Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.2.1.3
4.2.1.3 Vestigingsplaats
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398317:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stevens geeft een opsomming van de verschillende factoren die van belang zijn bij het bepalen van de vestigingsplaats die uit de jurisprudentie gedestilleerd kunnen worden S.A. Stevens, Belastingplicht in de vennootschapsbelasting, FED Fiscale Brochures, Kluwer 2009, paragraaf 1.4.2. Verburg wijst er op dat de oorsprong van deze algemene regel voor wat lichamen betreft, is te vinden in een rechterlijk vonnis gewezen in 1912 (Rechtbank Rotterdam 19 december 1912, B 1124) J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Hand – en Studieboeken nr. 4 Kluwer, 2e druk, 2000, paragraaf 3.3.1.
Zie J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken Vennootschapsbelasting, FED Fiscale Studieseries nr. 31, 9e druk, Kluwer, 2013, paragraaf 4.2.
De staatssecretaris heeft in een brief van 4 november 2016 aan de Tweede Kamer aangegeven niets te zien in het inbouwen van substance-eisen in de fictieve vestigingsplaatseis. Voor een kritische uiteenzetting en pleidooi voor het afschaffen van de fictieve vestigingsfictie om zo belastingontwijking te voorkomen zie J.J. van den Broek, De fictieve vestigingsplaatsfictie, een achterhaald verschijnsel, NTFR 2017/1845.
Uit HR 17 februari 1993, nr. 28 260, BNB 1994/163 blijkt dat het lichaam nog wel als binnenlandse belastingplichtige wordt aangemerkt.
De genoemde lichamen in art. 1 Wet VPB 1969 zijn binnenlands belastingplichtig indien de lichamen in Nederland zijn gevestigd (art. 2, eerste lid, aanhef, Wet VPB 1969). Volgens art. 4 van de Algemene Wet inzake Rijksbelasting (AWR) wordt de vraag waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is naar de omstandigheden beoordeeld.1 Daarnaast geldt in Nederland een vestigingsplaatsfictie. Indien lichamen zijn opgericht naar Nederlands recht dan worden deze lichamen geacht te zijn gevestigd in Nederland (art. 2 lid 4 Wet VPB 1969). Deze bepaling vinden we voor het eerst terug in het Besluit VPB 1942 en heeft qua oorsprong een relatie met de Rijkswet zetelverplaatsing. De bepaling had tot doel er voor te zorgen dat in geval van oorlog of iets dergelijks, de naar Nederlands recht opgerichte lichamen hun feitelijke leiding zouden kunnen verplaatsen naar de Koninkrijksdelen overzee zonder dat dan eindafrekening het resultaat zou zijn.2 Art. 2 lid 4 Wet VPB 1969 heeft in de loop der jaren aan belang ingeboet door een steeds groter wordende limitatieve opsomming van wetsartikelen waarnaar de vestigingsplaatsfictie niet doorwerkt. Wel speelt de vestigingsplaatsfictie een rol in de in hoofdstuk 2.3.1 besproken aantrekkelijkheid van ons fiscale vestigingsklimaat. Door de fictie is het voor zogenoemde brievenbusmaatschappijen relatief eenvoudig in Nederland gevestigd te zijn en fiscaal te kwalificeren als inwoner. Dat laatste geeft toegang tot het uitgebreide Nederlandse verdragennetwerk.3
Indien een lichaam naar Nederlands recht is opgericht, maar feitelijk is gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten, zorgt de zogeheten “tie-breaker-rule’’ er voor dat het land waar de feitelijke leiding van het lichaam wordt uitgeoefend als verdragswoonstaat wordt aangewezen.4