HR, 24-07-1967
ECLI:NL:HR:1967:AC4770
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-07-1967
- Zaaknummer
[1967-07-24/NJ_51961]
- LJN
AC4770
- Roepnaam
Antilliaanse amokmaker
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1967:AC4770, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑07‑1967; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1967:AC4770
ECLI:NL:PHR:1967:AC4770, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑07‑1967
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1967:AC4770
- Vindplaatsen
NJ 1969, 63 met annotatie van Ch.J. Enschedé
NJ 1969, 63 met annotatie van Ch.J. Enschedé
Uitspraak 24‑07‑1967
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Doodslag (meermalen gepleegd) door in 1964 in Curaçao met mes meermalen in lichaam van 2 anderen te steken, art. 300 SrNA. Strafmotivering (gevangenisstraf van 15 jaren). Mag straf worden opgelegd die zwaarder is dan door schuld van dader wordt gerechtvaardigd? Stelling dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door schuld van dader wordt gerechtvaardigd, vindt geen steun in enige rechtsregel. Het stond hof vrij bij bepaling van de aan verdachte op te leggen straf niet uitsluitend op schuld van verdachte te letten. Volgt verwerping.
24 juli 1967.
Nr. 64017.
vS.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Op het beroep van [rekwirant], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1939, van beroep peon, wonende op [woonplaats], rekwirant van cassatie tegen een vonnis van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen van 21 maart 1967, waarbij in hoger beroep, na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 21 december 1965, met vernietiging van een vonnis van de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curacao, van 24 maart 1965, de rekwirant ter zake van twee feiten, beide gekwalificeerd als "doodslag", onder aanhaling van de artikelen 11, 31, 35, 59 en 300 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijftien jaren, met bevel tot vernietiging van het mes, hetwelk als stuk van overtuiging heeft gediend en waarmede de misdrijven opzettelijk werden gepleegd;
Gehoord het verslag van de Raadsheer de Meijere;
Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald;
Gelet op het middel van cassatie namens de rekwirant voorgesteld bij op de voet van artikel 11, tweede lid, van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen ingediende, nader bij pleidooi toegelichte schriftuur en luidende :
"Schending van het recht en/of verzuim van vormen, met name door schending van de artikelen 196, 199, 206, 208, 229 en 231 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, doordien het Hof aan requirant heeft opgelegd een gevangenisstraf voor de tijd van vijftien jaren, zulks hoewel naar 's Hofs oordeel een langdurige gevangenisstraf niet gerechtvaardigd zou zijn indien uitsluitend op de schuld van requirant zou worden gelet, hebbende aldus het Hof gehandeld in strijd met het "niet meer straf dan schuld" principe, immers aan requirant een gevangenisstraf opgelegd welke qua duur uitgaat boven de mate van diens schuld";
Gehoord de Advocaat-Generaal Minkenhof namens de Procureur-Generaal in haar conclusie strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;
Overwegende dat bij de bestreden uitspraak ten laste van rekwirant is bewezen verklaard:
"1. dat hij, beklaagde, op de 4de november 1964, op het eiland Curaçao, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door alstoen aldaar opzettelijk haar, [slachtoffer 1] met een mes, meermalen in het lichaam te steken, tengevolge waarvan zij, [slachtoffer 1] de navolgende verwondingen bekwam,
a) een zeer diepe wijdgapende steekwond van 8 bij 3 cm in de bovenbuik;
b) een zeer diepe steekwond van 3 bij 1 1/2 cm in de bovenbuik;
c) een ondiepe 2 cm lange steekwond links achter onder in de rug;
d) een ondiepe steekwond van 4 bij 1 cm aan de buitenzijde even onder de rechter elleboog,
welke onder b) genoemde steekwond de grote lichaamsslagader dwars heeft doorgesneden, tengevolge waarvan zij, [slachtoffer 1], door een massale, in- en uitwendige dodelijke bloeding, welke terstond nadat haar die steekwond was toegebracht, optrad, korte tijd nadien op voormeld eiland is overleden;
2. dat hij, beklaagde, op de 4de november 1964, op het eiland Curaçao, [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, door alstoen aldaar opzettelijk hem, [slachtoffer 2] voornoemd, met een mes, in het lichaam te steken, tengevolge waarvan hij, [slachtoffer 2], een zeer grote steekwonde lopend over de gehele mediaanlijn van de buik bekwam, waarbij de op drie en vier na laatste lissen van de dunne darm dwars werden doorgesneden, tengevolge waarvan hij, [slachtoffer 2] aan de gevolgen, die terstond nadat hem die steekwond was toegebracht, optraden, korte tijd nadien op voormeld eiland is overleden.";
dat het Hof elk van beide bewezen verklaarde feiten heeft gekwalificeerd als "doodslag" en voorts omtrent de strafbaarheid van rekwirant heeft overwogen: "dat ook de beklaagde ten aanzien van de als voormeld bewezen verklaarde feiten, die bevonden zijn te zijn strafbare feiten en zijn gequalificeerd als voormeld, strafbaar is, zijnde van geen feiten of omstandigheden gebleken, welke of voorschreven bewezen verklaarde feiten straffeloos zouden maken, dan wel de strafbaarheid van beklaagde deswege zouden opheffen;
dat het Hof tot dit oordeel komt niettegenstaande het betoog van de raadsman van beklaagde, daartoe strekkende, dat beklaagde zou dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op de grond dat het bewezen verklaarde aan beklaagde niet zou zijn toe te rekenen wegens de gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens;
dat toch uit het over beklaagde uitgebrachte psychiatrisch-psychologisch rapport dd. 31 januari 1967, hiervoren sub 7 vermeld, blijkt dat de deskundigen tot de conclusie zijn gekomen, dat beklaagde, zij het in zeer geringe mate, toerekeningsvatbaar is te achten;
dat het Hof deze conclusie overneemt en tot de zijne maakt, zodat het beroep van de raadsman op volledige ontoerekeningsvatbaarheid van beklaagde behoort te worden verworpen;
dat blijkens het onder 7 vermelde deskundigenrapport de beklaagde weliswaar slechts in geringe mate toerekeningsvatbaar is zodat, indien uitsluitend op de schuld van beklaagde zou worden gelet, een langdurige gevangenisstraf niet gerechtvaardigd zou zijn; dat, ware terbeschikkingstelling van de beklaagde mogelijk, teneinde van Regeringswege te worden verpleegd in een psychopathenasyl, bij zodanige, thans niet mogelijke, terbeschikkingstelling verwacht zou moeten worden dat het verblijf van beklaagde in zodanig asyl zeer langdurig zou zijn nu blijkens voormeld deskundigenrapport genezing of verbetering van beklaagde weinig waarschijnlijk is te achten;
dat, gelet op het gevaar dat deze beklaagde, zoals in meergemeld deskundigenrapport wordt gesignaleerd, voor de gemeenschap oplevert, het Hof geen andere mogelijkheid ziet en het mitsdien juist acht den beklaagde de navolgende straf op te leggen";
Overwegende ten aanzien van het middel:
dat de aan het middel ten grondslag liggende stelling, dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd in geen rechtsregel steun vindt, en het aan het Hof vrijstond. bij de bepaling van de aan rekwirant op te leggen straf niet uitsluitend op de schuld van rekwirant te letten;
dat het middel derhalve tevergeefs is voorgesteld;
Verwerpt het beroep.
Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heren Mrs. Boltjes, Vice-President, Hülsmann, Korthals Altes, de Meijere en Beekhuis, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Joosten, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de vierentwintigste juli 1900 zeven en zestig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren en de Advocaat-Generaal Minkenhof.
Conclusie 10‑07‑1967
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Doodslag (meermalen gepleegd) door in 1964 in Curaçao met mes meermalen in lichaam van 2 anderen te steken, art. 300 SrNA. Strafmotivering (gevangenisstraf van 15 jaren). Mag straf worden opgelegd die zwaarder is dan door schuld van dader wordt gerechtvaardigd? Stelling dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door schuld van dader wordt gerechtvaardigd, vindt geen steun in enige rechtsregel. Het stond hof vrij bij bepaling van de aan verdachte op te leggen straf niet uitsluitend op schuld van verdachte te letten. Volgt verwerping.
L.
Nr. 64017
Zitting 10 juli 1967.
Mr. Minkenhof.
Conclusie inzake:
[rekwirant].
Edelhoogachtbare Heren,
Het cassatiemiddel is gericht tegen een gedeelte van de strafmotivering, luidende: "dat blijkens het in het vonnis vermelde deskundigenrapport de beklaagde slechts in geringe mate toerekeningsvatbaar is zodat, indien uitsluitend op de schuld van beklaagde zou worden gelet, een langdurige gevangenisstraf niet gerechtvaardigd zou zijn". Hier zou, volgens het middel, het Hof van Justitie gehandeld hebben in strijd met het "niet meer straf dan schuld" principe. Blijkens de toelichting bedoelt de steller van het middel, dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd. Hij acht dit, als ik het goed begrijp, een uitvloeisel van het beginsel: geen straf zonder schuld. Naar mij echter wil voorkomen worden hier toch ongelijksoortige zaken met elkander vergeleken. Dat er van straf geen sprake kan zijn, wanneer iedere vorm van schuld ontbreekt brengt nog niet mede, dat de strafmaat uitsluitend door de schuld wordt bepaald en ook niet dat een straf die zwaarder is dan door de schuld wordt gerechtvaardigd (gedeeltelijk) straf is zonder schuld. Wanneer eenmaal schuld is vastgesteld, zij het door sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid een relatief geringe mate van schuld, dan komen voor de bepaling van de strafmaat ook andere factoren in aanmerking, in het bijzonder de beveiliging van de maatschappij tegen herhaling, in verband met de gevaarlijkheid van de dader en de ernst van het gepleegde feit. Dit is uiteraard in versterkte mate het geval wanneer andere mogelijkheden tot beveiliging van de maatschappij ontbreken. Ongetwijfeld wordt het rechtsgevoel meer bevredigd wanneer genoemde beveiliging kan worden bereikt door verpleging van de dader in een asyl, zodat het in de vorm van straf toegebrachte leed beperkt kan blijven en in een redelijke evenredigheid staat tot de mate van schuldverwijt, dat de dader treft. Waar deze mogelijkheid niet aanwezig is - er is in de Nederlandse Antillen geen psychopatenasyl en terbeschikkingstelling van de regering is dus niet mogelijk - is het opleggen van een straf, welke in zwaarte ongeëvenredigd is aan de schuld m.i. niet in strijd met het recht. De strafoplegging kan dus mede door deze motivering gerechtvaardigd worden (zie H.R. 25 februari 1947 N.J. 1947 no. 161 noot Pompe).
Ik merk nog op, dat ook het Nederlandse strafrecht toen hier te lande nog geen bijzondere behandeling van niet volledig toerekeningsvatbaren mogelijk was met dezelfde moeilijkheden heeft geworsteld. Zie Rechtbank Almelo 16 november 1920 N.J.1920 blz. 1182, vernietigd door Hof Arnhem 10 februari 1921 N.J. 1921 blz. 473; Rechtbank Amsterdam 18 februari 1921 N.J. 1921 blz. 373 en de noten van T(averne) onder de laatstgenoemde beslissingen, die echter ook opmerkt: - "al kan helaas ook een schuldstrafrecht niet steeds uitkomen met een strafmaat, die evenredig is aan de mate van schuld-". De psychopatenwetten hebben niet de volledige oplossing van de problemen gebracht. Bij zeer gevaarlijke delinquenten (H.R. 10 september 1957 N.J. 1958 no.5, Rechtbank Zutphen 23 oktober 1964 N.J. 1966 no. 19) neemt de rechter ook nu nog wel zijn toevlucht tot langdurige gevangenisstraffen in het belang van de veiligheid van de maatschappij. Pompe (noot onder evengemeld arrest) acht dit bedenkelijk en vraagt zich af of in de beslissing nog wel voldoende met het schuldkarakter van ons strafrecht is rekening gehouden, gegeven de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte. Hoe dit voor ons strafrecht zij, in de Nederlandse Antillen, waar geen psychopatenwetten gelden, mag naar mijn mening aan de schuld niet die alles overheersende positie worden toegekend bij het bepalen van de straf.
Ik moge tot verwerping van het beroep concluderen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,