NJ 1931, p. 1602
HR, 22-06-1931: Liegende bakker
HR 22-06-1931, ECLI:NL:HR:1931:234, m.nt. W.P.J. Pompe (Liegende bakker)
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 juni 1931
- Magistraten
Mrs. Taverne, Schepel, de Menthon Bake, Fick en Meckmann;
- Zaaknummer
[1931-06-22/NJ_131088]
- Conclusie
A-G Van Lier
- Noot
W.P.J. Pompe
- Roepnaam
Liegende bakker
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS160096:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsomstandigheden en beroepsschade
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1931:234, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑06‑1931
- Wetingang
Essentie
Zwijgrecht v. d. verdachte en mededeelingsplicht v. h. hoofd v. e. onderneming ingevolge de Arbeidswet. Door het doen van onware mededeelingen wordt art. 79 Arbeidswet niet overtreden.
Samenvatting
De Rb. heeft de vraag, of requirant, toen hij door den ambtenaar der arbeidsinspectie werd ondervraagd, verdachte was, — welke vraag ingevolge art. 27 Sv. hierop neerkomt of t.a.v. requirant uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, waarop de ondervraging betrekking had, voortvloeide, — ten onrechte ter zijde gesteld op dezen grond, dat de ondervragende ambtenaar als zijn meening te kennen gaf, dat hij den requirant ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.