HR, 02-06-1987, nr. 81188
ECLI:NL:PHR:1987:AB8018
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-06-1987
- Zaaknummer
81188
- LJN
AB8018
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Sancties
Internationaal publiekrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1987:AB8018, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑06‑1987; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1987:AB8018
ECLI:NL:PHR:1987:AB8018, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑06‑1987
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1987:AB8018
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑06‑1987
Inhoudsindicatie
Aanvang redelijke termijn; de periode tussen het plegen van het strafbare feit en de aangifte dient buiten beschouwing te blijven. Een middels sepotbrief opgewekt vertrouwen dat verdachte niet zal worden vervolgd, kan niet worden gehonoreerd als door het hof krachtens art. 12 Sv wordt bevolen ‘dat de vervolging zal worden ingesteld’.
2 juni 1987
Strafkamer
nr.81.188
MvdH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 maart 1986 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1930, wonende te Delft.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 maart 1985, waarbij de verdachte tot straf is veroordeeld ter zake van "verkrachting, meermalen gepleegd". Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. J.W. Stok, advocaat te Delft, het navolgende middel van cassatie voorgesteld:
schending of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en/of artikel 14 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of de artikelen 348, 349, 358, 359 en 415 Strafvordering en/of beginselen van behoorlijke procesorde en/of het Jurisprudentierecht en/of verzuim van vormen voor zover de niet inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanig nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen door ten onrecht de Officier van Justitie ontvankelijk te verklaren in zijn strafvervolging, in plaats van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging niet ontvankelijk te verklaren, althans de beslissing ter zake onvoldoende, in ieder geval op onjuiste gronden te motiveren;
TOELICHTING:
de vraag is of het eventueel niet in strijd zou zijn met de beginselen van een goede procesorde indien een Officier van Justitie vervolgt in geval een aanklacht bij de politie wordt ingediend ongeveer 10 jaar na beëindiging van de periode, waarin de misdrijven zijn begaan. Bij zijn optreden is het openbaar Ministerie gebonden aan geschreven, maar ook aan ongeschreven regels. Bij zijn optreden streeft het Openbaar Ministerie een evenwicht tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid na. Dit zal eerder bereikt worden, indien het zich laat inspireren door gedachten, die ten grondslag liggen aan de uit het bestuursrecht bekende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aldus het jaarverslag van het Openbaar Ministerie over 1972. Het Openbaar Ministerie acht zichzelf dus steeds meer gebonden aan de grens van behoorlijk handelen. Daarnaast houdt ook de Rechter het Openbaar Ministerie uitdrukkelijk aan deze beginselen. Sedert 1981 is het vaste jurisprudentie dat niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ook kan berusten op schending van beginselen van behoorlijk procesrecht en/of op regels van ongeschreven recht. De Hoge Raad erkende toen ruiterlijk dat het vervolgingsbeleid aan ongeschreven regels kan worden getoetst. (Citaat Prof. Mr. J. Remlink d.d. 13 - 1983 - 7, P.574 alsmede Hoge Raad 22 december 1981, NJ 1982, 233).
De ten laste gelegde feiten hebben betrekking op de periode 20 september 1972 tot en met 26 december 1973. Op 5 december 1983 heeft het slachtoffer voor het eerst aangifte gedaan bij de Gemeentepolitie van Delft. Uit de stukken is duidelijk geworden dat het slachtoffer reeds voor 1980 uitvoerig met een maatschappelijk werkster over de problematiek had gesproken en dat zij in de 5 jaren die sindsdien verlopen waren, geen pogingen had ondernomen om vervolging te doen instellen. Dat er verder geen omstandigheden zijn dan wel zijn aangevoerd, die een dergelijk uitzonderlijk lange termijn, in casu van 1973 tot 1983, rechtvaardigen. Dat de redelijke termijn niet alleen betrekking hoeft te hebben op de berechting, maar eveneens op de periode tussen een eventuele strafbare daad en de aangifte.
Na het inzenden van het procesverbaal door de Gemeentepolitie te Delft heeft een gesprek plaats gevonden tussen het Openbaar Ministerie, verdachte en slachtoffer. Het Openbaar Ministerie heeft daarna in een sepot-brief te kennen gegeven dat de zaak geseponeerd zou worden. Op grond hiervan mocht requestrant van cassatie erop vertrouwen dat de zaak was afgedaan. Door een overheidsorgaan opgewekte rechtvaardige verwachtingen dienen gehonoreerd te worden. Reeds in het Mackintosh arrest suggereerde advokaat generaal Remlink dat analoog aan het bestuursrecht ook in het strafrecht de overheid gebonden zou zijn aan eigen voorafgaand handelen, als in een concreet geval verwachtingen zijn gewekt. Het betrof hier de toezegging van een Officier van Justitie dat niet vervolgd zou worden alvorens op een verzoek van verdachte om vrijstelling van winkelsluitingstijden zou zijn beslist. Een andere Officier van Justitie ging daarvoor al tot vervolging over. Advokaat generaal Remlink achtte het dus niet uitgesloten dat hier sprake was van een schending van een beginsel van behoorlijke procesorde. In de Menten-zaak besliste de Hoge Raad dat een beroep van verdachte op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen, als er sprake is van een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke toezegging aan verdachte door de bevoegde instantie. Slechts dan is de gewekte verwachting ook gerechtvaardigd. Requestrant van cassatie is van mening dat hij er terecht op mocht vertrouwen dat het Openbaar Ministerie niet meer tot vervolging zou overgaan.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Bewezenverklaring
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
dat hij in de periode van 20 september 1972 tot en met 26 december 1973 te Delft meermalen, door geweld de vrouw [slachtoffer] met wie hij niet was gehuwd, heeft gedwongen met hem vleselijke gemeenschap te hebben, welk geweld hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, opzettelijk gewelddadig de mond van die vrouw met zijn handen heeft dichtgedrukt en/of zijn handen om de keel van die vrouw heeft gelegd en/of die keel (even) heeft dichtgedrukt.
5. Verwerping van gevoerde verweren
5.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 22 februari 1985 heeft de raadsman van de verdachte daar onder meer het volgende aangevoerd:
De officier van justitie dient in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden, nu het slachtoffer reeds vijf jaar geleden met een maatschappelijk werkster over het verleden heeft gesproken, en zij in de vijf jaren die sindsdien verlopen zijn geen pogingen heeft ondernomen een vervolging te doen instellen. Een vervolging thans is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien is de redelijke termijn als bedeeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overschreden.
5.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 13 maart 1986 heeft de raadsman daar evengenoemde verweren herhaald en voorts nog als verweer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en derhalve daarom niet-ontvankelijk moet worden geacht in zijn vervolging.
5.3. Omtrent het onder 5.1 weergegevene heeft de Rechtbank overwogen en beslist:
dat het slachtoffer, zoals uit de stukken blijkt, op 5 december 1983 aangifte heeft gedaan van de aan de verdachte telastegelegde feiten; dat het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking d.d. 22 augustus 1984 naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering heeft bevolen dat de vervolging tegen verdachte zal worden ingesteld dan wel voortgezet;
dat de rechtbank niet vermag in te zien dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, welke thans de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging tot gevolg zou hebben;
dat dit verweer dan ook dient te worden verworpen;
dat voorts het verweer met betrekking tot de bovenbedoelde redelijke termijn verworpen dient te worden;
dat immers deze termijn aanvangt bij een daad van vervolging;
dat als zodanig aangemerkt dient te worden de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek, welke op 20 september 1984 aan verdachte is betekend;
dat de termijn vanaf 20 september 1984 tot de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 22 februari 1985 zeker is aan te merken als een redelijke termijn als bovenbedoeld;
dat het feit dat het slachtoffer eerder met een maatschappelijk werkster over de feiten heeft gesproken in dit verband irrelevant is;
dat, op grond van het vorenoverwogene, de officier van justitie ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging.
5.4. Het Hof heeft naar aanleiding van de gevoerde verweren overwogen en beslist:
OVERWEGENDE dat het hof ten aanzien van de in hoger beroep herhaalde verweren zich verenigt met de overwegingen die de rechtbank dienaangaand heeft gehanteerd en die hebben geleid tot verwerping van die verweren, waarbij het hof nog overweegt dat tussen de uitspraak van het vonnis waarvan hoger beroep en de behandeling van dit beroep ook niet zo lange tijd is verlopen, dat thans van overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM sprake zou zijn ;
OVERWEGENDE dat het hof ten aanzien van voormeld voor het eerst in hoger beroep aangevoerde verweer inzake schending van het vertrouwensbeginsel het navolgende in aanmerking neemt;
dat in beginsel het openbaar ministerie de vrijheid heeft om een verdachte al dan niet te vervolgen;
dat dit opportuniteitsbeginsel van het openbaar ministerie echter moet wijken voor het bevel van dit hof van 22 augustus 1984 krachtens artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering om tot vervolging over te gaan, zodat het desbetreffende verweer wordt verworpen .
6. Beoordeling van het middel
6.1.1. De termijn waarop artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het oog heeft, vangt aan op het moment waarop vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht, waaraan deze de verwachting heeft ontleend - en in redelijkheid ook de verwachting heeft kunnen ontlenen - dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen.
6.1.2. Voor zover het middel betoogt dat de Officier van Justitie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard aangezien in het onderhavige geval de termijn waarbinnen de berechting plaats vond onredelijk lang zou zijn, omdat daarin ook de periode tussen het plegen van de strafbare feiten en de aangifte zou moeten worden betrokken, miskent het het onder 6.1.1 overwogene.
6.2. Voor zover het middel betoogt dat de verdachte er op grond van een sepot-brief van het Openbaar Ministerie op mocht vertrouwen dat de zaak was afgedaan, en de Officier van Justitie deswege niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn vervolging ziet het eraan voorbij dat een bij een verdachte door een mededeling dat geen vervolging zal worden ingesteld opgewekt vertrouwen dat hij niet zal worden vervolgd, niet kan worden gehonoreerd indien door het Gerechtshof krachtens art. 12 Sv., zoals dat ten tijde van de in deze zaak door het Hof gegeven beschikking luidde, wordt bevolen "dat de vervolging zal worden ingesteld". Immers, het Openbaar Ministerie was ingevolge het bepaalde art.12 Sv., zoals dat toen luidde, en is thans krachtens art. 12k Sv. gehouden aan een zodanig bevel gevolg te geven.
6.3. Het middel faalt derhalve in beide onderdelen.
7. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, ter wijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
8. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen voor de vice-president Van der Ven als voorzitter, en de raadsheren Bronkhorst, de Waard, Beekhuis en Keijzer, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 2 juni 1987.
Conclusie 02‑06‑1987
Inhoudsindicatie
Aanvang redelijke termijn; de periode tussen het plegen van het strafbare feit en de aangifte dient buiten beschouwing te blijven. Een middels sepotbrief opgewekt vertrouwen dat verdachte niet zal worden vervolgd, kan niet worden gehonoreerd als door het hof krachtens art. 12 Sv wordt bevolen ‘dat de vervolging zal worden ingesteld’.
na. -
Nr. 81.188
Zitting 31 maart 1987
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar college,
1. In eerste aanleg is namens verzoeker een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen
"dat de raadsman daartoe heeft aangevoerd dat het slachtoffer reeds vijf jaar geleden met een maatschappelijk werkster over deze zaak heeft gesproken en dat zij in de vijf jaren die sindsdien verlopen zijn geen pogingen heeft ondernomen een vervolging te doen instellen; dat derhalve een vervolging thans in strijd is met de algemene 'beginselen van behoorlijke procesorde en dat voorts de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming 'van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden".
2. De rechtbank heeft het verweer verworpen, overwegende
"dat het slachtoffer, zoals uit de stukken blijkt, op 5 december 1983 aangifte heeft gedaan van de aan de verdachte telastegelegde feiten;
dat het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking d.d. 22 augustus 1984 naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering heeft bevolen dat de vervolging tegen verdachte zal worden ingesteld dan wel voortgezet;
dat de rechtbank niet vermag in te zien dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, welke thans de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging tot gevolg zou hebben;
dat dit verweer dan ook dient te worden verworpen;
dat voorts het verweer met betrekking tot de bovenbedoelde redelijke termijn verworpen dient te worden; dat immers deze termijn aanvangt bij een daad van vervolging;
dat als zodanig aangemerkt dient te worden de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek, welke op 20 september 1984 aan verdachte is betekend;
dat de termijn vanaf 20 september 1984 tot de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 22 februari 1985 zeker is aan te merken als een redelijke termijn als bovenbedoeld;
dat het feit dat het slachtoffer eerder met een maatschappelijk werkster over de feiten heeft gesproken in dit verband irrelevant is;
dat, op grond van het vorenoverwogene, de officier van justitie ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging".
3. In hoger beroep heeft verzoekers raadsman het bedoelde verweer herhaald en, blijkens het bestreden arrest, ter aanvulling van dat verweer nog aangevoerd
"dat het openbaar ministerie bij verdachte het vertrouwen heeft opgewekt dat zijn vervolging zou worden geseponeerd;
dat het openbaar ministerie dusdoende het vertrouwensbeginsel heeft geschaad en niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging".
4. Het hof heeft hierop overwogen
"dat het hof ten aanzien van de in hoger beroep herhaalde verweren zich verenigt met de overwegingen die de rechtbank dienaangaand heeft gehanteerd en die hebben geleid tot verwerping van die verweren, waarbij het hof nog overweegt dat tussen de uitspraak van het vonnis waarvan hoger beroep en de behandeling van dit beroep ook niet zo lange tijd is verlopen, dat thans van overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM sprake zou zijn,
overwegende dat het hof ten aanzien van voormeld voor het eerst in hoger beroep aangevoerde verweer inzake schending van het vertrouwensbeginsel het navolgende in aanmerking neemt; dat in beginsel het openbaar ministerie de vrijheid heeft om een verdachte al dan niet te vervolgen;
dat dit opportuniteitsbeginsel van het openbaar ministerie echter moet wijken voor het bevel van dit hof van 22 augustus 1984 'krachtens artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering om tot vervolging over te gaan, zodat het desbetreffende verweer wordt verworpen".
5. Het namens verzoeker door mr. J.W. Stok, advocaat te 's-Gravenhage, voorgestelde middel bevat blijkens de toelichting een tweetal klachten. De eerste klacht is dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met
"de beginselen van een goede procesorde"
door een vervolging in te stellen op een aangifte die, zoals in de schriftuur wordt gezegd, eerst is gedaan
"ongeveer 10 jaar na beëindiging van de periode, waarin de misdrijven zijn begaan".
De tweede, daarmee samenhangende, klacht is dat verzoeker op grond van een desbetreffende toezegging van de officier van justitie erop mocht vertrouwen, dat de aangifte niet tot een strafvervolging zou leiden.
6. Geen van beide klachten kan naar mijn mening tot cassatie leiden. Zij stuiten beide af op hetgeen het hof heeft overwogen met betrekking tot de verhouding tussen het opportuniteitsbeginsel van het openbaar ministerie en het op 22 augustus 1984 krachtens art. 12 Sv., zoals dat artikel toen luidde, gegeven bevel van hetzelfde hof om tot vervolging van verzoeker over te gaan.
7. Het oordeel van het hof geeft in geen enkel opzicht blijk van een verkeerde rechtsopvatting.
Het bevel bedoeld in art. 12 Sv. is immers een beslissing die voor het openbaar ministerie de onmiddellijke -gewoon beroep in cassatie staat niet open- verplichting schept de in het bevel bedoelde vervolging in te stellen. Vgl. G.J.M. Corstens, Waarborgen rondom het vervolgingsbeleid 1974, p. 105; Melai, aantt. 2 en 3 op art. 12 (oud) ; Van Bemmelen-Van Veen, Strafprocesrecht 1986, p. 213.
8. Nadat op bevel van het hof de vervolging is ingesteld, kan degene die wordt vervolgd aan het openbaar ministerie niet meer tegenwerpen dat het door de vervolging in te stellen in strijd handelt met enige rechtsregel of met een beginsel van behoorlijk procesrecht, bijvoorbeeld omdat de vervolging plaats vindt op een aangifte die geruime tijd na het plegen van het feit ligt, of omdat wordt vervolgd in weerwil van een eerdere toezegging om niet te vervolgen.
9. Het ex art. 12 Sv. gegeven bevel houdt immers het oordeel van het hof in dat het instellen van die vervolging rechtmatig is. Ook onder de werking van het oude art. 12 was het de taak van het hof naast de haalbaarheid van de vervolging (Corstens, a.w. p. 23-24) de opportuniteit daarvan te beoordelen. Over de volledige rechtmatigheidstoetsing in de nieuwe beklagregeling: P.J.J. van Buuren in AA 1985, p. 265-266. Vgl. Van Bemmelen- Van Veen, a.w. p. 212, en in algemene zin J.A. Borman in Trema 1981, p. 109.
10. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het middel ongegrond is.
De conclusie strekt dan ook tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,