Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.1.1
3.6.1.1 De opvolgende Woningwetten
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702006:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor zeer vroege voorbeelden: Hartog 1971, p. 68- 69. Hartog haalt daar onder andere een uitspraak van het Hof Friesland uit 1611 aan, waarin het Hof, met een beroep op de oud-Griekse Rhodische zeewet (Lex rhodia de iactu), schadevergoeding toekende aan een burger wiens huis op last van een militair bevel in brand was gestoken ter verdedigingsdoeleinden.
Wet van 2 september 1854, houdende vaststelling van het Reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indie, Stb. 1854, 129. Zie uitgebreid: De Jongh 2012, hoofdstuk 2. Zie ook: De Hartog, Bijdragen tot de kennis van het Staats-, provinciaal en gemeentebestuur in Nederland 1881, p. 259-317.
Aangenomen mag worden dat met name de billijkheid als grondslag voor die vergoeding werd gezien, zie: Tjepkema 2010, hoofdstuk 2; De Jongh 2012, hoofdstukken 2 en 3.
Stb. 1901, 158.
Uitgebreid: Kruseman 1932, p. 136 e.v.
De Kringenwet was veelal militair ingestoken, zo was het verboden om te bouwen binnen bepaalde kringen rond vestingwerken.
Stb. 1853, 128.
Kamerstukken II 1900/01, 34, 1, p. 37.
Zie ook: Van Poelje, De Nederlandse Gemeente 1954/26 (I), p. 285.
Ik begin het historisch onderzoek naar de oorsprong van de planschadeadviseur direct binnen de sfeer van de fysieke leefomgeving. Desalniettemin wijs ik erop dat het niet op dat gebied was waar voor het eerst ook buiten onteigening schade werd vergoed voor een op zich rechtmatige overheidshandeling. 1Reeds in 1854 kwam er een regeling tot stand die voorzag in zo een compensatie. Het ‘Reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indië’ bepaalde in art. 115 dat uiterlijk op 1 januari 1860 de slavernij moest zijn afgeschaft.2 Daartegenover stond een vorm van schadevergoeding aan de (voormalig) slavenhouders ten gevolge van het onevenredig nadeel dat zij opliepen door de gedwongen beëindiging. In de jaren nadien kwamen er steeds meer regelingen tot stand die voorzagen in vergoeding voor onevenredig benadeelde burgers.3 De precieze rechtsgrondslag voor die vergoeding was lange tijd niet eenduidig.4
Het zou een gerechtvaardigde aanname zijn te verwachten dat ook de Woningwet van 19015 één van de (wettelijke) regelingen was waarin een schadevergoedingsbepaling werd opgenomen. Het kwam immers regelmatig voor dat burgers schade leden als gevolg van een op zich rechtmatig besluit dat op grond van die wet werd genomen. Gedacht kan worden aan rooilijnbesluiten, bouwverboden of uitbreidingsplannen. 6Bovendien bevatte ook de ‘voorganger’7 van de Woningwet – de Kringenwet 18538 –zo een schadevergoedingsbepaling. Toch zoekt men tevergeefs naar een schadevergoedingsbepaling in de Woningwet van 1901. De parlementaire geschiedenis leert mij dat de regering het niet nodig achtte om te voorzien in een wettelijke schadevergoedingsregeling. Dit leidde voor bijvoorbeeld uitbreidingsplannen (artt. 27 en 28 Woningwet 1901) wel eens tot de vervelende situatie dat burgers gedurende een aantal jaren niet mochten bouwen op gronden die aangewezen waren voor uitbreiding. Indien het uitbreidingsplan vervolgens werd ingetrokken, waardoor van onteigening geen sprake kon zijn, had er soms jarenlang een waarde drukkende maatregel op de aangewezen gronden gelegen waardoor deze grond bijvoorbeeld ver beneden de werkelijke prijs aan de overheid was overgedragen. De Tweede Kamer reageerde afkeurend op deze praktijk en sprak van “eene soort landnationalisatie zonder schadeloosstelling”.9 Enkele leden drongen daarom aan op de wettelijke verankering van een schadevergoedingsbepaling. De regering kwam hier echter niet aan tegemoet en overwoog dat:
“Zodra men erkent, dat noch nu, noch in de toekomst aan eigenaars van terreinen de vrijheid kan worden gelaten deze op elke duim gronds met gebouwen te bedekken, moet worden toegegeven, dat schadevergoeding als regel, onder normale omstandigheden niet is te verdedigen”.10
Het ontbreken van een schadevergoedingsbepaling zou volgens de regering overigens niet leiden tot onbillijke situaties, omdat Gedeputeerde Staten en, in hoogste instantie, de Kroon erop toezagen dat waar de billijkheid dit vereiste, gemeenten overgingen tot aankoop of onteigening.
De Woningwetherzieningen van 1912 en 1921 leidden vervolgens ook niet tot de invoering van een schadevergoedingsbepaling. Voor de herziening van 1921 heeft daaraan bijgedragen dat de wetgever vlak na de Eerste Wereldoorlog urgentere zaken aan het hoofd had, zoals woningnood en huurbescherming. 11