HR, 10-07-2015, nr. 14/05014
14/05014
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-07-2015
- Zaaknummer
14/05014
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1773, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑07‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2014:2862, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑07‑2015
- Wetingang
art. 15.33 Wet milieubeheer
- Vindplaatsen
Belastingblad 2015/355 met annotatie van M.R.P. de Bruin
JAF 2015/527 met annotatie van mr. M.A. Toepoel
JG 2015/57 met annotatie van mr. R. de Korte
NTFR 2016/161
NTFR 2015/2028 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
FutD 2015-1700
Viditax (FutD) 2015071014
Uitspraak 10‑07‑2015
Inhoudsindicatie
art. 15.33, lid 1 Wet milieubeheer; woonruimte in zorgcentrum terecht aangemerkt als een voor het voeren van een particuliere huishouding bestemd perceel waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen ontstaan (vgl. HR 18 september 1991, BNB 1991/333).
Partij(en)
10 juli 2015
nr. 14/05014
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te [Z] (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 augustus 2014, nr. BK-13/01715, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/4135) betreffende de aan erflaatster voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Den Haag. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Erflaatster verbleef in 2012 in woonzorgcentrum “[C]” in [Z]. Zij beschikte daar over een woonruimte (hierna: de woonruimte) met een bruto vloeroppervlakte van 68 m², bestaande uit een kamer, een slaapkamer en een douche-/wc-ruimte. In de woonruimte bevindt zich een keukenblok met een kraan en aansluitingen voor een kooktoestel en elektrische apparatuur. De energietoevoer naar het keukenblok is afgesloten.
2.1.2.
Aan erflaatster is voor het jaar 2012 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd.
2.1.3.
De Verordening afvalstoffenheffing van de Gemeente Den Haag luidde voor het jaar 2012, voor zover hier van belang:
“Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit
1. Onder de naam afvalstoffenheffing wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2. (…)
Artikel 2 Belastingplicht
1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
2. (…) ”
2.1.4.
In de door erflaatster gevoerde huishouding ontstonden in 2012 huishoudelijke afvalstoffen.
2.1.5.
Het afval van het woonzorgcentrum wordt drie keer per week opgehaald door een particuliere afvalinzamelaar.
2.1.6.
De gemeente voldoet aan haar inzamelplicht door elke dinsdag met de vuilnisauto voor te rijden.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de woonruimte dient te worden aangemerkt als een perceel in de zin van artikel 15.33, lid 1, van de Wet milieubeheer. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de erflaatster in de woonruimte naar het spraakgebruik een particuliere huishouding voerde en de woonruimte, gedeelte van een onroerende zaak, blijkens inrichting en indeling is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen ontstaan als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1991, nr. 27597, BNB 1991/333.
2.3.
Aldus oordelend heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel is, gelet op de in 2.1.1 hiervoor genoemde feiten, niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daaraan kan, anders dan de middelen veronderstellen, niet afdoen dat de woonruimte voldoet aan de eisen die in het Bouwbesluit worden gesteld aan ruimten met een gezondheidszorgfunctie, dat de woonruimte geschikt is gemaakt voor het verlenen van verpleeghuiszorg en daarin met het oog op bewoning door intensieve zorg behoevende ouderen bijzondere voorzieningen zijn aangebracht, en dat de energietoevoer naar het in de woonruimte aanwezige keukenblok is afgesloten. Deze omstandigheden behoefden het Hof er niet van te weerhouden de woonruimte aan te merken als een voor het voeren van een particuliere huishouding bestemd perceel.
De middelen falen derhalve.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.
Beroepschrift 10‑07‑2015
Edelhoogachtbaar College,
Met dagtekening 28 augustus 2014 heeft Gerechtshof Den Haag aan partijen de uitspraak in de in het onderwerp genoemde procedure toegezonden. Een afschrift van de uitspraak is hierbij gevoegd. Ook treft u hierbij een machtiging waaruit onze vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt, aan. Door middel van dit schrijven stellen wij namens belanghebbende beroep in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag in. (BIJLAGEN 1 en 2)
Hierna zetten wij achtereenvolgens het geschil, de uitspraak van Gerechtshof Den Haag en onze beroepsgronden uiteen. We sluiten dit beroepschrift in cassatie af met onze conclusie.
1. Geschil
In geschil is het antwoord op de vraag of de kamer van wijlen [A] op de verpleegafdeling van woonzorgcentum [C] in [Z] een perceel als bedoeld in artikel 15.33, eerste lid van de Wet Milieubeheer is, zodat afvalstoffenheffing kan worden geheven. Gerechtshof Den Haag beantwoordt deze vraag bevestigend. Belanghebbende bestrijdt dit.
2. Algemeen
Gemeenten mogen alleen afvalstoffenheffing heffen in verband met het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Huishoudelijke afvalstoffen kunnen alleen afkomstig zijn uit particuliere huishoudens. Kamers in verpleeghuizen, waar mensen verblijven die niet zelf in hun dagelijkse behoeften kunnen voorzien, zijn geen particuliere huishoudens. De bewoners van deze kamers maken deel uit van een institutioneel huishouden. Voor het beheren van afvalstoffen van institutionele huishoudens mag een gemeente geen afvalstoffenheffing heffen. Dit volgt uit de volgende rechtsbronnen.
Ingevolge artikel 15.33, eerste lid van de Wet Milieubeheer kan de gemeenteraad ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 1.1, eerste lid van de Wet Milieubeheer geeft de definitie van huishoudelijke afvalstoffen: ‘afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen.’. In de Wet Milieubeheer ontbreekt een uitleg over het begrip ‘particulier huishouden’. Om die reden zoekt belanghebbende aansluiting bij definities van overheidsinstanties.
De definitie van een particulier huishouden is volgens het CBS: ‘Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf daar niet-bedrijfsmatig voorzien in de dagelijkse levensbehoeften.’. (BIJLAGE 3)
De definitie van een institutioneel huishouden is volgens het CBS: ‘Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en daar bedrijfsmatig worden voorzien in dagelijkse levensbehoeften. Ook de huisvesting vindt bedrijfsmatig plaats. Het gaat om personen in instellingen zoals verpleeg-, verzorgings- en kindertehuizen, gezinsvervangende tehuizen, revalidatiecentra en penitentiaire inrichtingen, die daar in principe voor langere tijd (zullen) verblijven. (BIJLAGE 4)
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, onderdeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, definieert de begrippen particulier huishouden en institutioneel huishouden als volgt: ‘Op 1 januari 2009 telde Nederland 16,5 miljoen inwoners en 7,3 miljoen huishoudens. Gemiddeld bestaat een huishouden uit 2,2 personen. Het gaat hier om zogenoemde particuliere huishoudens. Deze huishoudens worden gevormd door personen die alleen of samen in een woonruimte wonen en zelf in hun dagelijkse behoeften kunnen voorzien. Niet iedereen maakt deel uit van een particulier huishouden. In 2009 woonden 207.000 personen in een institutioneel huishouden, zoals een verpleeghuis, een psychiatrisch ziekenhuis, een penitentiaire inrichting of een gezinsvervangend tehuis.’ (BIJLAGE 5)
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) verwijst in een notitie over het begrip woonruimte naar een toelichting van het CBS: Volgens de notitie zijn er vier soorten tot bewoning bestemde gebouwen; woningen, wooneenheden, recreatiewoningen en bijzondere woongebouwen. Bijzondere woongebouwen zijn: ‘(woonruimten bestemd voor de huisvesting, van institutionele huishoudens zoals bejaardenoorden, verpleeghuizen en gezinsvervangende tehuizen). Van de bijzondere woongebouwen wordt de capaciteit vastgesteld. De capaciteit is te omschrijven als het totaal aantal leden van het institutionele huishouden dat in het bijzondere woongebouw gehuisvest kan c.q. mag worden. (…)’. (BIJLAGE 6)
3. Uitspraak Gerechtshof Den Haag
Gerechtshof Den Haag geeft de volgende uitleg aan het begrip perceel:
‘7.3.
Vast staat dat de woonruimte een gedeelte van een onroerende zaak is. Om te kunnen beoordelen of dit gedeelte — de woonruimte — blijkens inrichting en indeling is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen ontstaan, dient allereerst de vraag te worden beantwoord wat te verstaan is onder een particuliere huishouding. Het Hof laat zich hierbij leiden door het spraakgebruik. In het spraakgebruik wordt onder een particuliere huishouding verstaan een economisch-consumptieve eenheid van één of meer personen die alleen of gezamenlijk:
- —
een woonruimte voor woondoeleinden gebruikt (gebruiken),
- —
in zijn (hun) dagelijkse behoeften voorziet (voorzien) en
- —
de kosten daarvan draagt (dragen).
7.4.
Naar het oordeel van het Hof voerde erflaatster, getoetst aan deze omschrijving, in het onderhavige jaar in de woonruimte een particuliere huishouding. Aan dit oordeel doet niet af dat erflaatster de woonruimte had betrokken op basis van een zorgindicatie noch dat de bereiding van de maaltijden van erflaatster en een (groot) deel van de overige huishoudelijke activiteiten die in de woonruimte plaatsvonden, werden verzorgd door niet tot het huishouden van erflaatster behorende personen.
7.5.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de woonruimte blijkens inrichting en indeling is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding in de zo-even bedoelde zin. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij neemt het Hof in aanmerking hetgeen onder 3 is overwogen over de afmetingen, de inrichting, de indeling en de uitrusting van de woonruimte. Aan dit oordeel doet niet af dat de woonruimte voldoet aan de eisen die in het Bouwbesluit worden gesteld aan ruimten met een gezondheidszorgfunctie, dat de woonruimte geschikt is gemaakt voor het verlenen van verpleeghuiszorg, dat, om bewoning van de woonruimte door intensieve zorg behoevende ouderen mogelijk te maken, in de woonruimte bijzondere voorzieningen zijn aangebracht die doorgaans ontbreken in woonruimten die worden bewoond door mensen die geen zorg behoeven en dat de energietoevoer naar het in de woonruimte aanwezige keukenblok is afgesloten. Met betrekking tot dit laatste is mede van belang dat belanghebbenden ter zitting van het Hof hebben verklaard dat de aansluiting van het keukenblok op de energietoevoer op eenvoudige wijze kan worden hersteld.’
4. Beroepsgronden
4.1. Algemeen
De uitspraak van Gerechtshof Den Haag kan wegens schending van het recht, dan wel verzuim van vormen, niet in stand blijven. Dit lichten wij hierna toe.
4.2. Schending van het recht: artikel 15.33, eerste lid van de Wet Milieubeheer
Als eerste cassatiemiddel voert belanghebbende het volgende aan. Schending van het recht, dan wel verzuim van vormen, in het bijzonder strijd met artikel 15.33, eerste lid van de Wet Milieubeheer.
Gerechtshof Den Haag overweegt ten onrechte dat een kamer op een verpleegafdeling een particulier huishouden is en gaat daarbij uit van het spraakgebruik. Dit is onjuist. Het Hof zou aansluiting moeten zoeken bij definities die de overheid gebruikt voor het begrip particulier huishouden. Op basis de definities van het CBS, de toelichting van de Rijksoverheid, en volgens de terminologie die de VNG hanteert, maakt een verpleeghuiskamer deel uit van een institutioneel huishouden. Het onderscheid tussen een particulier en een institutioneel / bedrijfsmatig gevoerd huishouden wordt door het Hof ten onrechte niet gemaakt. Dit terwijl de wetgever doelbewust een splitsing heeft gemaakt. Voor particuliere huishoudens geldt de afvalstoffenheffing. Voor bedrijven is er het bedrijfsreinigingsrecht. Wij citeren uit het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 1983, LJN: AW8779, nr. 21 882, BNB 1983/320 (Belastingblad 1983, p. 630):
‘dat immers naast een afvalstoffenheffing als bedoeld in artikel 62 van de Afvalstoffenwet, naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever zoals blijkende uit de memorie van antwoord op het ontwerp dat tot die wet heeft geleid (bladzijden 50 en 51), geen plaats meer is voor het heffen van een reinigingsrecht ter bestrijding van de kosten van de gemeentelijke dienstverlening bedoeld in artikel 3, lid 1, van genoemde wet;’
In de genoemde memorie van toelichting (behorende bij de Bij Wet van 13 mei 1993, Stb. 283, tot uitbreiding van de Wet milieubeheer) is voorts het volgende opgenomen:
‘De regeling in dit wetsvoorstel kenmerkt zich evenals de huidige afvalstoffenwetgeving door een koppeling van het tot beleidsvorming en -uitvoering bevoegde gezag aan de te sturen en te beheersen categorie afvalstoffen. Op basis van de herkomst van de afvalstoffen worden daarbij de volgende categorieën afvalstoffen onderscheiden:
- —
huishoudelijke afvalstoffen;
- —
bedrijfsafvalstoffen.
De redenen voor het onderscheid tussen huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen liggen in de bijzondere aanpak van de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen en de uitzondering die voor deze aanpak wordt gemaakt op het algemene uitgangspunt van dit wetsvoorstel dat de — samenwerkende — provincies de primair verantwoordelijke instantie zijn voor het beleid inzake de verwijdering van afvalstoffen. Met het oog op de doelstelling van een doelmatige verwijdering wordt voor de categorie huishoudelijke afvalstoffen bepaald dat de gemeenten dienen zorg te dragen voor de inzameling ervan.’ (MvT, p. 49)
en
‘ (…)Huishoudelijke afvalstoffen onderscheiden zich namelijk van de overige categorieën doordat de overheid heeft gemeend om een taak op zich te moeten nemen, die primair rust op de burger zelf. De wens tot het voorkomen van een ondoelmatige en bovendien milieuhygiënisch onverantwoorde verwijdering door een diffuse verspreiding van deze afvalstoffen heeft geleid tot een samenstel van bepalingen dat erop gericht is dat alle huishoudelijke afvalstoffen worden afgegeven aan een door de overheid aangewezen dienst.(…)’
(MvT, p. 50 en 51)
en
‘De in het hoofdstuk Afvalstoffen opgenomen gemeentelijke plicht is de voortzetting van de wettelijke verplichting die de Afvalstoffenwet de gemeente oplegt.(…)’
(MvT, p. 51)’
De taak voor het afvoeren van afval ligt in een verpleeghuis op de instelling die de zorg verleent. Cliënten, die veelal te maken hebben met ernstige somatische en psychogeriatrische aandoeningen, kunnen niet verantwoordelijk gehouden worden voor het juist aanbieden van afval. Het zijn precies dergelijke huishoudelijke taken die bij opname in een verpleeghuis worden overgedragen aan de zorginstelling. Voor inzamelen van het afval, niet alleen van voedsel e.d. maar ook specifiek afval van het verpleeghuis zoals restanten van medicijnen, kan de instelling een beroep doen op een particuliere afvalinzamelaar of op de gemeente, mits deze gemeente bedrijfsafval inzamelt. In dat laatste geval zal de gemeente aan de instelling een aanslag reinigingsrecht opleggen, voor zover deze instelling geen gebruik maakt van een particuliere vuilafhaaldienst. Voor woonzorgcentum [C] in [Z] is een afvalinzamelcontract met een particuliere vuilafhaaldienst gesloten.
4.3. Schending van het recht: artikel 15.33, eerste lid van de Wet Milieubeheer
Als tweede cassatiemiddel voert belanghebbende het volgende aan. Schending van het recht, dan wel verzuim van vormen, in het bijzonder strijd met artikel 15.33, eerste lid van de Wet Milieubeheer.
Gerechtshof Den Haag oordeelt naar spraakgebruik dat onder een particulier huishouden wordt verstaan een economisch-consumptieve eenheid van één of meer personen die alleen of gezamenlijk onder andere in zijn (hun) dagelijkse behoeften voorziet (voorzien). De uitspraak is in strijd met de criteria die het Hof aanlegt:
- —
een woonruimte voor woondoeleinden gebruikt (gebruiken),
- —
in zijn (hun) dagelijkse behoeften voorziet (voorzien) en
- —
de kosten daarvan draagt (dragen).
Volgens het Hof voldoet het huishouden van belanghebbende aan de criteria. Dit oordeel is onjuist en onbegrijpelijk nu het Hof zelf opmerkt dat een groot deel van de huishouden werd verzorgd door niet tot het huishouden van erflaatster behorende personen. Verder geldt het volgende.
Wijlen [A] woonde op de verpleegafdeling van woonzorgcentrum [C] Het verblijf in een verpleeghuis is van duurzame aard, en de kamers zijn veelal vergelijkbaar ingericht als kamers in traditionele woningen. Dit betekent echter niet dat de bewoners van de verpleegafdeling van woonzorgcentrum [C] een werkelijke bijdrage leveren aan het huishouden dat op die afdeling wordt gevoerd. Er is sprake van een bedrijfsmatig huishouden. De cliënten voorzien niet zelf in hun dagelijkse behoeften. Zij worden in hun dagelijkse behoeften, door het altijd aanwezige personeel van de zorginstelling, voorzien. Om dat mogelijk te maken heeft de zorginstelling verdeeld over meerdere locaties 2.390 mensen in dienst.
Wij stellen ons op het standpunt dat alleen van een particulier huishouden kan worden gesproken als dat huishouden wordt gevoerd door de betreffende particulier. Als iemand nagenoeg volledig bedrijfsmatig door het personeel van een zorginstelling in diens levensbehoeften wordt voorzien, dan kan niet meer gesproken worden van een particulier huishouden. Als geen sprake is van een particulier huishouden, dan wordt er aan afvalstoffenheffing niet toegekomen.
4.4. Schending van het recht: jurisprudentie Hoge Raad 19 december 2003, LJN: AO0652, nr. 38874, BNB 2004/101.
Als derde cassatiemiddel voert belanghebbende het volgende aan. Schending van het recht, dan wel verzuim van vormen, in het bijzonder strijd met het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2013.
In het genoemde arrest bevat de volgende rechtsoverweging:
‘3.2.
Deze bepalingen van de Verordening strekken ertoe, zulks in overeenstemming met artikel 15.33, lid 1, van de Wet milieubeheer, aan de afvalstoffenheffing te onderwerpen degenen die feitelijk gebruik maken van een perceel waarvoor de gemeentelijke inzamelplicht geldt en derhalve te heffen daar waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding kunnen ontstaan. In overeenstemming met die strekking is een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan, een perceel in de zin van de Verordening.’
Voorwaarde voor het opleggen van een aanslag afvalstoffenheffing is dat er sprake is van een ruimte die blijkens indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het object is blijkens indeling en inrichting bestemd voor het voeren van een institutioneel huishouden. Dit blijkt ook uit de uitspraak van het Hof:
‘(…) de woonruimte voldoet aan de eisen die in het Bouwbesluit worden gesteld aan ruimten met een gezondheidszorgfunctie, dat de woonruimte geschikt is gemaakt voor het verlenen van verpleeghuiszorg, dat, om bewoning van de woonruimte door intensieve zorg behoevende ouderen mogelijk te maken, in de woonruimte bijzondere voorzieningen zijn aangebracht die doorgaans ontbreken in woonruimten die worden bewoond door mensen die geen zorg behoeven en dat de energietoevoer naar het in de woonruimte aanwezige keukenblok is afgesloten.(…)
De kamer is, gelet op het voorgaande, niet bestemd als particulier huishouden. De functie van die ruimte is die van verpleeghuiskamer. Dat de ruimte geschikt gemaakt zou kunnen worden voor het voeren van een particulier huishouden doet hieraan niet af. Veel ruimten zoals kantoorruimten, ziekenhuiskamers en garages zouden na het maken van aanpassingen zoals het installeren van een al dan niet elektrische kookgelegenheid gebruikt kunnen worden voor het voeren van een particulier huishouden. Dat maakt die ruimten, zolang die aanpassingen niet zijn gemaakt, echter nog niet tot percelen in de zin van de Wet Milieubeheer. Getoetst moet worden of de ruimte met de bestaande indeling en inrichting bestemd is voor het voeren van een particulier huishouden. De feitelijke situatie in het tijdvak is bepalend. Wij citeren in dit verband uit het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3592 over de afbakening van een WOZ-object. Vastgesteld wordt dan niet van belang is dat een deel van een gebouw afsluitbaar gemaakt zou kunnen worden. Bepalend is de toestand waarin het gebouwd eigendom in feite verkeert:
‘Het vierde middel berust onder meer op de stelling dat een gedeelte van een gebouwd eigendom redelijk afsluitbaar is indien sprake is van een tussendeur die op relatief eenvoudige wijze kan worden voorzien van een deurslot. Echter, de enkele omstandigheid dat een gedeelte van een gebouwd eigendom op relatief eenvoudige wijze afsluitbaar gemaakt zou kunnen worden, brengt niet mee dat dit gedeelte afsluitbaar is. Bepalend is de toestand waarin het gebouwd eigendom in feite verkeert.’
In een verpleeghuiskamer die conform het Bouwbesluit is ingedeeld en ingericht om gezondheidszorg te verlenen, en bovendien niet beschikt over een kookgelegenheid, is naar indeling en inrichting beoordeeld niet bestemd voor het voeren van een particulier huishouden.
5. Conclusie
Wij concluderen dat de uitspraak van Gerechtshof Den Haag niet in stand kan blijven. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de onderhavige verpleeghuiskamer een perceel in de zin van de Wet Milieubeheer is. Wij verzoeken uw Raad om de uitspraak van Gerechtshof Den Haag, alsmede de onderhavige aanslag afvalstoffenheffing, te vernietigen.
Tot slot verzoeken wij uw Raad om de gemeente Den Haag te veroordelen tot vergoeding van de kosten van deze procedure.