Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.9:19.9 Samenvatting en conclusies
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.9
19.9 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495903:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Invloed ontwikkelingen op de toekomstige betekenis van nemo tenetur in Nederlandse punitieve belastingzaken
Nadat ik in de voorbije hoofdstukken heb vastgesteld dat het nemo tenetur-beginsel in Nederlandse punitieve belastingzaken voldoende tot gelding komt, heb ik tot besluit van deze studie vooruitgeblikt naar de toekomstige betekenis van nemo tenetur voor punitieve belastingzaken. Welke kant het op zal gaan, laat zich moeilijk voorspellen. De Straatsburgse rechtspraak tendeert naar ruime erkenning van nemo tenetur als waarborg voor de integriteit van het strafproces, maar een eventuele neergang straks blijft mogelijk onder invloed van technische en andere ontwikkelingen. Die hebben waarschijnlijk tot gevolg dat fiscaal controle- en opsporingsambtenaren minder afhankelijk zullen worden van de informatieverstrekking door (verdachte) burgers. Tegenover het afnemende belang van nemo tenetur staat waarschijnlijk het toenemende belang van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Toekomstgerichte invulling nemo tenetur in belastingzaken
Ook in de (nabije) toekomst zal, zo dat al mogelijk is, het lastig blijven om een invulling van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in fiscale boetezaken te geven, die betere kaarten heeft dan een (wettelijk) zwijgrecht voor zuivere boetevragen en een (jurisprudentiële) bewijsuitsluitingsregel voor wilsafhankelijk bewijs (verklaringen, bescheiden) dat (mede) een heffingsbelang vertegenwoordigt. De bewijsgaring door controleambtenaren buiten de boeteling om heeft uit oogpunt van nemo tenetur de voorkeur boven bewijsgaring bij de (potentiële) boeteling zelf, maar roept eigen vragen op. Omdat het afdwingen van verklaringen in antwoord op zuivere boetevragen problematisch blijft, zal de bewijsgaring bij de boeteling zelf vooral (blijven) steunen op de inzage in bescheiden. Eventueel kan in voorkomende gevallen nog worden gedacht aan het toekennen van strafvermindering bij volledige medewerking aan het boeteonderzoek of worden overgeschakeld naar een strafvorderlijk scenario.
Verschillende geldingskracht nemo tenetur in Nederlandse fiscale boete- en strafzaken
Uit de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak blijkt nauwelijks van een verschil in geldingskracht tussen bestuurlijke boetezaken en (klassieke) strafzaken.Het EHRM houdt slechts beperkt rekening met het eigen (rechts)gebied van belastingen. De bestaande verschillende normering en praktijk van de Nederlandse fiscale boete- en strafprocedure is aanleiding te vermoeden dat het risico van ‘improper compulsion’ die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van het bewijs en/of de autonome positie van de boeteling, in fiscale boetezaken minder groot is dan geldt voor (fiscale) strafzaken. Naast de inzage in wilsafhankelijke bescheiden, lijkt de betekenis van nemo tenetur voor Nederlandse fiscale boetezaken zich vooral te concentreren zich rond de (eveneens) weinig voorkomende situaties waarin fiscaal toezichtsambtenaren op ontoelaatbare wijze inbreken op de fysieke of psychische integriteit van de (potentiële) boeteling. Zo bezien speelt het recht tegen gedwongen zelfbelasting als waarborg voor betrouwbaar bewijs en de procesautonomie van de verdachte, vooral in klassieke strafzaken.
Wanneer fiscale rechtshandhaving in het geding komt
Wanneer het EHRM de reikwijdte van het recht tegen gedwongen zelfbelasting verder zou oprekken en daaronder bijvoorbeeld ook de gedwongen verkrijging van bestaande documenten zou begrijpen, dan hebben de Nederlandse wetgever en rechter wel mogelijkheden om een effectieve fiscale rechtshandhaving te waarborgen. De wetgever zou lichtere vormen van verwijtbaarheid voor het opleggen van (sommige) vergrijpboetes kunnen introduceren en/of kunnen overschakelen naar daadstrafrecht. De rechter zou op zijn beurt waar nodig en voor zover mogelijk binnen de grenzen van art. 6, lid 2 EVRM, het gebruik van bewijsvermoedens ruimhartiger kunnen toestaan.