Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.2:18.3.2 Cautieplicht
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.2
18.3.2 Cautieplicht
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494641:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 oktober 1985, NJ 1986, 405 (m.nt. Van Veen), r.o. 5.1.1; zie ook HR 1 oktober 1985, NJ 1986, 406 (m.nt. Van Veen).
Fibbe 2011, p. 39.
Onder meer HR 26 maart 1985, NJ 1985, 756 en HR 23 december 1986, NJ 1987, 890. Betreffende het fiscaal strafrecht zie men HR 13 september 1988, NJ 1989, 454.
Zie § 10.4.2.2 hiervoor.
Zie § 17.3.2.3 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 29, lid 2 Sv is de cautieplicht vastgelegd. Deze verplichting behelst dat de verhorend ambtenaar de verdachte bij aanvang van het verhoor moet mededelen dat die niet verplicht is op vragen te antwoorden. In lid 3 is vastgelegd dat de cautie in het proces-verbaal van het verhoor wordt opgenomen. Omdat de cautie enkel bijdraagt aan de realisatie van het zwijgrecht en niet zelfstandig beperkingen oplegt aan de verplichting tot medewerking aan een opsporingsonderzoek, volsta ik met enkele opmerkingen over de cautieplicht.
Rechtstreekse confrontatie met verdachte
De cautieplicht is beperkt tot mondelinge verhoorsituaties. In zijn uitspraak van 1 oktober 1985, nr. 78 494, overweegt de strafkamer van de HR dat de wetgever bij het begrip ‘verhoor’ in art. 29 Sv voor ogen heeft gestaan een ondervraging waarbij sprake is van een persoonlijke en rechtstreekse confrontatie van de ondervraagde met degene die hem ondervraagt, waarbij wordt beoogd een communicatie tot stand te brengen tijdens welke van de verdachte wordt verwacht dat hij gelijk de hem gestelde vragen beantwoordt.1 Fibbe wijst erop dat deze beslissing (vijfentwintig jaar) oud is en dat zij aanleiding tot kritiek heeft gegeven. Niet geheel zeker is of de raad ook nu nog aan zijn toentertijd kenbaar gemaakte opvatting vasthoudt.2
Aanvangsmoment: ondervraging verdachte
De strafkamer van de HR is van opvatting dat de cautieplicht aanvangt op het moment dat iemand als verdachte wordt aangemerkt en in het kader daarvan wordt ondervraagd.3 Wanneer in de heffing- of boetesfeer sprake is van een directe confrontatie tussen de inspecteur en de verdachte en de inspecteur vragen stelt over de betrokkenheid van de verdachte bij een strafbaar feit, dus uitsluitend in de sfeer van het strafrecht, dan moet worden aangenomen dat de cautieplicht in art. 29, lid 2 Sv ook voor de inspecteur geldt. Zo die al voorkomen tijdens een onderzoek op basis van art. 47 AWR, zullen dergelijke vragen schaars zijn. Tenslotte is de inspecteur geen opsporingsambtenaar.
Relatie met de Straatsburgse rechtspraak
Eerder bleek dat het EHRM in art. 6 EVRM een cautieplicht leest. Dit ter onderscheiding van de opvatting dat een nationaalrechtelijke cautieplicht bijdraagt aan de realisatie van het (EVRM-)zwijgrecht. Dat geldt vooral wanneer het recht op verhoorbijstand ex art. 6, lid 3, onder c EVRM niet voldoende is gewaarborgd.4 Bij de bespreking van het boeterechtelijk zwijgrecht en de cautieplicht in art. 5:10a Awb kwam al ter sprake dat de op art. 6 EVRM steunende cautieplicht met zich meebrengt, dat de werkingssfeer van het EVRM-zwijgrecht bepalend is voor het antwoord op de vraag of een (wettelijke) cautieplicht voldoet aan de eisen die het Hof daaraan zou stellen.5