NJB 2017/1766
Kennisgeving door raadsman van zijn optreden, art. 39 lid 1 (oud) Sv: hoewel deze bepaling slechts een ordemaatregel bevat en een schriftelijke kennisgeving geen noodzakelijke voorwaarde vormt om als raadsman te kunnen optreden, loopt een advocaat die verzuimt voor de desbetreffende aanleg bedoelde schriftelijke kennisgeving te doen het gevaar ‘door de bij de zaak betrokken autoriteiten aanvankelijk niet als de raadsman van de verdachte te worden erkend en behandeld’ en dat hij als gevolg daarvan niet op de voet van art. 51 (oud) (thans art. 48) Sv afschrift ontvangt van de stukken die ter kennis van de verdachte worden gebracht. Uit de ter vervanging van art. 39 lid 1 (oud) Sv in werking getreden regeling in art. 38 lid 5 en 40 lid 2 Sv en uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze regeling blijkt niet op welke wijze deze kennisgeving moet worden gedaan en evenmin waarom de kennisgeving aan de griffie is vervallen. Mede gelet op het belang van een goede organisatie van de rechtspleging moet onder het huidige wetboek en in afwijking van de hiervoor vermelde rechtspraak, worden aangenomen dat een advocaat die heeft verzuimd aan de griffie van het desbetreffende gerecht schriftelijk kennis te geven dat hij bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal optreden als gekozen of aangewezen raadsman van de verdachte, zich niet met vrucht erop kan beroepen dat hij voor de desbetreffende aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend, dus ook niet indien hij wel de in art. 38 lid 5 en art. 40 lid 2 Sv bedoelde kennisgeving aan de (hulp)officier van justitie en/of de rechter-commissaris heeft gedaan. Het kennisgeven van genoemd optreden bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te geschieden bij separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven – door vermelding van onder meer het parketnummer en, voor zover bekend, het griffie- of rolnummer – op welke zaak het optreden betrekking heeft. Hoge Raad zet overgangsrecht wat betreft de gelding van deze nieuwe jurisprudentie uiteen
HR 05-09-2017, ECLI:NL:HR:2017:2250
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
5 september 2017
- Magistraten
Mrs. A.J.A. van Dorst, J. de Hullu, E.S.G.N.A.I. van de Griend, E.F. Faase, M.J. Borgers
- Zaaknummer
16/00697
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2017:2250, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 05‑09‑2017
ECLI:NL:PHR:2017:864, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑06‑2017
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑08‑2016
- Wetingang
Essentie
Kennisgeving door raadsman van zijn optreden, art. 39 lid 1 (oud) Sv: hoewel deze bepaling slechts een ordemaatregel bevat en een schriftelijke kennisgeving geen noodzakelijke voorwaarde vormt om als raadsman te kunnen optreden, loopt een advocaat die verzuimt voor de desbetreffende aanleg bedoelde schriftelijke kennisgeving te doen het gevaar ‘door de bij de zaak betrokken autoriteiten aanvankelijk niet als de raadsman van de verdachte te worden erkend en behandeld’ en dat hij als gevolg daarvan niet op de voet van art. 51 (oud) (thans art. 48) Sv afschrift ontvangt van de stukken die ter kennis van de verdachte worden ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.