Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/6.5:6.5 Naar een meer integrale behandeling
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/6.5
6.5 Naar een meer integrale behandeling
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de aanbeveling van de rapporteur Europees Semester 2014, Kamerstukken II 2014/15, 33 574, nr. 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in hoofdstuk 4 al kort is genoemd kan, om de democratische legitimatie van het Europees economisch bestuur te versterken, de nationale parlementaire betrokkenheid bij het besluitvorming in EU-verband op twee manieren worden versterkt. Enerzijds via de betrokkenheid van het nationale parlement op EU-niveau en anderzijds via versterkte betrokkenheid van het nationale parlement bij de controle van de regering op het nationale niveau. Mogelijkheden voor het versterken van de betrokkenheid van het nationale parlement op EU-niveau zijn reeds in hoofdstuk 4 geschetst.
Hier is het echter de plaats om te bezien in hoeverre de betrokkenheid van het Nederlandse parlement bij het Europees Semester op het nationale niveau zo nodig zou kunnen worden versterkt. Zoals hiervoor uiteengezet is het voor het Nederlandse parlement in ieder geval van belang om de inzet van zijn bevoegdheden aan te passen aan het moment en de wijze waarop over de begroting wordt besloten in het licht van het Europees economisch bestuur, om te zorgen dat het in alle fases zoveel als mogelijk betrokken is bij de besluitvorming over de begroting, zowel in het Europese deel van het Europees Semester, maar ook tijdens de implementatie ervan op nationaal niveau. Daarbij is het van belang dat het parlement inzicht heeft in de complexe cyclus, de samenhang tussen de verschillende onderdelen van het Europees Semester en de wisselwerking en verwevenheid tussen de Europese en nationale besluitvormingsprocedures. Uit hoofdstuk 2 volgt dat de wijze waarop in de politieke praktijk, binnen bepaalde grenzen, invulling wordt gegeven aan het budgetrecht kan worden aangepast aan veranderende omstandigheden. Er is dan ook geen directe aanleiding om nieuwe bevoegdheden te creëren voor het parlement om de regering te controleren.
Uit hetgeen in dit hoofdstuk besproken is volgt dat met name de Tweede Kamer minder aandacht heeft voor de integrale behandeling van het Europees Semester aan de hand van de rapporten van de Europese Commissie, onder andere door de verkokerde werkwijze bij de controle van de minister, terwijl de besluitvorming in het Europees Semester zich grotendeels concentreert in de Commissiefase. Daarnaast raakt het Europees Semester aan het beleidsterrein van een heel aantal vaste commissies in de Tweede Kamer. Om de betrokkenheid van met name de Tweede Kamer bij het Europees Semester te versterken zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan het introduceren van een werkwijze waarbij op bepaalde geijkte momenten integraal wordt gesproken over het Europees Semester, aan de hand van de rapporten van de Europese Commissie. Het ligt voor de hand om een dergelijk moment in te passen nadat de Europese Commissie haar jaarlijkse groeianalyse en de aanbevelingen voor de eurozone heeft gepresenteerd in november en wanneer de Europese Commissie haar landenspecifieke aanbevelingen heeft gepresenteerd in mei. Een dergelijke bijeenkomst zou kunnen plaatsvinden tussen afgevaardigden van verschillende bij het Europees Semester betrokken vaste Kamercommissies.
Meer aandacht voor een integrale behandeling van het Europees Semester aan de hand van de rapporten van de Europese Commissie kan ervoor zorgen dat het parlement en met name de Tweede Kamer zich bewuster is van de EU-besluitvorming, meer zicht heeft op de bredere ontwikkelingen in het Europees Semester en de gevolgen ervan voor Nederland. En uiteindelijk daarmee ook meer betrokken is bij de wijze waarop de landenspecifieke aanbevelingen worden geïmplementeerd op nationaal niveau.1 Bovendien kan de Tweede Kamer hiermee haar rol bij de controle van de minister in de Raad versterken. Waar het parlement dat nodig acht kan het bovendien meteen in de Commissiefase interveniëren, onder andere door middel van de politieke dialoog, en niet pas als het standpunt van de regering in de betreffende Kamercommissie wordt besproken aan de hand van het Commissierapport. Nadeel van een dergelijke werkwijze is echter wel dat het nieuwe momenten en procedures in het leven roept.