Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/2.2.2.1:2.2.2.1 Achtergrond van de deelvragen
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/2.2.2.1
2.2.2.1 Achtergrond van de deelvragen
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940659:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om de centrale onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, moet allereerst het Nederlandse bewijsrecht zoals dat geldt voor de fiscale bestuurlijke boete in kaart worden gebracht. Daarbij treedt al meteen een complicatie op. Het fiscale bestuurlijke boeterecht is namelijk geen op zichzelf staand rechtsgebied, maar het maakt onderdeel uit van het fiscale bestuursrecht. Een gevolg daarvan is dat het algemeen geldende fiscale bewijsrecht, zoals dat geldt in de sfeer van de belastingheffing, doorwerkt naar de sfeer van de fiscale bestuurlijke boete. Op de achtergrond heeft dat algemene fiscale bewijsrecht ook in de sfeer van de boete steeds als uitgangspunt te gelden. Het algemene fiscale bewijsrecht is als het ware de lex generalis. Het Nederlandse, fiscale bestuurlijke boeterecht kent echter ook diverse eigen bewijsregels. Voor een deel wijken die bewijsregels af van het algemene fiscale bewijsrecht en voor een deel vullen zij die algemeen geldende bewijsregels aan. Deze specifiek voor de fiscale bestuurlijke boete geldende bewijsregels zijn aan te merken als de lex specialis. Bestaan er geen specifieke bewijsregels voor de fiscale bestuurlijke boete, dan kan dus worden teruggegrepen op het algemene fiscale bewijsrecht. Voor een compleet beeld van het bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken kunnen de algemene en de specifieke regels dan ook niet los van elkaar worden gezien.
Het voorgaande betekent dat een inventarisatie van alleen de specifieke bewijsregels die voor de fiscale bestuurlijke boete gelden, van weinig waarde is. In plaats daarvan moet eerst het algemeen geldende fiscale bewijsrecht in kaart worden gebracht. Vervolgens moet worden vastgesteld op welke onderdelen en in welke opzichten het nationale bewijsrecht voor de fiscale bestuurlijke boete verschilt van dat algemene fiscale bewijsrecht. Pas dan ontstaat een compleet beeld van het nationale bewijsrecht zoals dat geldt voor de fiscale bestuurlijke boete.
Als eenmaal duidelijk is hoe het Nederlandse bewijsrecht voor de fiscale bestuurlijke boete er in zijn totaliteit uit ziet, kan dat bewijsrecht worden getoetst aan het verdragsrechtelijke bewijsrecht. Om dat te kunnen doen, is inzicht nodig in de uitleg die het EHRM aan de bewijsrechtelijke waarborgen van art. 6 EVRM geeft. Vervolgens kan worden vastgesteld in hoeverre het Nederlandse bewijsrecht voor de fiscale bestuurlijke boete voldoet aan de vereisten van de fair hearing van art. 6 EVRM en (met name) in welke opzichten dat niet het geval is. Voor zover uit deze analyse volgt dat er lacunes bestaan, kunnen ten slotte voorstellen worden gedaan voor verbetering.
Uit deze analyse volgt dat de centrale onderzoeksvraag in wezen uiteenvalt in de volgende vijf deelvragen:
Hoe ziet het Nederlandse, algemene fiscale bewijsrecht eruit?
Hoe ziet het Nederlandse bewijsrecht ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete eruit?
Welke overeenkomsten en verschillen bestaan er naar nationaalrechtelijke maatstaven tussen het algemene fiscale bewijsrecht en het bewijsrecht ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete?
In welke opzichten is het bewijsrecht zoals dat naar nationaalrechtelijke maatstaven voor de fiscale bestuurlijke boete geldt, niet in overeenstemming met de eisen die daaraan op grond van de door art. 6 EVRM gegarandeerde waarborgen worden gesteld?
Welke verbeteringen zijn noodzakelijk om het bewijsrecht zoals dat naar nationaalrechtelijke maatstaven voor de fiscale bestuurlijke boete geldt, in overeenstemming te brengen met de eisen van art. 6 EVRM?