NJ 1985, 319
HR, 23-10-1984, nr. 77363E
HR 23-10-1984, ECLI:NL:PHR:1984:AC8563
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
23 oktober 1984
- Magistraten
Moons, De Groot, De Waard, Jeukens, Haak, Remmelink
- Zaaknummer
77363E
- LJN
AC8563
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1984:AC8563, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 23‑10‑1984
ECLI:NL:PHR:1984:AC8563, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑10‑1984
- Wetingang
Sr art. 51; Sv art. 344 lid 1 onder 2°; Sv art. 359 lid 1; Sv art. 359 lid 3; WAP art. 4
Essentie
1. De passage uit het ambtsedig p.-v. is kennelijk aangemerkt als inleiding tot het voor het bewijs gebezigde gedeelte van dat p.-v. en is op zichzelf niet aangewezen als redengevend feit of omstandigheid.
2. De getuigenverklaring in het ambtsedig p.-v. behelst niets wat niet vatbaar is voor eigen waarneming en ondervinding.
3. Toereikend bewijs van medeplegen van ‘opdracht geven’ tot vervoer van personen tegen vergoeding zonder vergunning, begaan door een rechtspersoon; het Hof behoefde niet vast te stellen dat de verdachte voor het telkens uitvoeren van de ritten afzonderlijk opdracht gaf.
4. De selectie en waardering van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.