Echter NJB, 4 juni 1983, aflev. 23, blz. 732 r.k., Mr. G.J. Wiarda, thans president van het Europese Hof voor de rechten van de mens: 'In het door U gegeven voorbeeld zou het opmaken van het proces- verbaal begrepen kunnen worden als een 'preliminary investigation', waaruit de betrokkene kan afleiden dat een strafvervolging tegen hem is ingezet.'
HR, 19-09-1983, nr. 76080U
ECLI:NL:HR:1983:AC8096
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-09-1983
- Zaaknummer
76080U
- LJN
AC8096
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1983:AC8096, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑09‑1983; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1983:AC8096
ECLI:NL:PHR:1983:AC8096, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑06‑1983
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1983:AC8096
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑09‑1983
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Israëlische nationaliteit) naar Bondsrepubliek Duitsland t.z.v. verdenking van feiten zoals omschreven in uitspraak Rb. Is vervolging in Duitsland nog mogelijk, nu feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ruim 2 jaren geleden zijn gepleegd en opgeëiste persoon destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden? Van feitelijke stellingen waarop beroep wordt gedaan, te weten dat (a) “feiten waarvoor thans uitlevering wordt gevraagd ruim 2 jaren geleden zijn gepleegd” en (b) opgeëiste persoon “destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden”, is stelling (a) in overeenstemming met de in Haftbefehl van Duitse rechter gegeven omschrijving van bedoelde feiten. Stelling (b) daarentegen vindt geen steun in inhoud van stukken en mist derhalve feitelijke grondslag. V.zv. middel bedoelt te betogen dat opgeëiste persoon t.z.v. deze feiten in Duitsland niet meer kan worden vervolgd wegens het verstreken zijn van termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM, steunt het op beide hiervoor bedoelde feitelijke stellingen samen. Aangezien stelling (b) feitelijke grondslag mist, kan dit betoog reeds daarom niet tot cassatie leiden. V.zv. middel stelt dat Rb de uitlevering niet toelaatbaar mocht verklaren omdat recht tot strafvordering is verjaard, miskent het dat recht tot strafvordering t.z.v. deze feiten naar Nederlands recht niet is verjaard en dat niet blijkt dat door opgeëiste persoon bij Rb een beroep op verjaring naar Duits recht is gedaan, zodat Rb niet gehouden was ervan te doen blijken ten aanzien daarvan onderzoek te hebben ingesteld. Volgt verwerping.
19 september 1983
Strafkamer
Nr. 76.080 U
LG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 april 1983 omtrent een verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland tot uitlevering van:
[verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te Amsterdam.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [verzoeker] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door [verzoeker] . Namens deze heeft Mr. J.G. Cnossen, advocaat te Amsterdam,
het navolgende middel van cassatie voorgesteld en bij pleidooi toegelicht:
Toelichting op grond van Nederlands recht en het Verdrag van Rome is geen vervolging meer mogelijk omdat de feiten waarvoor thans uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd en de requirant destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden. Terzake is requirant later vrijgelaten en nimmer meer vervolgd. De vervolgende instanties dienen binnen een redelijke termijn tot vervolging over te gaan, bij gebreke waarvan het recht tot vervolging is verjaard en derhalve een eventuele vervolging niet ontvankelijk verklaard moet worden. Uitlevering kan derhalve niet meer worden gevraagd en is derhalve niet toelaatbaar.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Beoordeling van het middel
4.1 Van de feitelijke stellingen waarop het middel een beroep doet, te weten (a) dat "de feiten waarvoor thans uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd" en (b) dat [verzoeker] "destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden", is stelling (a) in overeenstemming met de in het Haftbefehl van het Amtsgericht Frankfurt am Main van 14 februari 1982 gegeven omschrijving van bedoelde feiten. Stelling (b) daarentegen vindt geen steun in de inhoud van de stukken van het geding en mist derhalve feitelijke grondslag.
4.2. Voor zover het middel bedoelt te betogen dat [verzoeker] ter zake van voormelde feiten in de Bondsrepubliek Duitsland niet meer kan worden vervolgd wegens het verstreken zijn van de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag, tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, steunt het op de beide in 4.1 bedoelde feitelijke stellingen tezamen. Aangezien stelIing (b) feitelijke grondslag mist, kan voormeld betoog reeds daarom niet tot cassatie leiden.
4.3. Voor zover het middel stelt dat de Rechtbank. de uitlevering niet toelaatbaar mocht verklaren omdat het recht tot strafvordering is verjaard, miskent het dat het recht tot strafvordering ter zake van voormelde feiten naar Nederlands recht niet is verjaard en dat niet blijkt dat door [verzoeker] bij de Rechtbank een beroep op verjaring, naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland is gedaan, zodat de Rechtbank niet gehouden was ervan te doen blijken dienaangaande een onderzoek te hebben ingesteld.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer Royer als voorzitter en de raadsheren De Groot, De. Waard, Jeukens en Haak, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mulder, en uitgesproken op 19 september 1983.
Conclusie 14‑06‑1983
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Israëlische nationaliteit) naar Bondsrepubliek Duitsland t.z.v. verdenking van feiten zoals omschreven in uitspraak Rb. Is vervolging in Duitsland nog mogelijk, nu feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ruim 2 jaren geleden zijn gepleegd en opgeëiste persoon destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden? Van feitelijke stellingen waarop beroep wordt gedaan, te weten dat (a) “feiten waarvoor thans uitlevering wordt gevraagd ruim 2 jaren geleden zijn gepleegd” en (b) opgeëiste persoon “destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden”, is stelling (a) in overeenstemming met de in Haftbefehl van Duitse rechter gegeven omschrijving van bedoelde feiten. Stelling (b) daarentegen vindt geen steun in inhoud van stukken en mist derhalve feitelijke grondslag. V.zv. middel bedoelt te betogen dat opgeëiste persoon t.z.v. deze feiten in Duitsland niet meer kan worden vervolgd wegens het verstreken zijn van termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM, steunt het op beide hiervoor bedoelde feitelijke stellingen samen. Aangezien stelling (b) feitelijke grondslag mist, kan dit betoog reeds daarom niet tot cassatie leiden. V.zv. middel stelt dat Rb de uitlevering niet toelaatbaar mocht verklaren omdat recht tot strafvordering is verjaard, miskent het dat recht tot strafvordering t.z.v. deze feiten naar Nederlands recht niet is verjaard en dat niet blijkt dat door opgeëiste persoon bij Rb een beroep op verjaring naar Duits recht is gedaan, zodat Rb niet gehouden was ervan te doen blijken ten aanzien daarvan onderzoek te hebben ingesteld. Volgt verwerping.
n.
Nr. 76.080 U
Zitting 14 juni 1983
Mr. Leijten.
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak - een cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 26 april 1983, waarbij toelaatbaar werd verklaard de uitlevering ter vervolging aan de Duitse Bondsrepubliek van verzoeker - komt het bij pleidooi toegelichte middel van cassatie mij ondeugdelijk voor. Daarin wordt namelijk geponeerd, dat, nu de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ruim twee jaar geleden zijn gepleegd en verzoeker destijds reeds mede voor deze feiten is aangehouden, op grond van het Nederlands recht en van het Verdrag van Rome geen vervolging meer mogelijk is en dat daarom geen uitlevering van verzoeker gevraagd kan worden. Naar het mij voorkomt zal allereerst en vooral de rechter in de Duitse Bondsrepubliek moeten uitmaken of vervolging van verzoeker (nog) mogelijk is, terwijl bovendien (a) het Nederlands recht niet verbiedt tot vervolging over te gaan van een feit dat twee jaren geleden is gepleegd en waarvoor de verdachte toen is aangehouden, tenzij het feit van dien aard zou zijn, dat het verjaard was (overtreding) terwijl (b) het Verdrag van Rome aanhouding terzake van een strafbaar feit niet aanmerkt als het beginpunt van de "reasonable time" waarbinnen de gegrondheid van een tegen iemand ingestelde strafvervolging moet worden bepaald. Naar interpretatie van de Nederlandse rechter immers is aanhouding zondermeer niet te beschouwen als een vanwege de staat jegens de betrokkene verrichtte handeling, waaruit deze in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat het O.M. het ernstige voornemen heeft tegen hem een strafvervolging in te stellen (o.m. H.R. 6 januari 1981 N.J. 1981, 207 noot Th. W.v. V. ). En ook het Europese Hof voor de rechten van de mens, dat de termijn doet ingaan na "the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence" of in sommige gevallen na "other measures which carry the implication of such an allegation and which likewise substantially affect the situation of the suspect" (Corigiano en Foti case, beide van 10 december 1982) zal niet aan de aanhouding hebben gedacht als beginpunt van de termijn (zie ook pre-advies 1983, N.J.V. van E.P. von Brucken Fock, blz. 159).1.
Het middel niet gegrond achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑06‑1983