Zie H. BOCKEN en I. BOONE, Inleiding tot het schadevergoedingsrecht. Buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en andere schadevergoedingsstelsels, Brugge, die Keure, 2011, 167–169; F. SWENNEN, Geestesgestoorden in het burgerlijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2000, 417–444.
BenGH, 28-06-2012, nr. A 2011/3
ECLI:NL:XX:2012:BX9219
- Instantie
Benelux-Gerechtshof
- Datum
28-06-2012
- Magistraten
Mrs. L. Mousel, E. Forrier, A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, E. Dirix, E. Conzémius, E. Goethals, I. Folscheid, A.H.T. Heisterkamp
- Zaaknummer
A 2011/3
- Conclusie
Mr. G. Dubrulle
- LJN
BX9219
- Roepnaam
Mercator Verzekeringen/Gemeensch. Motorwaarborgfonds
- Vakgebied(en)
Verkeersrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:XX:2012:BX9219, Uitspraak, Benelux-Gerechtshof, 28‑06‑2012
Conclusie, Benelux-Gerechtshof, 03‑02‑2012
Uitspraak 28‑06‑2012
Mrs. L. Mousel, E. Forrier, A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, E. Dirix, E. Conzémius, E. Goethals, I. Folscheid, A.H.T. Heisterkamp
Partij(en)
ARREST
In de zaak A 2011/3
Inzake:
Mercator Verzekeringen N.V. e.a.
tegen
Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds e.a. Procestaal: Nederlands
ARRET
Dans l'affaire A 2011/3
En cause :
Mercator Assurances S.A. e.a.
contre:
Le Fond commun de Garantie Automobile e.a.
Langue de la procédure : le néerlandais
Het Benelux-Gerechtshof heeft in de zaak A 2011/3 het volgende arrest gewezen.
1.
Overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof van 31 maart 1965 (verder te noemen: het Verdrag) heeft de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout in een vonnis van 16 september 2011, gewezen in de zaak 10-1120-A van de Mercator Verzekeringen N.V. e.a. (verder te noemen: Mercator) tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds GMWF (verder te noemen: GMWF), een vraag van uitleg gesteld met betrekking tot artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke bepalingen bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.
Ten aanzien van de feiten
2.
Uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout blijken de navolgende feiten:
- —
F.V. lijdt vanaf zijn zestiende levensjaar aan een chronische paranoïde schizofrenie en werd sinds 1994 gedwongen opgenomen in psychiatrische instellingen;
- —
op 6 oktober 2001 kreeg hij toestemming om die namiddag bij zijn ouders door te brengen;
- —
F.V. maakte de autosleutels van zijn vader afhandig en ging er ondanks het verbod hiertoe met het voertuig vandoor;
- —
de politie werd verwittigd en de vader met een schoonzoon zette, samen met de politie, de achtervolging in;
- —
F.V. begon steeds sneller te rijden toen hij bemerkte dat hij werd achtervolgd;
- —
F.V. veroorzaakte uiteindelijk een aanrijding te Mol waarbij naast het voertuig van zijn vader, verzekerd bij Mercator, een ander voertuig was betrokken. De bestuurster van dit andere voertuig overleed op 15 oktober 2001 als gevolg van de opgelopen verwondingen.
Prejudiciële vraag
3.
De rechtbank van eerste aanleg te Turnhout oordeelt dat een uitleg van artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen noodzakelijk is om uitspraak te kunnen doen; bij vonnis van 16 september 2011 heeft zij de zaak aangehouden totdat het Benelux-Gerechtshof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende prejudiciële vraag:
‘Geldt de uitsluiting van dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben verschaft, bedoeld in artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, ook indien degene die de materiële daad van opzettelijke wegneming en gebruik van een motorvoertuig zonder toelating van en tegen de uitdrukkelijke wil in van de eigenaar stelde en nadien als bestuurder een ongeval veroorzaakt, niet toerekeningsvatbaar kan worden geacht aan deze (gebruiks)diefstal en het veroorzaken van het ongeval ten gevolge van een geestesstoornis waaruit volgt dat hij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor zijn daden, zodat hij noch strafrechtelijk verantwoordelijk noch burgerlijk aansprakelijk is?’
Ten aanzien van het verloop van het geding
4.
Het Hof heeft, overeenkomstig artikel 6, lid 5, van het Verdrag, een voor conform getekend afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout gezonden aan de partijen en aan de ministers van Justitie van België, Nederland en Luxemburg.
De partijen hebben de gelegenheid gekregen schriftelijke opmerkingen te maken over de aan het Hof gestelde vraag.
Voor het GMWF heeft mr. H. Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, een memorie ingediend. Voor Mercator heeft mr. B. Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, een memorie ingediend.
Eerste advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 3 februari 2012 schriftelijk conclusie genomen.
Ten aanzien van het recht
5.
Artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt:
‘De verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, van iedere houder, van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig en van iedere vervoerde persoon, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben verschaft en van hen die, dit wetende, een dergelijk motorrijtuig zonder geldige reden gebruiken.’
6.
Artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, bepaalt:
‘De verzekering moet waarborgen dat benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarin worden vervoerd, van de werkgever van bovengenoemde personen, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en van de organisatie die bovengenoemde personen inzet als vrijwilligers, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 5 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft.’
7.
Het Hof is, ondanks het verschil in formulering tussen de beide bepalingen, bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om uitleg dat betrekking heeft op het begrip ‘diefstal’ dat in beide bepalingen voorkomt.
8.
De Gemeenschappelijke Toelichting bij artikel 3, § 1 van de Gemeenschappelijke Bepalingen vermeldt:
‘Van de verzekering is slechts uitgesloten de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die zich door diefstal of geweldpleging van het motorrijtuig meester heeft gemaakt en van degene die zonder wettelijk motief van het voertuig gebruik maakt in de wetenschap dat het gestolen is. Het gebruik van het motorrijtuig door een bestuurder die zijn bevoegdheid overschrijdt, is in de verzekering begrepen.’
9.
Deze uitsluiting van dekking is gerechtvaardigd door het feit dat de eigenaar door de diefstal iedere macht en zeggenschap verliest over het gebruik dat de dief van zijn voertuig maakt. De vraag of de dief al dan niet toerekeningsvatbaar is en voor deze daden strafrechtelijk of burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, is hierbij niet relevant.
10.
De vraag van uitleg die de rechtbank heeft gesteld dient derhalve zo te worden beantwoord dat artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, aldus dient te worden uitgelegd dat de daarin bepaalde uitsluiting van dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die zich door diefstal de macht over het motorrijtuig heeft verschaft, ook geldt indien degene die de wederrechtelijke handeling heeft begaan die aan de delictsomschrijving van diefstal of gebruiksdiefstal beantwoordt, ten gevolge van een geestesstoornis ontoerekeningsvatbaar is.
Ten aanzien van de kosten
11.
Het Hof moet, volgens artikel 13 van het Verdrag, de kosten vaststellen welke op de behandeling voor het Hof zijn gevallen, welke kosten omvatten de honoraria van de raadslieden van partijen voor zover zulks in overeenstemming is met de wetgeving van het land waar het bodemgeschil aanhangig is.
De kosten worden vastgesteld op 1.500 euro.
Het Benelux-Gerechtshof
Uitspraak doende op de door rechtbank van eerste aanleg te Turnhout in zijn vonnis van 16 september 2011 gestelde vraag,
Verklaart voor recht
12.
Artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dient aldus te worden uitgelegd dat de daarin bepaalde uitsluiting van dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die zich door diefstal de macht over het motorrijtuig heeft verschaft, ook geldt indien degene die de wederrechtelijke handeling heeft begaan die aan de delictsomschrijving van (gebruiks)diefstal beantwoordt, ten gevolge van een geestesstoornis ontoerekeningsvatbaar is.
Aldus gewezen op 12 juni 2012 door L. Mousel, eerste vicepresidente, E. Forrier, tweede vicepresident, A.M.J. van Buchem-Spapens en C.A. Streefkerk, rechters, en E. Dirix, E. Conzémius, E. Goethals, I. Folscheid en A.H.T. Heisterkamp, plaatsvervangende rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting te Brussel, op 28 juni 2012, door de heer E. Forrier, voornoemd, in aanwezigheid van de heren G. Dubrulle, eerste advocaat-generaal, en A. van der Niet, hoofdgriffier.
A. van der Niet
E. Forrier
Conclusie 03‑02‑2012
Mr. G. Dubrulle
Partij(en)
Conclusie van eerste advocaat-generaal G. Dubrulle
I. Feiten en voorafgaande rechtspleging
1.
Deze zaak heeft betrekking op de uitsluiting van dekking bepaald in artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke bepalingen bij de Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.
In een geschil met betrekking tot de vergoeding van de schade voortvloeiend uit een verkeersongeval met dodelijke afloop, is voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de vraag gerezen of de uitsluiting van dekking, bepaald in artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna WAM), ook geldt indien degene die zich het voertuig toe-eigent en vervolgens het ongeval veroorzaakt, niet toerekeningsvatbaar is.
Aangezien die uitsluiting van dekking overeenstemt met de uitsluiting van dekking vervat in artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsvezekering inzake motorrijtuigen, oordeelt de rechtbank, bij vonnis van 16 september 2011 (A.R. 10-1120-A//10-2196-A//1-472-A), dat hierover een uitlegging vereist is van deze bepaling. De rechtbank verzoekt derhalve het Benelux-Gerechtshof de in het dictum van haar vonnis gestelde en hierna vermelde vraag tot uitlegging van deze bepaling te willen beantwoorden.
Het vonnis vermeldt de volgende relevante feitelijke gegevens.
Op 6 oktober 2001 deed zich een verkeersongeval voor te Mol waarbij twee voertuigen betrokken waren: enerzijds een personenwagen bestuurd door F.V., eigendom van zijn vader, P.V. en in burgerlijke aansprakelijkheid verzekerd bij NV Mercator Verzekeringen, anderzijds een personenwagen bestuurd door N.W. met als passagier B.V. N.W. overleed op 15 oktober 2001 als gevolg van het ongeval.
Het werd niet betwist dat het ongeval uitsluitend door toedoen van F.V. veroorzaakt werd. Vanwege zijn psychiatrische problematiek (chronische paranoïde schizofrenie) was F.V. sinds 1994 gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis of in andere instellingen. Op de dag van het ongeval was hij gecolloceerd in het openbaar psychiatrisch zorgcentrum te Geel, maar had hij toelating gekregen om van 14 tot 20 uur bij zijn ouders te verblijven. In de loop van de namiddag nam F.V. de sleutels van het voertuig van zijn vader en reed ermee weg, tegen de wil van zijn vader. Deze verwittigde het ziekenhuis en de politie. Rond 17 uur kwam F.V. terug thuis. Ondanks pogingen van zijn familie om hem dat te beletten, vertrok hij opnieuw met de wagen. Toen hij merkte dat de politie hem achtervolgde, begon hij veel sneller te rijden. Zijn rit eindigde omstreeks 18.30 uur met het dodelijk ongeval. Daarbij bestond de indruk dat hij opzettelijk van zijn rijbaan was afgeweken en de tegenligger had aangereden. Dat laatste werd bevestigd door het gerechtelijk onderzoek, dat afgesloten werd met de beschikking van de raadkamer van 5 september 2006 waarbij F.V. werd geïnterneerd voor de feiten van opzettelijke slagen en verwondingen met de dood tot gevolg aan N.W. en opzettelijke slagen en verwondingen aan B.V.
De naaste familieleden van N.W. hebben bij de politierechtbank te Turnhout een vordering tot schadevergoeding ingesteld tegen de NV Mercator Verzekeringen, het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds en de voorlopig bewindvoerder van F.V.
De politierechtbank stelde F.V. aansprakelijk op grond van artikel 1386bis (Belgisch) BW. De politierechtbank besliste ook dat de NV Mercator Verzekeringen gehouden was tot dekking. Volgens de politierechtbank was de uitsluiting vervat in artikel 3, § 1, WAM niet van toepassing omdat F.V. niet toerekeningsvatbaar was, hoewel het misdrijf van diefstal bewezen was. Ingevolge de veroordeling van de NV Mercator Verzekeringen was het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds niet gehouden tot dekking.
De NV Mercator Verzekeringen heeft bij de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout hoger beroep ingesteld tegen haar veroordeling. Volgens haar is de uitsluiting bepaald in artikel 3, § 1, WAM wel van toepassing. F.V. en het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds betwisten dit, omdat er geen sprake zou zijn van diefstal zoals bedoeld in die wetsbepaling.
2.
De rechtbank oordeelt in de eerste plaats dat, hoewel artikel 462 Strafwetboek de oplegging van een straf verhindert in geval van diefstal gepleegd door afstammelingen ten nadele van hun bloedverwanten in opgaande lijn, de ontvreemding door een zoon ten nadele van zijn vader toch als een diefstal of gebruiksdiefstal dient te worden gekwalificeerd, voor zover alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf aanwezig zijn.
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de door F.V. gestelde handeling wel degelijk een diefstal of gebruiksdiefstal van het in het ongeval betrokken motorrijtuig uitmaakt. Volgens de rechtbank is immers aangetoond dat hij de sleutels en het voertuig tegen de wil van de eigenaar, zijn vader, meenam, met de bedoeling om die minstens kortstondig te onttrekken aan het genot en gebruik van zijn vader. Er was dus ook bedrieglijk opzet.
Voorts oordeelt de rechtbank dat, ingevolge de beschikking tot internering, vaststaat dat F.V. op het ogenblik van het ongeval niet toerekeningsvatbaar was. Hij bevond zich in een toestand van krankzinnigheid of een ernstige staat van geestesstoornis die hem ongeschikt maakte tot het controleren van zijn daden.
De rechtbank komt tot het besluit dat de beoordeling van het geschil de vraag doet rijzen of de uitsluiting van dekking, vervat in artikel 3, § 1, WAM ook geldt indien degene die zich het voertuig toe-eigent en vervolgens het ongeval veroorzaakt, niet toerekeningsvatbaar was en bijgevolg niet strafrechtelijk verantwoordelijk, ‘noch’ — aldus de rechtbank — ‘burgerlijk aansprakelijk’.
Dit laatste besluit lijkt niet bepaald gelukkig geformuleerd. Wegens zijn schuldonbekwaamheid is de geestgestoorde schadeverwekker niet persoonlijk aansprakelijk in de zin van de artikelen 1382–1383 BW. Niettemin kan hij toch burgerlijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 1386bis BW, dat aan de rechter namelijk de mogelijkheid geeft om een geestesgestoorde te veroordelen tot (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de door hem veroorzaakte schade. Deze bepaling, die een uitzondering vormt op het principe dat de schuldonbekwame schadeverwekker niet aansprakelijk is, werd ingevoerd met het oog op de bescherming van slachtoffers van geesteszieke schadeverwekkers.1.
Zoals hierboven vermeld, heeft de politierechtbank beslist dat F.V. gehouden is tot vergoeding van de schade op grond van artikel 1386bis BW. De rechtbank van eerste aanleg stelt vast dat geen enkele partij hoger beroep heeft ingesteld tegen die beslissing. Waar de rechtbank overweegt dat F.V. ‘noch burgerlijk aansprakelijk’ is en de prejudiciële vraag stelt met betrekking tot een persoon die ‘noch burgerlijk aansprakelijk’ is, blijkt dit dan ook te moeten gelezen worden als ‘noch burgerlijk aansprakelijk op grond van de artikelen 1382–1383 BW.’
II. Prejudiciële vraag
3.
De rechtbank van eerste aanleg te Turnhout richt de volgende vraag tot het Benelux-Gerechtshof betreffende de uitlegging van artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen:
Geldt de uitsluiting van dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben verschaft, bedoeld in artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, ook indien degene die de materiële daad van opzettelijke wegneming en gebruik van een motorvoertuig zonder toelating van en tegen de uitdrukkelijke wil in van de eigenaar stelde en nadien als bestuurder een ongeval veroorzaakt, niet toerekeningsvatbaar kan worden geacht aan deze (gebruiks)diefstal en het veroorzaken van het ongeval ten gevolge van een geestesstoornis waaruit volgt dat hij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor zijn daden, zodat hij noch strafrechtelijk verantwoordelijk noch burgerlijk aansprakelijk2. is?
III. Bespreking
a. Bevoegdheid
4.
Artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt: ‘De verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, van iedere houder, van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig en van iedere vervoerde persoon, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben verschaft en van hen die, dit wetende, een dergelijk motorrijtuig zonder geldige reden gebruiken’.
Het Benelux-Gerechtshof is bevoegd om de rechtsregels van de Bijlage bij de Overeenkomst van 24 mei 1966 uit te leggen voor zover de inhoud daarvan is opgenomen in de wetgeving van de Staat waarin de vraag van uitleg is gerezen.3.
Artikel 3, § 1, eerste lid, WAM bepaalt: ‘De verzekering moet waarborgen dat benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarin worden vervoerd, van de werkgever van bovengenoemde personen, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en van de organisatie die bovengenoemde personen inzet als vrijwilligers, wanneer dezen van alle aansprakelijkheid zijn ontheven krachtens artikel 5 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft.’
Hoewel de tekst van artikel 3, § 1, WAM niet geheel overeenstemt met die van artikel 3, § 1 van de Gemeenschappelijke Bepalingen, is de inhoud van laatstgenoemde bepaling, wat betreft de uitsluiting van dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal de macht over het voertuig hebben verschaft, in de Belgische wetgeving opgenomen.
Aangezien beide teksten op hetzelfde begrip ‘diefstal’ slaan, is het Hof bevoegd om van het verzoek om uitleg kennis te nemen.4.
b. Redenen
5.
Aan het Hof wordt gevraagd of de uitsluiting van dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal de macht over het motorrijtuig hebben verschaft, bedoeld in artikel 3, § 1 van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, ook geldt wanneer de betrokkene als gevolg van een geestesstoornis niet strafrechtelijk verantwoordelijk is voor zijn daden.
Het begrip ‘diefstal’ is niet omschreven in de Gemeenschappelijke Bepalingen.
De tekst van artikel 3, § 1 van de Gemeenschappelijke Bepalingen is door de auteurs van de Gemeenschappelijke Toelichting bij die bepalingen als volgt toegelicht:
‘Van de verzekering is slechts uitgesloten de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die zich door diefstal of geweldpleging van het motorrijtuig meester heeft gemaakt en van degene die zonder wettelijk motief van het voertuig gebruik maakt in de wetenschap dat het gestolen is. Het gebruik van het motorrijtuig door een bestuurder die zijn bevoegdheid overschrijdt, is in de verzekering begrepen.
Er wordt op gewezen dat in het ontwerp niet de aansprakelijkheid als zodanig doch alleen de verzekering ervan wordt geregeld. Derhalve zal, evenals tot nu toe, door de wet of de jurisprudentie uitgemaakt moeten worden of de eigenaar, de gebruiker of de bestuurder aansprakelijk gesteld kunnen worden voor ongevallen die zijn veroorzaakt door degene die het motorrijtuig heeft gestolen. Vast staat echter, dat deze aansprakelijkheid, indien zij bestaat, door de verzekering zal zijn gedekt’.5.
De Gemeenschappelijke Toelichting geeft dus evenmin een nadere omschrijving van het begrip ‘diefstal’ in artikel 3, § 1. Haar auteurs beperken niettemin de draagwijdte van de uitsluiting door nader te bepalen dat het gebruik van het motorrijtuig door een bestuurder die zijn bevoegdheid overschrijdt, in de verzekering is begrepen. Er is dus wel verzekeringsdekking wanneer het motorrijtuig toevertrouwd werd aan degene die er later misbruik van maakt (bv. de huurder van een wagen die deze niet op tijd terugbezorgt), voor zover dit geen diefstal uitmaakt.
Ook blijkt uit de Gemeenschappelijke Toelichting dat, in geval van diefstal, alleen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die het motorrijtuig heeft gestolen (of er zonder geldige reden gebruik van maakt in de wetenschap dat het gestolen is) van de verzekering mag worden uitgesloten.
Indien de eigenaar van het ontvreemde voertuig mede aansprakelijk is, op welke grondslag dan ook, voor de schade die met zijn voertuig werd veroorzaakt, moet de verzekering deze aansprakelijkheid dekken.6.
6.
De arresten van 20 mei 1983 en van 21 december 1990 zijn, tot heden, de enige waarin het Benelux-Gerechtshof uitspraak heeft gedaan over de draagwijdte van de uitsluiting bedoeld in artikel 3, § 1 van de Gemeenschappelijke Bepalingen.
In het arrest van 20 mei 19837. was de vraag aan de orde op welke wijze het begrip diefstal als bedoeld in artikel 3, § 1 van de Gemeenschappelijke Bepalingen moet uitgelegd worden. Het betrof een geval van gebruiksdiefstal in België (hetgeen, krachtens artikel 461, tweede lid, van het Belgische Strafwetboek, gelijkgesteld wordt met diefstal). Het Benelux-Gerechtshof overwoog dat ‘de term diefstal in artikel 3, § 1, bij gebreke van elke tegenovergestelde aanwijzing in de tekst van de Overeenkomst en de Bijlage daarvan alsmede in de gemeenschappelijke toelichting, moet worden uitgelegd als omvattend het bedrieglijk wegnemen van een motorrijtuig toebehorend aan een ander voor een kortstondig gebruik en met de bedoeling het motorrijtuig terug te geven’. Gebruiksdiefstal geeft dus, net als diefstal, aanleiding tot uitsluiting van dekking.8.
Het arrest van 21 december 19909. betrof een ongeval veroorzaakt door een minderjarige die de wagen van zijn ouders gestolen had. De vraag was of de WAM-verzekeraar gehouden is tot dekking van de aansprakelijkheid van de eigenaar van het gestolen voertuig, als ouder van de minderjarige zoon die de schade veroorzaakt had met dat voertuig. Het Benelux-Gerechtshof beantwoordde deze vraag bevestigend. Het arrest betrof dus niet de dekking van de aansprakelijkheid van de (eventueel schuldonbekwame) dief zelf, maar wel die van de eigenaar van het voertuig (vader van de minderjarige dief).
7.
In de thans voorliggende zaak is het ongeval veroorzaakt door de meerderjarige zoon van de eigenaar van het voertuig. De eigenaar is dus niet burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schadeverwekkende handelingen van zijn zoon. Bovendien is de eigenaar van het voertuig niet (mee) aansprakelijk gesteld voor het ongeval wegens een eigen nalatigheid die hij zou hebben begaan. De NV Mercator Verzekeringen kan in dit geval dan ook enkel gehouden zijn tot schadeloosstelling van de benadeelden op grond van de aansprakelijkheid van de bestuurder zelf, niet op grond van die van de eigenaar.
De aansprakelijkheid van de bestuurder is verplicht gedekt door de verzekering, ongeacht op welke grondslag zij berust.10. Ook de aansprakelijkheid op grond van artikel 1386bis BW valt dus principieel onder de dekking. Het enkele feit dat de bestuurder op het ogenblik van het ongeval schuldonbekwaam was wegens zijn geestesziekte, sluit hem niet uit van de dekking. Dit staat overigens niet ter discussie. De vraag is enkel of de verzekeraar zich in dit geval kan beroepen op de uitsluiting van dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die zich door diefstal de macht over het voertuig heeft verschaft. Heeft het feit dat de bestuurder wegens een geestesstoornis niet toerekeningsvatbaar en bijgevolg niet strafrechtelijk verantwoordelijk is, tot gevolg dat die uitsluiting niet geldt?
8.
Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten naar mijn mening twee aspecten onderzocht worden. Ten eerste: kan een schuldonbekwame geestesgestoorde een handeling verrichten die een diefstal uitmaakt? Ten tweede: vereist de in artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bedoelde uitsluiting dat degene die zich door diefstal de macht over het voertuig heeft verschaft, daarvoor strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld en dus gestraft kan worden?
Het eerste aspect wordt beheerst door het nationale recht. Mits naleving van internationale verdragen, bepaalt elk van de Benelux-landen soeverein het op zijn territorium toepasselijke straf(proces)recht. Slechts als een geestegestoorde volgens nationaal recht een diefstal kan plegen, komt het — voor het antwoord op de prejudiciële vraag relevante — tweede aspect aan bod.
9.
Het eerste aspect houdt verband met de plaats en de betekenis van het begrip schuld in het strafrecht. Daarover bestaat heel wat onduidelijkheid. Schuld is immers een meerduidig begrip. In de enge betekenis verwijst schuld naar het morele (of ‘subjectieve’) element van het misdrijf, nl. naar de psychologische band tussen dader en gedraging. Met schuld worden dan de begrippen ‘opzet’ en ‘onachtzaamheid’ bedoeld. Meer en meer wordt schuld bekeken in een bredere betekenis, nl. in de zin van verwijtbaarheid: een strafbare gedraging, ook al is zij met de in de delictsomschrijving bepaalde schuldvorm (opzet of onachtzaamheid) gepleegd, zal slechts tot strafrechtelijke verantwoordelijkheid leiden indien de gedraging aan de dader kan worden verweten.11.
Het strafrecht van de onderscheiden Verdragsluitende Staten is een schuldstrafrecht, hetgeen inhoudt dat niemand gestraft mag worden zonder dat hij (een bepaalde mate van) schuld heeft.12. Aan geesteszieken, die schuldonbekwaam of ontoerekeningsvatbaar zijn, kan geen straf worden opgelegd, omdat de daad hen niet kan worden verweten.
De vraag of geestesgestoorden niettemin een misdrijf of strafbaar feit13. (in al zijn bestanddelen) kunnen plegen, wordt enigszins verschillend benaderd naar Belgisch en naar Nederlands recht. Het verschil is echter te verklaren doordat men in de beide landen de componenten van het misdrijf of strafbaar feit niet op dezelfde wijze indeelt en men daarbij bovendien een verschillende terminologie hanteert.
10.
In België onderscheidt men traditioneel twee componenten (constitutieve elementen genoemd), nl. het materieel element van het misdrijf, dit is de gedraging waardoor de strafwet wordt overtreden, en het morele element, dit is de schuldvorm waarmee deze gedraging wordt gesteld (opzet, onachtzaamheid en, in bredere zin, de afwezigheid van één van de schulduitsluitingsgronden (dwaling en dwang)). Daarnaast wordt soms een derde component van het misdrijf onderscheiden, m.n. de wederrechtelijkheid. Dit begrip duidt op de afwezigheid van rechtvaardigingsgronden, die tot gevolg hebben dat een principeel ontoelaatbare gedraging toelaatbaar wordt (wettige verdediging, wettelijk voorschrift, hoger bevel en noodtoestand).14.
Hoewel artikel 71 van het Belgische Strafwetboek bepaalt dat er geen misdrijf is wanneer de beschuldigde of beklaagde op het ogenblik van het feit in staat van krankzinningheid was, wordt aangenomen dat een geestgestoorde dader een misdrijf in al zijn componenten kan plegen.15. De rechtspraak aanvaardt immers dat de geestesstoornis niet verhindert dat het moreel element van het misdrijf tot stand komt16.. De geestesstoornis sluit dus niet uit dat er schuld is, althans in de enge zin van dat begrip. Maar de geestesgestoorde is niet toerekeningsvatbaar; het misdrijf kan hem niet worden verweten. Daarom stelt de wet van 9 april 1930 in dat geval de internering in de plaats van de straf.17.
Artikel 461, eerste lid, van het Belgische Strafwetboek bepaalt dat hij die een zaak die hem niet toebehoort bedrieglijk wegneemt, schuldig is aan diefstal.
Voor het bestaan van het misdrijf diefstal in de zin van die bepaling, is vereist dat een zaak is weggenomen, dat die wegneming bedrieglijk is en dat de weggenomen zaak niet toebehoort aan diegene die ze heeft weggenomen.18. Het tweede lid van dat artikel 461 bepaalt dat met diefstal wordt gelijkgesteld het bdrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik. Zowel voor diefstal als voor gebruiksdiefstal is het bestaan van ‘bedrieglijk opzet’ vereist.
11.
Naar Luxemburgs recht geldt hetzelfde. Artikel 71, eerste lid, van het Luxemburgse Strafwetboek bepaalt: ‘N'est pas pénalement responsable la personne qui était atteinte, au moment des faits, de troubles mentaux ayant aboli son discernement ou le contrôle de ses actes’. Volgens het tweede lid van dat artikel, kan de rechter de opname bevelen in een instelling wanneer de betrokkene een gevaar betekent voor zichzelf of anderen. Ook hier neemt de rechtspraak aan dat de geestesstoornis die de dader ongeschikt maakt om zijn daden te controleren, slechts meebrengt dat hij niet strafbaar is, maar niet verhindert dat hij een misdrijf pleegt.19. Het misdrijf diefstal en gebruiksdiefstal is in artikel 461 van het Luxemburgse Strafwetboek op identieke wijze omschreven als in het Belgische Strafwetboek.
12.
Naar Nederlands recht wordt een strafbaar feit doorgaans omschreven als een menselijke gedraging die valt binnen de grenzen van de wettelijke delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan schuld te wijten is. Aan de hand van die omschrijving worden vier componenten van het strafbare feit onderscheiden: de menselijke gedraging, de wettelijke delictsomschrijving, de wederrechtelijkheid en de schuld.20. De laatste twee componenten worden ‘de elementen’ van het strafbare feit genoemd, terwijl de onderdelen van de delictsomschrijving de ‘bestanddelen’ worden genoemd.21.
De component ‘schuld’ heeft de ruime betekenis van verwijtbaarheid.22. Schulduitsluitingsgronden nemen de verwijtbaarheid weg. Ontoerekeningsvatbaarheid (ook wel ‘ontoerekenbaarheid’ genoemd)23. is de schulduitsluitingsgrond neergelegd in artikel 39 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht: ‘niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens niet kan worden toegerekend’. Een gedraging gesteld onder invloed van een dergelijke stoornis is niet strafbaar omdat de component ‘schuld’ ontbreekt. Niettemin kan een dergelijke gedraging aan de delictsomschrijving van een strafbaar feit beantwoorden, zelfs indien opzet (schuld in de enge zin) een onderdeel daarvan uitmaakt. Ook een ontoerekeningsvatbare kan immers opzettelijk handelen, zij het dat diens opzet dan gevormd wordt onder invloed van de stoornis en dat men dan om die reden de dader geen verwijt kan maken van die opzettelijke handeling. De rechter kan hem dan geen straf opleggen (ook al is de gedraging wederrechtelijk), maar wel een maatregel, zoals TBS of plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.24.
Volgens artikel 310 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht is hij die enig goed dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, schuldig aan diefstal. Uit de woorden ‘met het oogmerk om’ blijkt dat opzet een onderdeel van de delictsomchrijving vormt.25.
13.
Uit wat hierboven is besproken volgt dat, in elk van de drie Benelux-landen, een geestesgestoorde dader een handeling kan stellen die aan de wettelijke delictsomschrijving van diefstal beantwoordt, met inbegrip van het daartoe vereiste opzet. Dit wordt wat België betreft bevestigd, althans niet ontkracht, door het arrest van het Hof van Cassatie van 21 maart 2002, in een zaak die sterk lijkt op de voorliggende.26. Het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen had geoordeeld dat de dader met een door hem gestolen voertuig het verkeersongeval veroorzaakt had, dat hij het feit gepleegd had dat door de wetgever als diefstal wordt gekwalificeerd en dat hem, enkel omwille van een ernstige staat van geestestoornis die de dader ongeschikt maakte voor het controleren van zijn daden, geen straf maar slechts een beveiligingsmaatregel kon worden opgelegd. Het hof van beroep besliste daarop dat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds gehouden was tot vergoeding van de benadeelden, niet de WAM-verzekeraar van het voertuig, omdat deze laatste zich op artikel 3, § 1 WAM kon beroepen om de dekking te weigeren. Het hof van beroep overwoog daarbij dat het voor de toepassing van de door de WAM-verzekeraar ingeroepen grond van niet-verzekering (nl. diefstal) niet vereist is dat de dader van de wederrechtelijke gedraging daaraan ook strafrechtelijk schuldig zou kunnen bevonden worden en desgevallend tot een straf zou kunnen veroordeeld worden.
Het cassatiemiddel van het Motorwaarborgfonds voerde aan dat de appelrechters het begrip ‘diefstal’ in artikel 3 WAM verkeerd hadden uitgelegd. Volgens het Motorwaarborgfonds moest die bepaling aldus worden begrepen dat de verzekeraar slechts dan niet tot dekking gehouden is, wanneer niet alleen het materiële element van het misdrijf vaststaat, nl. het wegnemen van andermans voertuig, doch tevens het schuldelement, nl. het bedrieglijk opzet. In ondergeschikte orde vroeg het Motorwaarborgfonds dat het Hof van Cassatie aan het Benelux-Gerechtshof een prejudiciële vraag zou stellen met betrekking tot de interpretatie van artikel 3, § 1 van de Gemeenschappelijke Bepalingen. Het Hof van Cassatie verwierp het middel omdat het feitelijke grondslag miste, daar het berustte op de veronderstelling dat de appelrechters oordeelden dat in het handelen van de schadeveroorzaker het schuldelement, nl. het bedrieglijk opzet, ontbrak, terwijl zij geoordeeld hadden dat alle constitutieve bestanddelen van het wanbedrijf diefstal voorhanden waren en de dader bedrieglijk handelde bij het wegnemen van andermans zaak.
De zaak gaf dus geen aanleiding tot een principearrest, noch, uiteraard, tot een prejudiciële vraag. Niettemin blijkt hieruit dat het bestreden arrest standhield en aldus ook het oordeel van de appelrechters dat de geestesstoornis niet uitsluit dat de dader een wederrechtelijke handeling kan verrichten die binnen de wettelijke delictsomschrijving van ‘diefstal’ (inclusief opzet) valt.
Zo ook heeft de rechtbank te Turnhout in de voorliggende zaak geoordeeld dat de handeling gesteld door de geesteszieke dader wel degelijk een diefstal of gebruiksdiefstal van het in het ongeval betrokken motorrijtuig uitmaakt.
14.
Nu vast staat dat een geestesgestoorde een diefstal kan plegen, blijft nog de te dezen relevante vraag te weten of de uitsluiting van dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die zich door diefstal de macht over het voertuig heeft verschaft, bepaald in artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen, alleen toepassing vindt wanneer de dader strafrechtelijk schuldig kan worden bevonden en dus tot een straf veroordeeld kan worden, dan wel of het volstaat dat de dader de wederrechtelijke handeling heeft verricht die aan de delictsomschrijving van diefstal beantwoordt.
Volgens de tekst van artikel 3, § 1, is enkel vereist dat de dader zich door diefstal de macht heeft verschaft over het voertuig, niet dat hij daarvoor strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld. De ratio legis van de bedoelde uitsluiting lijkt dit evenmin te vereisen. De reden die aan de uitsluiting ten grondslag ligt, is niet dat de slachtoffers van ongevallen veroorzaakt met een gestolen motorrijtuig geen bescherming zouden verdienen. Zij kunnen trouwens aanspraak maken op vergoeding door het Motorwaarborgfonds.27. Er is gezegd dat de uitsluiting hierdoor gerechtvaardigd is dat de eigenaar van het gestolen voertuig geen enkele inspraak heeft in het gebruik dat de dief van zijn voertuig maakt.28.
Maar er is meer: de eigenaar verliest door de diefstal het ‘beheer’ van het contractueel bepaalde risico, waarvan hij de omvang, respectievelijk de beperkingen, kent. Daarom behoort zijn BA-verzekeraar niet in te staan voor de vergoeding van de benadeelden.29. Of degene die zich door diefstal van het voertuig heeft meester gemaakt al dan niet toerekeningsvatbaar is, maakt hierbij geen verschil. De ontoerekeningsvatbaarheid brengt alleen mee dat de dader niet strafbaar is, maar neemt niet weg dat het voertuig waarmee hij het ongeval heeft veroorzaakt tegen de wil van de eigenaar is ontvreemd. Om dezelfde redenen kan de verzekeraar zich ook beroepen op de uitsluiting van de dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die het voertuig heeft gestolen van zijn bloedverwant in opgaande lijn, hoewel dit misdrijf volgens artikel 462 (Belgisch) Strafwetboek alleen aanleiding geeft tot burgerrechtelijke vergoeding en niet tot een straf.30.
15.
Ik meen dan ook op basis van het voorgaande te kunnen concluderen dat het voor de toepassing van de in artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen neergelegde uitsluiting volstaat dat de dader de wederrechtelijke handeling heeft gesteld die aan de delictsomschrijving ‘diefstal’ beantwoordt, ook al kan hij daarvoor niet gestraft worden.
IV. Conclusie
16.
Ik ben van mening, op grond van die redenen, het Hof te kunnen adviseren als volgt te antwoorden op de door de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout gestelde prejudiciële vraag:
Artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dient aldus te worden uitgelegd dat de daarin bepaalde uitsluiting van dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die zich door diefstal de macht over het motorrijtuig heeft verschaft, ook geldt indien degene die de wederrechtelijke handeling heeft gesteld die aan de delictsomschrijving van diefstal beantwoordt, ten gevolge van een geestesstoornis ontoerekeningsvatbaar is en derhalve niet tot een straf kan worden veroordeeld, noch op grond van schuld burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld.
Brussel, 3 februari 2012
De eerste advocaat-generaal,
G.DUBRULLE
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑02‑2012
Op grond van de artikelen 1382–1383 BW: zie hierboven, randnummer 2.
Art. 1 Aanvullend Protocol van 26 september 1968 bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; Benelux-Gerechtshof 16 april 1980, Jur. 1980–81, 3 en RW 1980–81, 168, concl. A.-G. DUMON.
Zie ook A.-G. SPIELMAN, concl. voor Benelux-Gerechtshof 20 mei 1983, A 82/4, Jur. 1983, 13 en RW 1983–84, 667.
Benelux Basisteksten, Boekdeel ****, II, p.38.
Cass., 5 februari 1998, A.R. C.94.0267.N en C.94.0374.N, AC 1998, nr. 69; zie Cass., 26 november 1998, A.R. C.95.0266.N, AC 1998, nr. 492. Zie ook het hierna vermelde arrest van het Benelux-Gerechtshof van 21 december 1990.
Benelux-Gerechtshof 20 mei 1983, A 82/4, Jur. 1983, 13 en RW 1983–84, 667, concl. A.-G. SPIELMAN.
In Nederland, waar de strafwet gebruiksdiefstal niet gelijkstelt met diefstal, wordt het begrip ‘diefstal’ in artikel 3 lid 1 WAM beperkter uitgelegd, waardoor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die een motorrijtuig bedrieglijk heeft weggenomen voor een kortstondig gebruik en met de bedoeling dat motorrijtuig terug te geven, door de verzekering moet worden gedekt. Dit is mogelijk omdat de Verdragsluitende Partijen, op grond van artikel 1 § 2 van de Overeenkomst, de Gemeenschappelijke Bepalingen kunnen vervangen door bepalingen die grotere waarborgen geven aan de benadeelden (Hoge Raad der Nederlanden 9 februari 2007, nr. C05/311HR, concl. A.-G. SPIER).
Benelux-Gerechtshof 21 december 1990, A 89/3, Jur. 1990–91, 41, concl. A.-G. LENAERTS.
Benelux-Gerechtshof 20 oktober 1989, A 88/2, Jur. 1989, 37, concl. A.-G. MOK.
C. VAN DEN WYNGAERT, m.m.v. B. DE SMET en S. VANDROMME, Strafrecht & Strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2011, p. 286–287. Zie ook J.M. KRONENBERG en B. DE WILDE, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, Deventer, 2003, p. 55–56, die het begrip schuld gebruiken in de betekenis van verwijtbaarheid en het begrip culpa om de schuld als delictsbestanddeel aan te duiden.
J. DE HULLU, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer, 2000, p. 193; C. VAN DEN WYNGAERT, m.m.v. B. DE SMET en S. VANDROMME, Strafrecht & Strafprocesrecht in hoofdlijnen, p. 286.
Ook op dit punt kan er terminologische verwarring bestaan: naar Nederlands recht worden de ‘strafbare feiten’, naar gelang van de ernst ervan, opgedeeld in misdrijven en overtredingen, terwijl naar Belgisch recht het ‘misdrijf’ de generieke term is, waarbij een verdere opdeling wordt gemaakt tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen.
C. VAN DEN WYNGAERT, m.m.v. B. DE SMET en S. VANDROMME, Strafrecht & Strafprocesrecht in hoofdlijnen, p. 178–179.
A. DE NAUW, Inleiding tot het algemeen strafrecht, Brugge, die Keure, 2006, p. 118; C. VAN DEN WYNGAERT, m.m.v. B. DE SMET en S. VANDROMME, Strafrecht & Strafprocesrecht in hoofdlijnen, p. 292.
Cass. 10 december 1941, Pas. 1941, I, 447.
A. DE NAUW, Inleiding tot het algemeen strafrecht, Brugge, die Keure, 2006, p. 118.
Cass. 22 maart 1995, A.R. P.93.1421.N, AC 1995, nr. 161.
Code pénal en vigueur dans le Grand-Duché de Luxembourg, Annoté d'après la jurisprudence Luxembourgeoise, Publié par le Ministère de la Justice.
J.M. KRONENBERG en B. DE WILDE, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, p. 27.
Soms staat de wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving. Dan is de wederrechtelijkheid niet langer een element, maar een bestanddeel (J.M. KRONENBERG en B. DE WILDE, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, p. 39 en 42). Zie ook J. DE HULLU, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, p. 70–72.
J.M. KRONENBERG en B. DE WILDE, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, p. 34.
J. DE HULLU, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, p. 326–337.
J.M. KRONENBERG en B. DE WILDE, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, p. 81–82.
J.M. KRONENBERG en B. DE WILDE, Grondtrekken van het Nederlandse strafrecht, p. 52.
De Verz. 2002, 878.
Artikel 7, § 1, 3o van de Benelux-overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. De inhoud van deze bepaling is opgenomen in art. 19bis-11, § 1, 4o WAM.
J. MAHAUX, ‘Observations sur l'étendue de la compétence de la Cour de justice Benelux et sur l'exclusion du vol dans l'assurance R.C. Automobile obligatoire au sein du Benelux’, noot onder Benelux-Gerechtshof 20 mei 1983, A 82/4, RCJB 1985, (233) 260.
Tenzij de eigenaar (mede) aansprakelijk zou zijn voor het ongeval veroorzaakt door de dief, wegens zijn eigen nalatigheid of op grond van zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de handelingen verricht door de dief (bv. wanneer de dief een minderjarig kind is van de eigenaar) — zie hierboven.
Cass., 25 januari 1984, A.R. 2077, AC 1983–84, nr. 275.