Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/15.2.2
15.2.2 Kanttekeningen bij de "signaling" hypothese
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580271:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in dit verband Hannes (2004), p. 710, voetnoot 44. Zij spreekt over 'revelation of business secrets and other sensitive information, consumption of managerial time, the threat of frivolous suits and administrative costs'. Schfin (2006), p. 17-19, maakt een vergelijkbare onderverdeling door te spreken over de kosten van 'assembling, verification and publication of information'. Hij noemt daarnaast (p. 19-21) als tweede 'substantial bulk of costs' de 'cost of interfirm competition'. Het door Schfin gemaakte onderscheid is ook te vinden bij Easterbroolc/Fischel (1991), p. 310-311. Zij spreken over 'direct costs', resp. 'indirect costs'. Zie voor een aantal theoretische modellen over de kosten van (het publiceren van) informatie: Verrecchia (2001), p. 69 e.v.
Healy/Palepu (2001), p. 412. Zie ook, met een verwijzing naar deze uitspraak, Hannes (2004), p. 710. Eén van de weinige uitzonderingen die laatstgenoemde noemt is het hierboven aangehaalde onderzoek van Benston (1973). In vergelijkbare zin Easterbrook/ Fischel (1991), p. 309. '[a]ssertions about the effects of the securities law cry out for testing.' Een belangrijke uitzondering vormt het in hoofdstuk 16 te bespreken onderzoek van Fox e.a. (2003). Over dit onderwerp verder: Schfin (2006), p. 19-21. Over een meer algemeen overzicht van de verschillende mogelijkheden, en pogingen, om de kosten en baten van de regulering van effectenmarkten te meten geeft Mulherin (2007). Ook Zingales (2004) gaat op meta-niveau in op kosten en baten van regulering van financiële markten. Geen van beiden besteedt echter aandacht aan de kosten (en baten) die specifiek voortvloeien uit de aan beursvennootschappen opgelegde publicatieverplichtingen.
Vgl. Romano (1998), op p. 2375.
Romano (1998), p. 2374, volstaat met globale veronderstelling 'that a number of mandates are not cost effective'.
Romano (2001), p. 26
Aldus Romano (2001), op p. 26-27.
Of de signaling hypothese in werkelijkheid werkt, kan om uiteenlopende redenen worden betwijfeld. Zo kan in een concrete situatie pas achteraf worden beoordeeld of alle noodzakelijke informatie (vrijwillig) is gepubliceerd. In het verlengde hiervan geldt dat uit de "signaling hypothese" niet volgt dat álle mogelijkerwijs te publiceren informatie — vrijwillig — zal worden gepubliceerd. Informatie die niet bijdraagt aan een verlaging van de "cost of capital", omdat de kosten voor het produceren en publiceren van die informatie hoger zullen zijn dan de opbrengsten daarvan, zal volgens deze theorie niet worden gepubliceerd. Waar dit omslagpunt zich in werkelijkheid precies bevindt is echter niet eenvoudig vast te stellen. Weliswaar zijn in theorie namelijk de kosten die zijn verbonden met het publiceren van informatie eenvoudig te rubriceren.1 Empirisch onderzoek naar de kosten (en baten) van de aan beursvennootschappen opgelegde publicatieverplichtingen is daarentegen echter, verassend genoeg en in de woorden van Healy/Palepu, "virtually non-existent".2
Ook Romano komt in haar betoog niet verder dan een inschatting — "extremely crude and conservative" — dat het afschaffen van de doorlopende informatieverplichtingen van de SEC in 1975 een besparing zou hebben opgeleverd voor beursvennootschappen van ten minste 213 miljoen dollar.3 Ondanks het ontbreken van een inzicht in de precieze kosten die de aan beursvennootschappen opgelegde publicatieverplichtingen meebrengen4, concludeert Romano dat "information will not be underproduced if a sufficient number of investors understand the significance of nondisclosure"5 Aan die voorwaarde wordt volgens haar voldaan op de huidige effectenmarkten, gegeven het feit dat de meerderheid van de investeerders bestaat uit "sophisticated institutional investors". Om die reden is zij van mening dat het "therefore theoretically difficult for advocates of mandated disclosure [is] to maintain their normative claims, as they cannot advance a supportive formal model."6