HR, 21-01-1975, nr. 67612
ECLI:NL:HR:1975:AB5457
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-01-1975
- Zaaknummer
67612
- LJN
AB5457
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1975:AB5457, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑01‑1975; (Cassatie in het belang der wet)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1974:1
ECLI:NL:PHR:1974:1, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 30‑09‑1974
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1975:AB5457
- Vindplaatsen
NJ 1976, 37 met annotatie van A.L. van der Melai
Uitspraak 21‑01‑1975
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang van de wet. Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Uitleg van ‘zich op andere wijze heeft misdragen’ a.b.i. art. 14a.1 Sr, tekst van wet en wetsgeschiedenis. Kan hieronder mede worden begrepen geval dat veroordeelde zich aan strafbaar feit schuldig heeft gemaakt? Opvatting dat in art. 14a.1 Sr voorkomende bewoordingen ‘zich op andere wijze heeft misdragen’ moeten worden verstaan als ‘zich op andere wijze heeft misdragen dan door zich schuldig te maken aan strafbaar feit’, laat zich verdedigen in het licht van tekst van wet, waarin als gronden voor tul naast elkaar worden genoemd dat veroordeelde zich aan strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en dat veroordeelde zich op andere wijze heeft misdragen. Blijkens wetsgeschiedenis van art. 14a Sr is het echter bedoeling van wetgever geweest dat onder ‘zich op andere wijze misdragen’ mede kan worden begrepen geval dat veroordeelde zich aan strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Nu tekst van dit art. zich niet dwingend verzet tegen lezing in overeenstemming met bedoeling van wetgever, moet die bedoeling in dit geval de doorslag geven. Volgt verwerping. CPG: anders.
21 januari 1975
Nr. 67612
LM
De Hoge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, rekwirant van cassatie "in het belang der wet" tegen een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 19 augustus 1974, waarbij, met toewijzing van een dienovereenkomstige vordering van de Officier van Justitie in het arrondissement 's-Gravenhage van 1 juli 1974, is gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover bij vonnis van die Politierechter van 17 juli 1972 voorwaardelijk opgelegd aan [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats];
Gehoord de Procureur-Generaal in zijn voordracht, houdende als middelen van cassatie:
"primair, dat de Politierechter het recht heeft geschonden door de Officier van Justitie ontvankelijk te achten in diens bij hem ingediende vordering d.d. 1 juli 1974 en door, in stede van de Officier niet ontvankelijk te verklaren in deze vordering, deze vordering toe te wijzen en de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 17 juni 1972, te gelasten,
subsidiair, voor het geval de Hoge Raad mocht oordelen dat de Politierechter de Officier te recht ontvankelijk heeft verklaard of geacht in diens bij hem ingediende vordering, dat de Politierechter het recht heeft geschonden, door, - terwijl in cassatie mag worden aangenomen, in ieder geval onderstellenderwijs, dat, toen de vordering werd ingediend, de veroordeelde niet of nog niet strafbaar was verklaard ter zake van het misdrijf door het begaan waarvan deze zich gedurende de proeftijd heeft misdragen maar slechts kon worden aangemerkt als degene te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit van schuld aan het feit dat de Politierechter als een misdrijf heeft gequalificeerd -, de vordering van de Officier toe te wijzen en de gevorderde tenuitvoerlegging te bevelen op de daarvoor door de Officier in diens vordering aangevoerde grond, zulks ten onrechte, omdat de onderhavige vordering niet toewijsbaar was of kon zijn op de enkele grond dat de veroordeelde verdacht werd van een misdraging gedurende de proeftijd welke een misdrijf oplevert" ;
en in zijn vordering dat de Hoge Raad de beroepen beslissing in het belang der wet vernietige; Overwegende dat bij voormeld vonnis van de Politierechter van 17 juli 1972 gerekwireerde wegens , "diefstal, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de tijd van twaalf weken, met bevel dat een deel van deze straf, groot twee weken, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde vóór het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende de proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen of niet heeft nageleefd een bij het vonnis gestelde bijzondere voorwaarde;
Overwegende dat de Officier van Justitie bij zijn voormelde vordering van 1 juli 1974 heeft kennis gegeven dat gerekwireerde zich gedurende de proeftijd heeft misdragen "aangezien veroordeelde op 26 februari 1974 te ± 00.10 uur heeft gepoogd te stelen in of uit de garage van de supermarkt "Familiemarkt", gevestigd in perceel Rijksstraatweg 336 te Wassenaar" en op die grond heeft gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van dat gedeelte van de gevangenisstraf ten aanzien waarvan bevel was gegeven dat het voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd;
Overwegende dat de Politierechter bij de beroepen beslissing onder meer heeft overwogen, dat hij de in de vordering van de Officier van Justitie vermelde misdraging als misdrijf en wel: poging tot diefstal kwalificeert en hij de Officier van Justitie in zijn vordering ontvankelijk verklaart;
Overwegende ten aanzien van de primaire klacht van het middel:
dat dit is gegrond op de opvatting dat de in artikel 14a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voorkomende bewoordingen "zich op andere wijze heeft misdragen" moeten worden verstaan als "zich op andere wijze heeft misdragen dan door zich schuldig te maken aan een strafbaar feit";
dat deze opvatting zich laat verdedigen in het licht van de tekst van bedoeld artikel, waarin als gronden voor tenuitvoerlegging naast elkaar worden genoemd dat de veroordeelde zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en dat de veroordeelde zich op andere wijze heeft misdragen;
dat echter blijkens de geschiedenis van de Wet van 15 juni 1951, Stb. 214, houdende nadere voorzieningen betreffende de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling, bij welke wet de woorden "zich op andere wijze heeft misdragen" in het eerste lid van artikel 14a zijn ingevoegd, de bedoeling van de wetgever is geweest dat onder "zich op andere wijze misdragen" mede kan worden begrepen het geval dat de veroordeelde zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
dat zulks onder meer blijkt uit de volgende passage van de Memorie van Toelichting:
"In het algemeen zal de rechter, ook wanneer een strafbaar feit is gepleegd, op grond van wangedrag last tot tenuitvoerlegging kunnen geven. Indien echter twijfelachtig is, of het feit is gepleegd, zal hij deze last eerst geven, indien van een onherroepelijke veroordeling blijkt.";
dat deze bedoeling - nadat in het Voorlopig Verslag bezwaren tegen die zienswijze waren geopperd - in de Memorie van Antwoord uitdrukkelijk is gehandhaafd;
dat, waar de tekst van voormeld artikel zich niet dwingend verzet tegen een lezing in overeenstemming met vorenomschreven bedoeling van de wetgever, in dit geval die bedoeling de doorslag moet geven, zodat het middel niet kan slagen;
Overwegende ten aanzien van de subsidiaire klacht van het middel:
dat deze, in het licht van het hiervoren ten aanzien van het primaire middel overwogene, evenmin tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep.
Gewezen te 's-Gravenhage bij Mrs. Moons, Voorzitter, Vroom, Fikkert, van der Ven en Enschede, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend en door Mr. Moons uitgesproken ter openbare terechtzitting van de één en twintigste januari 1900 vijf en zeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Remmelink.
Conclusie 30‑09‑1974
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang van de wet. Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Uitleg van ‘zich op andere wijze heeft misdragen’ a.b.i. art. 14a.1 Sr, tekst van wet en wetsgeschiedenis. Kan hieronder mede worden begrepen geval dat veroordeelde zich aan strafbaar feit schuldig heeft gemaakt? Opvatting dat in art. 14a.1 Sr voorkomende bewoordingen ‘zich op andere wijze heeft misdragen’ moeten worden verstaan als ‘zich op andere wijze heeft misdragen dan door zich schuldig te maken aan strafbaar feit’, laat zich verdedigen in het licht van tekst van wet, waarin als gronden voor tul naast elkaar worden genoemd dat veroordeelde zich aan strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en dat veroordeelde zich op andere wijze heeft misdragen. Blijkens wetsgeschiedenis van art. 14a Sr is het echter bedoeling van wetgever geweest dat onder ‘zich op andere wijze misdragen’ mede kan worden begrepen geval dat veroordeelde zich aan strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Nu tekst van dit art. zich niet dwingend verzet tegen lezing in overeenstemming met bedoeling van wetgever, moet die bedoeling in dit geval de doorslag geven. Volgt verwerping. CPG: anders.
V.
C.W. 805.
Mr. van Oosten.
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Kamer van Strafzaken
VOORDRACHT EN VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET.
Edelhoogachtbare Heren,
Hierbij leg ik in fotocopie - voor copie conform afgegeven door de Griffier van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage - over een beschikking van de fgd. Politierechter in deze Rechtbank, genomen op 19 augustus 1974 waarbij de tenuitvoerlegging is gelast van de aan [verdachte] opgelegde straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Politierechter in de genoemde Rechtbank d.d. 17 juni 1972.
Met weglating van de personalia van de veroordeelde luidt deze beschikking aldus:
"De Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage;
Gezien de aangehechte vordering van de Officier van Justitie in het Arrondissement 's-Gravenhage dd. 1 juli 1974 (waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd, ) strekkende tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel der straf, waartoe [verdachte] ( ... ) bij vonnis van de Politierechter in deze Rechtbank dd. 17 juni 1972 is veroordeeld;
Gehoord de Officier van Justitie, de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman Mr. A.N. Huizenga;
Overwegende, dat de Politierechter in deze rechtbank de in de aangehechte vordering onder parketno. 4368/74 vermelde misdraging als misdrijf en wel: poging tot diefstal kwalificeert en de Officier van Justitie in zijn vordering ontvankelijk verklaart;
Overwegende, dat de Politierechter in deze Rechtbank termen aanwezig acht de gevorderde tenuitvoerlegging te bevelen, op de redenen in aangehechte vordering vermeld;
Beslissende:
Wijst toe de vordering van de Officier van Justitie dd. 1 juli 1974;
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis dd. 17 juli 1972".
De bij de Politierechter onder parketnr. 3472-72-vtvv ingediende vordering van de Officier van Justitie d.d. 1 juli, welker inhoud in deze beschikking geacht moet worden overgenomen te zijn luidt aldus:
"De Officier in het Arrondissement 's-Gravenhage,
gelet op het onherroepelijk geworden vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 17 juni 1972, waarbij [verdachte] ( ... ) wegens diefstal, meermalen gepleegd; is veroordeeld tot twaalf weken gevangenisstraf, met aftrek van de preventieve hechtenis, met bevel, dat een deel van deze straf, groot twee weken niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende de proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen of niet heeft nageleefd een bij het vonnis gestelde bijzondere voorwaarde; waarbij als bijzondere voorwaarde is gesteld: dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich gedrage naar de voorschriften te geven door of namens de Dr. F.S. Meijers-Vereniging, afdeling 's-Gravenhage, zolang die instelling zulks noodzakelijk acht, met dien verstande dat de hulp- en steunverlening niet zal worden beëindigd zonder voorafgaande goedkeuring van de Reclasseringsraad in wiens ressort het toezicht laatstelijk wordt uitgeoefend;
overwegende, dat de kennisgeving, bedoeld in art. 14 e Wetboek van Strafrecht, aan veroordeelde - in persoon - is betekend op 7 september 1972;
geeft kennis aan voornoemde Rechter, dat veroordeelde gedurende de proeftijd zich heeft misdragen aangezien veroordeelde op 26 februari 1974 te ± 00.10 uur heeft gepoogd te stelen in of uit de garage van de supermarkt "Familiemarkt", gevestigd in perceel Rijksstraatweg 336 te Wassenaar, hetgeen blijkt uit het overgelegde proces-verbaal van de gemeentepolitie van Wassenaar d.d. 20 maart 1974 no. 59/1974, dat o.m. inhoudt de bekentenis dien aangaande van veroordeelde (vide bijgevoegde zaak parketnr. 4368/74);
Onder de hierbij overgelegde stukken bevindt zich eveneens een procesverbaal d.d. 20 maart 1974 van de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ten parkette van de Officier geregistreerd onder no. 4368, opgemaakt tegen [verdachte] voornoemd als verdacht van diefstal door middel van inklimming, c.q. poging daartoe, gepleegd op 26 februari 1974. Dit proces-verbaal vermeldt als verklaring van de verdachte dat hij erkent "dat hij getracht heeft zich aan diefstal van kleding schuldig te maken". Op de omslag van dit proces-verbaal is aangetekend: "Sepot g.t. i.v.m. tenuitvoerlegging v. v.w.straf van vonnis v.d. Pol.rechter d. d. 17-6-72".
Naar ik meen, mag in cassatie worden aangenomen, in ieder geval onderstellenderwijze, dat [verdachte] door het O.M. niet is vervolgd ter zake van het feit waarvan het voormelde proces-verbaal is opgemaakt, althans dat op 1 juli 1974, de datum waarop de vordering van de Officier is gedagtekend, [verdachte] niet onherroepelijk strafbaar was verklaard aan het strafbaar feit.
Uit de beschikking van de Politierechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel kan worden aangewend en welke alzo onherroepelijk is geworden, blijkt dat de veroordeelde, [verdachte], zich gedurende de proeftijd, vermeld in de vordering van de Officier heeft misdragen, door opnieuw een feit te begaan dat de Politierechter qualificeert als een misdrijf. De wet schrijft voor, in art. 14 f, eerste lid, tweede volzin, Sr., dat de kennisgeving dat door de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit is begaan niet geschiedt voor "'de nieuwe uitspraak onherroepelijk is geworden" hetgeen m.i. aldus dient te worden te verstaan dat, ingeval de veroordeelde zich gedurende de proeftijd misdraagt door opnieuw een strafbaar feit te begaan, de kennisgeving, voorgeschreven bij art. 14 f, lid 1, eerste volzin, Sr., niet eerder geschiedt dan nadat de veroordeelde ter zake van dit feit onherroepelijk strafbaar is verklaard. Eerder zal in dit geval de voorgeschreven kennisgeving door het O.M. niet kunnen of mogen geschieden. En, gegeven het in de tekst van art. 14 f, lid 1, eerste volzin, door het voorzetsel "met" uitgedrukte verband tussen de daar genoemde handelingen (kennisgeving en vordering) zal, als het O.M. een vordering nodig oordeelt, de vordering, welke het O.M. nodig zal oordelen, evenmin kunnen geschieden vóórdat de veroordeelde ter zake van het opnieuw begane strafbare feit onherroepelijk strafbaar is verklaard.
Bevindt de in art. 14 f lid 1 bedoelde rechter, bij wie de daar bedoelde vordering is ingediend, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd heeft misdragen door het opnieuw begaan van een strafbaar feit, en aldus een der voorwaarde gesteld bij het bevel, bedoeld in art. 14 a, niet heeft nageleefd, dan zal hij derhalve het O.M. niet ontvankelijk dienen te verklaren in diens vordering.
Gegeven dat het voormelde proces-verbaal, parketnr. 4368, het redelijk vermoeden wettigt dat [verdachte] zich gedurende de proeftijd heeft misdragen door het begaan van een misdrijf, althans dat hij zich gedurende de proeftijd heeft misdragen door het begaan van een feit dat door de Politierechter als een misdrijf is gequalificeerd, en dat aldus een der in de aanhef van art. 14 f bedoelde voorwaarden door de veroordeelde niet is nageleefd, had de voorgeschreven kennisgeving niet mogen geschieden dan nadat [verdachte] ter zake van dit strafbare feit onherroepelijk strafbaar zou zijn verklaard en had, gezien het hierboven aangewezen verband tussen kennisgeving en vordering, ook de vordering niet eerder kunnen geschieden, weshalve het O.M. niet ontvankelijk was in de door hetzelve ingediende vordering en de Politierechter het recht heeft geschonden door de Officier ontvankelijk te achten in diens vordering en door, in stede van de Officier niet ontvankelijk te verklaren in diens vordering d.d. 1 juli 1974 deze vordering toe te wijzen en de executie van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 17 juni 1972 te gelasten.
Mij in het belang der wet in cassatie voorziende van de meergemelde beschikking, heb ik de eer als middel van cassatie aan te voeren,
A primair, dat de Politierechter het recht heeft geschonden door de Officier van Justitie ontvankelijk te achten in diens bij hem ingediende vordering d.d. 1 juli 1974 en door, in stede van de Officier niet ontvankelijk te verklaren in deze vordering, deze vordering toe te wijzen en de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 17 juni 1972, te gelasten,
[ter ondersteuning van welk middel ik moge verwijzen naar de hierboven voorgestane opvatting, dat, in geval de veroordeelde zich gedurende de proeftijd misdraagt door opnieuw een strafbaar feit te begaan en aldus een der voorwaarden, gesteld bij een bevel als bedoeld in art. 14 a Sr. niet naleeft, het O.M., een vordering als bedoeld in art. 14 f lid 1 Sr. nodig oordelend, deze vordering niet eerder kan of mag geschieden dan nadat de veroordeelde ter zake van het opnieuw begane strafbaar feit onherroepelijk schuldig is verklaard, terwijl ik ter staving van deze opvatting Noyon-Langemeijer-Remmelink aanhaal, alwaar in aant. 2 op art. 14 f in fine wordt geleerd: "Niet-ontvankelijk kan de vordering alleen zijn wanneer zij wordt ingediend op een tijdstip waarop de rechter geen beslissing meer kan geven, d.i. wanneer de proeftijd verstreken is, behoudens het geval voorzien bij het tweede lid van artikel 14 h, of waarop hij het nog niet kan doen, namelijk wanneer van het begaan van een strafbaar feit waarop de vordering berust nog niet door een onherroepelijk geworden veroordeling is gebleken. Pas in dit laatste geval kan worden gezegd, dat er een strafbaar feit is begaan",]
subsidiair, voor het geval de Hoge Raad mocht oordelen dat de Politierechter de Officier te recht (niet) ontvankelijk heeft verklaard of geacht in diens bij hem ingediende vordering, dat de Politierechter het recht heeft geschonden, door, - terwijl in cassatie mag worden aangenomen, in ieder geval onderstellenderwijs, dat, toen de vordering werd ingediend, de veroordeelde niet of nog niet strafbaar was verklaard ter zake van het misdrijf door het begaan waarvan deze zich gedurende de proeftijd heeft misdragen maar slechts kon worden aangemerkt als degene te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit van schuld aan het feit dat de Politierechter als een misdrijf heeft gequalificeerd -, de vordering van de Officier toe te wijzen en de gevorderde tenuitvoerlegging te bevelen op de daarvoor door de Officier in diens vordering aangevoerde grond, zulks ten onrechte, omdat de onderhavige vordering niet toewijsbaar was of kon zijn op de enkele grond dat de veroordeelde verdacht werd van een misdraging gedurende de proeftijd welke een misdrijf oplevert, en te vorderen dat de Hoge Raad de beroepen beschikking in het belang der wet vernietige.
Parket, 30 september 1974.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,