Conversie en aandelen
Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/16.1.1:16.1.1 Algemene beginselen vruchtgebruik
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/16.1.1
16.1.1 Algemene beginselen vruchtgebruik
Documentgegevens:
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS369469:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik ga uit van een vordering op naam, nu hiervan in de overgrote meerderheid van de gevallen sprake zal zijn bij verrekening van een vordering met de stortingsplicht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alvorens nader in te gaan op de bijzonderheden ten aanzien van verrekening van de verplichting uit hoofde van de stortingsplicht met een vordering belast met een vruchtgebruik enige algemene beginselen van vruchtgebruik op vorderingen.
Vruchtgebruik geeft het recht om goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten (3:201 BW). Vruchtgebruik ontstaat door vestiging of verjaring. Vestiging geschiedt op de wijze als is voorgeschreven voor de levering van het met vruchtgebruik te belasten goed (3:98 BW). De levering van een vordering op naam1 geschiedt door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan de persoon tegen wie het recht kan worden uitgeoefend (3:94 lid 1 BW). Levering kan ook geschieden zonder deze mededeling mits deze rechten op het tijdstip van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. De levering kan dan niet worden tegengeworpen aan de schuldenaar dan na mededeling daarvan aan de schuldenaar door de vervreemder of de verkrijger. De verkrijger komt slechts derdenbescherming tegen de onbevoegdheid van de vervreemder in de zin van artikel 3:88 lid 1 BW toe indien de verkrijger te goeder trouw is op het moment van de mededeling aan de schuldenaar en de onbevoegdheid van de vervreemder voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder (3:94 lid 3 BW).