan een "standaard"-bestuurder op het gebied van risicobeheersing als volgt kunnen worden samengevat. Een zorgvuldig bestuurder dient zich voldoende inspanningen te getroosten om ervoor te zorgen dat er op de aard en omvang van de onderneming en haar activiteiten processen aanwezig zijn die zorgen dat belangrijke risico's binnen de onderneming worden gesignaleerd, dat deze transparant worden gemaakt binnen de organisatie en worden gerapporteerd aan het bestuur, waardoor het bestuur in staat wordt gesteld om: i) goed geïnformeerde beslissingen te nemen, ii) zoveel mogelijk verrassingen te voorkomen, opdat verliezen zoveel mogelijk op die plaatsen worden geleden en in een omvang waar het bestuur dat heeft ingecalculeerd157, iii) tijdig in te grijpen als risico's zich verwezenlijken, en iv) juiste informatie publiek te maken over risico's en risicobeheersing binnen de onderneming. Het bestuur dient erop toe te zien dat er een interne controle is die erop toeziet dat deze processen worden geïmplementeerd, nageleefd en gehandhaafd. Als er serieuze aanwijzingen zijn dat er sprake is van een materiële zwakte in de systemen of de werking van die systemen, dan dient daarnaar een nader onderzoek te worden ingesteld. Bij materiële incidenten dient het bestuur te handelen, hetzij door de regels te handhaven, hetzij door na een afgewogen beslissing te besluiten niet te handelen of procedures aan te passen.
Uiteindelijk moet het in dit soort zaken niet gaan om het enkele feit dat er een groot verlies is geleden, maar wel of het risico voorzienbaar was, en zo ja of er een bewuste, goed geïnformeerde en gedocumenteerde keuze was gemaakt om een bepaald risico te nemen, die keuze is bekend gemaakt, maatregelen zijn genomen ter beheersing van dat risico of vervolgens het risico adequaat is gemonitord en of er voldoende schadebeperkende maatregelen zijn genomen toen het risico zich verwezenlijkte.